ECLI:NL:RBGEL:2026:5085

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
11906131
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:5 BWArt. 7:17 BWArt. 7:18a BWArt. 7:21 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontbinding en schadevergoeding consumentenkoop auto wegens ontbreken verzuim

De eiser kocht in oktober 2024 een tweedehands Volkswagen Passat Variant met garantie. Kort na levering constateerde hij diverse gebreken, waaronder een slecht functionerende verwarming, lekkende waterpomp en versleten distributieriem. De gedaagde bood herstel onder garantie aan en voerde reparaties uit, waarbij vervangend vervoer werd verstrekt.

De eiser stelde de gedaagde meerdere malen in gebreke en verklaarde de koopovereenkomst buitengerechtelijk te willen ontbinden wegens non-conformiteit. De gedaagde repareerde de gebreken telkens binnen redelijke termijnen. De kantonrechter oordeelde dat de eiser de overeenkomst niet mocht ontbinden omdat de gedaagde niet in verzuim was gekomen.

De eiser vorderde daarnaast schadevergoeding voor diverse kosten en herstel van een beschadigd portier. Deze vorderingen werden afgewezen omdat de gedaagde niet in verzuim was en onvoldoende bewijs was geleverd dat de schade aan het portier door de gedaagde was veroorzaakt.

De nevenvorderingen, waaronder rente en incassokosten, werden eveneens afgewezen. De eiser werd veroordeeld in de proceskosten. De vordering in voorwaardelijke reconventie van de gedaagde tot gebruikersvergoeding werd niet behandeld omdat de ontbinding niet werd toegewezen.

Uitkomst: De vorderingen tot ontbinding, terugbetaling en schadevergoeding worden afgewezen wegens het ontbreken van verzuim bij de verkoper.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11906131 \ CV EXPL 25-2787
Vonnis van 26 juni 2026
in de zaak van
[naam eiser in conventie / verweerder in voorwaardelijke reconventie],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. J.H.M. Döbber (DAS Rechtsbijstand),
tegen
[naam gedaagd bedrijf in conventie / eisend bedrijf in voorwaardelijke reconventie] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
gemachtigde: J. Bulder (Basic-Legal).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 januari 2026 en de daarin genoemde processtukken
- de nadere producties 24 tot en met 26 van [de eiser]
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie
- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Hierna is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2.De feiten

2.1.
[de eiser] heeft omstreeks 14 oktober 2024, na het maken van een proefrit, een tweedehands Volkswagen Passat Variant (hierna: de auto) met kenteken [kentekennummer] uit bouwjaar 2018 van [de gedaagde] gekocht. [de eiser] heeft een bedrag van € 22.000,00 voor de auto betaald en de auto had bij aflevering een kilometerstand van 143.796 kilometer. De auto is aan [de eiser] geleverd met zes maanden garantie en is voor levering APK gekeurd.
2.2.
Op 18 en 24 oktober 2024 heeft [de eiser] contact opgenomen met [de gedaagde] omdat hij een aantal problemen aan de auto had geconstateerd.
2.3.
[de eiser] heeft vervolgens zijn eigen garage naar de auto laten kijken en de garage constateerde een slecht functionerende verwarming, een lekkende waterpomp, een versleten distributieriem en een vreemd geluid bij het vliegwiel.
2.4.
[de eiser] heeft dit opnieuw bij [de gedaagde] gemeld. [de gedaagde] heeft voor de gemelde problemen op 28 oktober 2024 een herstelofferte uitgebracht van € 5.243,67 en aangegeven dat de gemelde problemen worden hersteld onder de garantie.
2.5.
[de eiser] heeft zijn auto op 4 november 2024 bij [de gedaagde] aangeboden voor herstel. Gedurende de herstelperiode heeft [de gedaagde] vervangend vervoer aan [de eiser] ter beschikking gesteld. De auto was op 6 december 2024 weer in bezit bij [de eiser] .
2.6.
Op 9 december 2024 constateerde [de eiser] dat de verwarming nog steeds niet goed functioneerde. [de eiser] heeft de problemen laten beoordelen door een derde die [de eiser] er ook op wees dat de bodemplaat ontbrak. [de eiser] mailt hierover op 12 december 2024 aan [de gedaagde] het volgende:
‘De auto is bij mijn garage geweest. Ze bevestigen dat de kachel het niet goed doet en dat ook de airco niet optimaal werkt. Daarnaast constateerden zij dat de bodemplaat ontbreekt! Ze hebben geen diagnose gesteld maar het is een ondeugdelijke auto.
Zoals al vaker aangegeven wil ik de koop ontbinden. Het gaat mij er niet om wat er al gedaan is of wat jullie nog kunnen doen maar ik wil weten of jullie bereid zijn om het op een nette manier op te lossen. Willen jullie meewerken aan ontbinden van de koop?’
2.7.
Op 13 december 2024 reageert [de gedaagde] – voor zover van belang – als volgt:
‘Jammer dat alle punten niet in 1 keer zijn opgelost.
De bodemplaat is hier vergeten terug te plaatsen na de reparatie.
Als er door de andere garage geen diagnose is gesteld, hoe kunt u dan melden dat het een ondeugdelijke auto is?
Wat u kachel en airco betreft, deze hebben we hier na de reparatie getest en toen werkte alles naar behoren, als uws inziens deze niet goed functioneert kijken we hier graag naar.
Maar om de koop te ontbinden voor uw kachel lijkt mij niet nodig.
Als uw auto niet gerepareerd kan worden gaan wij meewerken aan het ontbinden van de koop. Dat lijkt mij bij uw auto niet nodig.
Graag zien we de auto nog een keer terug om de bodemplaat terug te monteren en uw kachel te optimaliseren.’
2.8.
Omdat [de gedaagde] niet wilde meewerken aan ontbinding van de koopovereenkomst en aangaf dat de werkplaats voor de komende weken vol zat, heeft [de eiser] [de gedaagde] op 17 december 2024 in gebreke gesteld. In de ingebrekestelling staat – voor zover van belang – het volgende:
‘ Op 16 oktober 2024 kocht ik bij u de Volkswagen Passat met kenteken [kentekennummer] . Helaas vertoont de auto sinds de aankoopdatum diverse gebreken en heeft het niet alle eigenschappen om het normaal te gebruiken. Ik heb de volgende klachten:
  • Kachel (en airco) werken niet
  • Schokkende beweging bij automatisch terugschakelen
  • Laag koelvloeistofpeil
  • Ontbreken bodemplaat
Het is mij niet bekend of alle eerder gemelde gebreken – voor de lange termijn – zijn opgelost. Daarvoor ontbreekt het mij aan kennis en kunde.
Ik heb u direct na de koop verzocht de auto te repareren. Derhalve heeft de auto vanaf 4 november 2024 tot 6 december 2024 bij u gestaan. De auto voldoet echter nog steeds niet en u weigert medewerking te verlenen aan het ontbinden van de koop. U heeft mij aangeboden de auto opnieuw te willen repareren of een andere auto uit te zoeken. Gezien uw beperkte assortiment en mijn slechte ervaringen met uw bedrijf is dat helaas geen oplossing.
(…)
Middels deze ingebrekestelling verzoek ik u de auto binnen een week na dagtekening van deze brief op te halen en te repareren.’
2.9.
Na verschillende mails tussen partijen, waarin [de gedaagde] onder andere aangaf dat zij een redelijke termijn moet krijgen om een reparatie uit te voeren, mailt [de eiser] op 23 december 2024, na overleg met zijn gemachtigde, het volgende aan [de gedaagde] :
‘Het gebrek met de verwarming heb ik u op 9 december jl. al gemeld en sindsdien ontbreekt het u aan een proactieve en oplossingsgerichte houding. Het is een schande dat u zelfs twijfelt of het gebrek wel aanwezig is. Aangezien u de gestelde termijn in de ingebrekestelling niet gaat redden neem ik vervolgstappen en heb ik alles overgedragen aan mijn rechtsbijstandverzekering. Voor mij persoonlijk is het ontbinden van de koop de enige optie.’
2.10.
Op 30 december 2024 mailt [de eiser] dat hij [de gedaagde] nogmaals een redelijke termijn wil geven tot en met 16 januari 2025 om de klachten te verhelpen. [de gedaagde] heeft de klachten uiteindelijk verholpen en [de eiser] heeft de auto weer in gebruik genomen.
2.11.
Op 19 februari 2025 constateert [de eiser] opnieuw een probleem. De versnellingsbak schakelt niet goed en de auto gaat in het noodprogramma.
2.12.
[de gedaagde] heeft naar aanleiding van de melding van [de eiser] de auto op 21 februari 2025 opgehaald en vervangend vervoer beschikbaar gesteld. [de gedaagde] heeft laten weten dat een diagnose is gesteld en dat de problemen zouden worden veroorzaakt door een sensor in de versnellingsbak die een foutieve waarde aangaf en dat die vervangen moet worden.
2.13.
Op 11 maart 2025 heeft [de eiser] [de gedaagde] formeel in gebreke gesteld voor het probleem met de versnellingsbak en [de gedaagde] tot en met 18 maart 2025 de tijd gegeven om het probleem te herstellen.
2.14.
Op 19 maart 2025 mailt [de gedaagde] aan [de eiser] dat de auto op 4 april 2025 naar een automatenspecialist wordt gebracht om de sensor te vervangen.
2.15.
Op 26 maart 2025 heeft de gemachtigde van [de eiser] [de gedaagde] opnieuw gesommeerd met betrekking tot het probleem aan de versnellingsbak. In de brief schrijft hij – onder andere – het volgende:
‘Bij deze sommeer ik u dan ook om mij binnen 5 dagen na heden schriftelijk te bevestigen dat alle gebreken aan de auto uiterlijk 9 april a.s. hersteld zijn en de auto alsdan 100% in orde is. Indien en voor zover u met één van de twee termijnen in gebreke blijft of nadien blijkt dat er wederom gebreken zijn dan zeg ik u nu reeds aan dat cliënt de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbindt en dient u alsdan de koopprijs aan cliënt terug te betalen waarna cliënt de auto aan u weer ter beschikking zal stellen.’
2.16.
Op 31 maart 2025 reageert [de gedaagde] daarop met de mededeling dat zij zich zal inspannen om het probleem met de versnellingsbak op uiterlijk 9 april 2025 te herstellen.
2.17.
Op 7 april 2025 laat [de gedaagde] weten dat de auto gerepareerd is.
2.18.
Op 11 april 2025 heeft [de gedaagde] de auto bij [de eiser] afgeleverd. Op dat moment constateerde [de eiser] dat op het portier aan de bestuurderszijde een beschadiging zat. [de eiser] heeft dit bij [de gedaagde] gemeld en de herstelkosten van de schade zijn begroot op € 1.250,00.
2.19.
Op 13 april 2025 trad opnieuw een storing op, waarbij meerdere waarschuwingslampjes op het dashboard verschenen en de auto nauwelijks optrok. Ook dit heeft [de eiser] bij [de gedaagde] gemeld.
2.20.
Op 14 april 2025 heeft [de gedaagde] aangeboden om de koop met wederzijds goedvinden per direct te ontbinden of anders eerst een diagnose te stellen.
2.21.
Op 15 april 2025 mailt de gemachtigde van [de gedaagde] – voor zover van belang – daarover nog het volgende:
‘Mijn cliënte heeft uw cliënt gisteren schriftelijk gemeld dat zij het door uw cliënt gekochte voertuig geheel onverplicht wil terugnemen en de koopprijs daarna direct wil terugbetalen na verrekening van een vergoeding voor de door uw cliënt met het voertuig gereden kilometers. Uw cliënt heeft tot op heden niet aangegeven dat hij het voertuig zal terugbrengen dan wel afgeven. Dat er op dit moment niet met het voertuig kan worden gereden betwist mijn cliënte bij gebrek aan bewijs daarvan echter mijn cliënte was en is bereid om het voertuig op eigen kosten op te halen.
Cliënte zal verder geen kosteloos vervoer ter beschikking stellen. Uw cliënt zal de kilometers die gemaakt worden tijdens zijn vakantie linksom dan wel rechtsom zelf moeten dragen.
(…)
Ik verzoek u mij aan te geven wanneer cliënt het voertuig kan ophalen.’
2.22.
[de eiser] kon op dat moment niet akkoord gaan met ontbinding omdat hij een vakantie had geboekt, op 19 april 2025 zou vertrekken met de caravan en voor die tijd geen vervangend vervoer meer kon regelen. [de eiser] heeft dan ook op 16 april 2025 herstel van de auto gevorderd zodat hij met vervangend vervoer van [de gedaagde] op vakantie kon gaan.
2.23.
[de gedaagde] heeft de storingen verholpen en op 17 april 2025 gemeld dat de auto klaar was. Op 18 april 2025 heeft [de gedaagde] de auto weer bij [de eiser] afgeleverd.
2.24.
Op 14 mei 2025 laat [de eiser] per mail aan [de gedaagde] weten dat sprake is van een vertrouwensbreuk, dat [de eiser] twijfels blijft houden bij de vraag of de auto wel conform is en dat hij de koopovereenkomst wil ontbinden of dat hij anders aanspraak maakt op schadevergoeding.
2.25.
[de gedaagde] laat op 21 mei 2025 per mail weten niet akkoord te gaan met ontbinding van de overeenkomst.
2.26.
Op 2 juni 2025 heeft [de eiser] [de gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door [de eiser] geleden schade van € 3.597,00 PM en verzocht om betaling binnen 14 dagen.
2.27.
Op 19 juni 2025 begon het motorlampje te branden en heeft [de eiser] de ANWB gebeld. Omdat de ANWB vanwege drukte niet kon komen is hij naar zijn eigen garage gegaan. De garage heeft de auto onderzocht en meerdere foutcodes uitgelezen, waaruit volgde dat een drukverschilsensor moest worden vervangen. [de eiser] heeft zijn eigen garage opdracht gegeven om dit gebrek te herstellen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[de eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair, subsidiair en meer subsidiair:
  • Te verklaren voor recht dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomst d.d. 14 oktober 2024 betreffende de Volkswagen Passat Variant met kenteken [kentekennummer] rechtsgeldig is ontbonden op grond van artikel 6:265 BW Pro;
  • Voor zover de overeenkomst nog niet rechtsgeldig is ontbonden, deze overeenkomst te ontbinden op grond van artikel 6:265 BW Pro;
  • [de gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling van het aankoopbedrag van € 22.000,00 aan [de eiser] , binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf die datum tot aan de dag der
algehele voldoening;
- [de gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 4.726,94 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2025 tot aan de dag der
algehele voldoening;
- [de gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 723,21 op grond van artikel 6:96 BW Pro, te vermeerderen met de wettelijke rente
vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis;
- [de gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van [de eiser] te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval de voldoening van de proceskosten
niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede de nakosten.
3.2.
[de eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [de gedaagde] een auto heeft geleverd die door de geconstateerde gebreken niet aan de overeenkomst beantwoordt (non-conformiteit). De auto vertoonde binnen korte tijd na levering diverse ernstige gebreken. Hij hoefde deze gebreken op grond van de overeenkomst en de mededelingen van [de gedaagde] niet te verwachten. [de eiser] heeft dan ook, nadat zij [de gedaagde] in gebreke heeft gesteld, kunnen overgaan tot buitengerechtelijke ontbinding. Voor zover de overeenkomst nog niet rechtsgeldig is ontbonden vordert hij ontbinding van de overeenkomst. Daarnaast maakt [de eiser] aanspraak op schadevergoeding op grond van artikel 7:17 BW Pro jo. 6:74 BW.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure. Zij voert – kort samengevat – aan dat zij de gestelde klachten na melding van [de eiser] telkens onder de garantie heeft verholpen. Ook heeft zij vervangend vervoer aan [de eiser] aangeboden. Om die reden is zij jegens [de eiser] niet in verzuim komen te verkeren en ook niet aansprakelijk voor de door [de eiser] geleden schade. Daarnaast heeft [de eiser] ruim 55.000 kilometer met de auto gereden. Dit bevestigt dat de auto de eigenschappen bezit die een normaal gebruik niet in de weg staan, aldus [de gedaagde] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
3.5.
[de gedaagde] vordert, voorwaardelijk, voor zover de kantonrechter oordeelt dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden of wanneer de overeenkomst bij vonnis wordt ontbonden, de veroordeling van [de eiser] tot betaling van een vergoeding van € 0,25 per kilometer, dan wel een in goede justitie te bepalen prijs per kilometer, welke [de eiser] met de auto heeft gereden, waarbij het startpunt 143.796 kilometer is, vermeerderd met rente en de veroordeling [de eiser] in de proceskosten.
3.6.
[de gedaagde] legt aan haar vordering ten grondslag dat bij ontbinding van de overeenkomst [de eiser] de auto moet teruggeven aan [de gedaagde] in de staat waarin hij deze heeft ontvangen. [de eiser] schiet in dat geval toerekenbaar tekort in de nakoming van de verbintenis tot teruggave omdat er een aanzienlijke afstand met de auto is gereden en de auto nog steeds bereden wordt. Volgens [de gedaagde] is [de eiser] daarom op grond van artikel 6:97 BW Pro jo. 6:212 BW een gebruikersvergoeding verschuldigd voor het voordeel dat hij (ten koste van [de gedaagde] ) door het gebruik van de auto heeft genoten.
3.7.
[de eiser] voert verweer. [de eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde] , met veroordeling van [de gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Er is sprake van een consumentenkoop
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat het in deze zaak gaat om een consumentenkoop zoals bedoeld in artikel 7:5 BW Pro. Het gaat namelijk om de koop van een roerende zaak en de overeenkomst is gesloten tussen een verkoper die handelt in het kader van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit ( [de gedaagde] ) en een koper, een natuurlijk persoon, die handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit ( [de eiser] ). Dat betekent dat de consumentenbeschermende bepalingen van de titel ‘Koop en ruil’ (titel 1 van Boek 7 BW) van toepassing zijn.
Het beoordelingskader: (buitengerechtelijke) ontbinding vanwege non-conformiteit
4.2.
[de eiser] vordert een verklaring voor recht dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden dan wel ontbinding van de koopovereenkomst. Volgens [de eiser] is de auto non-conform. Op grond van artikel 6:265 BW Pro mag een partij in beginsel de overeenkomst ontbinden indien de wederpartij tekort is geschoten in de nakoming in een van haar verbintenissen. Indien de nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de wederpartij in verzuim is.
4.3.
Over non-conformiteit en ontbinding zijn regels opgenomen in artikel 7:17 en Pro verder BW. De kantonrechter moet op basis van die regels allereerst beoordelen of sprake is van een gebrek aan de auto. Vervolgens moet de kantonrechter beoordelen of de auto met dit gebrek aan de overeenkomst beantwoordt. Met andere woorden: of de auto non-conform is. De auto is non-conform als deze door het gebrek niet de eigenschappen bezit die [de eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten en als het gebrek al aanwezig was op het moment van aflevering. Dat volgt uit artikel 7:17 lid 1 en Pro lid 2 BW. Wat [de eiser] mocht verwachten, hangt onder andere af van de aard van de zaak en de mededelingen die [de gedaagde] over de zaak heeft gedaan. In zijn algemeenheid mag een koper in ieder geval verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik van de zaak nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet hoefde te betwijfelen. Als de koper een (tweedehands) auto koopt en de verkoper weet dat de koper de auto koopt om hiermee aan het verkeer deel te nemen, dan is de auto in principe non-conform als deelnemen aan het verkeer met de auto een gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren door een gebrek dat niet eenvoudig kan worden hersteld. Verder wordt bij een consumentenkoop vermoed dat het gebrek al bestond op het moment van aflevering als het gebrek zich binnen één jaar na de aflevering heeft geopenbaard. Dit vermoeden volgt uit artikel 7:18a lid 2 BW.
4.4.
Als sprake is van non-conformiteit betekent dat nog niet automatisch dat de koper de overeenkomst buitengerechtelijk kan ontbinden dan wel recht heeft op ontbinding van de koopovereenkomst. Een belangrijk vereiste voor ontbinding is dat de koper de verkoper eerst schriftelijk moet hebben aangemaand om de gebreken aan de auto te herstellen en de verkoper niet binnen redelijke tijd na die aanmaning tot herstel is overgegaan (artikel 7:21 lid 6 BW Pro). De koper moet de auto ook voor herstel aan de verkoper beschikbaar hebben gesteld (artikel 7:21 lid 7 BW Pro). Van ontbinding kan pas sprake zijn als herstel onmogelijk is, niet van de verkoper gevraagd kan worden of de verkoper niet binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast meewerkt aan herstel (artikel 7:22 lid 2 BW Pro jo. 7:21 lid 3 BW). Verder geldt als vereiste voor ontbinding dat het gebrek ernstig genoeg moet zijn om een ontbinding en de gevolgen daarvan te rechtvaardigen (artikel 7:22 lid 1 sub a BW Pro).
[de eiser] mocht de overeenkomst niet buitengerechtelijk ontbinden
4.5.
De kantonrechter laat de vraag of de auto de non-conform is in het midden. Ook als de auto non-conform zou zijn, mocht [de eiser] de overeenkomst niet buitengerechtelijk ontbinden. [de gedaagde] heeft de auto namelijk telkens binnen een redelijke termijn hersteld en niet gebleken is dat [de gedaagde] op het moment dat [de eiser] de gestelde ontbindingsverklaringen uitbracht in verzuim verkeerde. [de eiser] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat de ingebrekestelling van 17 december 2024, de mail van 23 december 2024 en de ingebrekestelling van 26 maart 2025 moeten worden opgevat als ontbindingsverklaringen. De kantonrechter licht hieronder toe waarom [de eiser] de overeenkomst op deze data niet buitengerechtelijk mocht ontbinden.
4.6.
Op 17 december 2024 vermeldt [de eiser] in de ingebrekestelling:
‘De auto voldoet echter nog steeds niet en u weigert medewerking te verlenen aan het ontbinden van de koop.’De kantonrechter oordeelt hierover dat dit niet kan worden opgevat als een ontbindingsverklaring. [de eiser] geeft [de gedaagde] in de ingebrekestelling van 17 december 2024 bovendien een termijn van één week om de gestelde gebreken te verhelpen. Dit staat haaks op het uitbrengen van de gestelde ontbindingsverklaring.
4.7.
Op 23 december 2024 mailt [de eiser] :
‘Voor mij persoonlijk is het ontbinden van de koop de enige optie’.Voor zover dit al als een ontbindingsverklaring moet worden opgevat – voor het buitengerechtelijk ontbinden van de overeenkomst is namelijk geen instemming van de wederpartij vereist –, heeft deze verklaring geen effect. De hersteltermijn van één week die in de ingebrekestelling van 17 december 2024 is gegeven was op dat moment namelijk nog niet voorbij waardoor [de gedaagde] op dat moment nog niet in verzuim was. Verzuim is in dit geval wel nodig om de overeenkomst buitengerechtelijk te kunnen ontbinden. Bovendien heeft [de eiser] , naar aanleiding van de mail van [de gedaagde] waarin zij aangaf dat zij een redelijke termijn moest krijgen voor herstel, [de gedaagde] op 30 december 2024 een nieuwe termijn gegeven tot en met 16 januari 2025 om de klachten te verhelpen. Onweersproken is dat [de gedaagde] de gestelde gebreken binnen die termijn heeft hersteld. Het verzuim van [de gedaagde] is dan ook niet ingetreden.
4.8.
Op 26 maart 2025 heeft de gemachtigde van [de eiser] in een brief de buitengerechtelijke ontbinding aangezegd indien de auto niet uiterlijk 9 april 2025 hersteld zou zijn. Onweersproken is dat het probleem met de versnellingsbak op 7 april 2025 was hersteld. Omdat [de gedaagde] het nieuwe gebrek binnen de gestelde termijn heeft verholpen is [de gedaagde] niet in verzuim geraakt en had de uitgebrachte ontbindingsverklaring in de brief van 26 maart 2025 geen effect.
4.9.
Op 14 mei 2025 heeft [de eiser] opnieuw per brief aangegeven dat hij de overeenkomst wenst te ontbinden omdat hij het vertrouwen in de auto is verloren. De kantonrechter oordeelt daarover dat [de eiser] de overeenkomst toen niet kon ontbinden omdat alle gebreken aan de auto op dat moment waren verholpen en er geen sprake was van verzuim aan de kant van [de gedaagde] .
4.10.
Het voorgaande leidt er toe dat de primair gevorderde verklaring voor recht dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden wordt afgewezen.
De ontbinding van de koopovereenkomst wordt afgewezen
4.11.
De subsidiair gevorderde ontbinding van de koopovereenkomst wordt ook afgewezen omdat [de gedaagde] niet in verzuim is. Het probleem met de drukverschilsensor dat [de eiser] op 19 juni 2025 constateerde, heeft hij namelijk door zijn eigen garage laten verhelpen. [de gedaagde] heeft dan ook geen redelijke mogelijkheid gehad om dit gebrek te herstellen. Op de mondelinge behandeling heeft [de eiser] gesteld dat er weer een nieuw probleem is met de auto. De frontassist is kapot en moet vervangen worden, aldus [de eiser] . Hij heeft echter ook aangegeven dat hij dit gebrek nog niet bij [de gedaagde] heeft gemeld. Omdat [de gedaagde] met betrekking tot dit gebrek ook geen redelijke mogelijkheid tot herstel heeft gehad en niet is gesteld dat herstel niet meer mogelijk is, bestaat er op dit moment – los van de vraag of sprake is van een non-conforme auto – geen grond om de koopovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter wijst de vordering van [de eiser] tot ontbinding van de overeenkomst daarom af.
[de gedaagde] hoeft de koopsom niet aan [de eiser] terug te betalen
4.12.
Omdat de verklaring voor recht dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden en de vordering van [de eiser] tot ontbinding van de koopovereenkomst worden afgewezen, bestaat er voor [de gedaagde] geen reden om de koopprijs van € 22.000,00 aan [de eiser] terug te betalen. De kantonrechter wijst die vordering van [de eiser] dan ook af.
De schadevergoeding van [de eiser] wordt afgewezen
4.13.
[de eiser] vordert verder een schadevergoeding van € 4.726,94. Het schadebedrag is als volgt opgebouwd:
€ 231,00 aan kilometervergoeding voor de 1.650 kilometer die [de eiser] heeft gereden om [de gedaagde] te bezoeken voor de problemen met de auto;
€ 1.060,00 aan gederfde inkomsten omdat [de eiser] niet als zelfstandige kon werken in verband met de problemen aan de auto;
€ 265,00 voor een onafhankelijke keuring die [de eiser] heeft laten uitvoeren na het verstrijken van de garantieperiode;
€ 737,94 aan kosten voor externe juridische bijstand;
€ 683,00 aan extra brandstofkosten in de periode dat [de eiser] geen gebruik kon maken van zijn (diesel)auto maar was aangewezen op een benzineauto;
€ 500,00 aan overige kosten voor de tijd en moeite die [de eiser] heeft moeten investeren in communicatie, onderzoek en bezoeken aan de garage;
€ 1.250,00 aan herstelkosten voor de schade aan het portier van de auto.
4.14.
De kantonrechter overweegt met betrekking tot de schadeposten genoemd onder 1 tot en met 6 als volgt. In de wet zijn regels opgenomen over schadevergoeding (artikel 6:74 en Pro verder BW). Deze regels zijn ook van toepassing als sprake is van non-conformiteit bij een consumentenkoop (artikel 7:24 lid 1 BW Pro). Uit de regels volgt dat [de eiser] recht heeft op schadevergoeding als [de gedaagde] een non-conforme auto aan hem heeft geleverd, [de eiser] daardoor schade heeft geleden en [de gedaagde] met haar verplichting(en) in verzuim is geraakt (artikel 6:74 BW Pro).
4.15.
Of de auto van [de eiser] non-conform is en of hij daardoor de schade genoemd onder de punten 1 tot en met 6 heeft geleden, laat de kantonrechter, zoals eerder is overwogen, in het midden. [de gedaagde] hoeft de schade van [de eiser] zoals genoemd onder punt 1 tot en met 6 hoe dan ook niet te vergoeden, omdat [de gedaagde] niet in verzuim is (geraakt). Dat volgt uit alles wat onder 4.5. tot en met 4.11. is overwogen. De kantonrechter wijst de gevorderde schadeposten genoemd onder punt 1 tot en met 6 dan ook af.
4.16.
Met betrekking tot de schade aan het portier (punt 7) is de kantonrechter van oordeel dat [de eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat deze schade door [de gedaagde] is veroorzaakt. [de gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat zij deze schade heeft veroorzaakt. [de eiser] heeft daarnaast op de mondelinge behandeling aangegeven dat hij wel foto’s van de schade heeft gemaakt op 11 april 2025, toen hij de auto weer in zijn bezit kreeg, maar dat hij geen foto’s heeft van de auto op het moment dat de krassen er nog niet op zaten. Daarmee is niet komen vast te staan dat deze schade is veroorzaakt door [de gedaagde] . Gelet op het voorgaande wordt deze vordering ook afgewezen.
De nevenvorderingen van [de eiser] worden afgewezen
4.17.
Omdat de hoofdvorderingen van [de eiser] worden afgewezen, worden de nevenvorderingen (de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten) ook afgewezen.
[de eiser] moet de proceskosten betalen
4.18.
[de eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.298,00
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.19.
Dit vonnis wordt met betrekking tot de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
in voorwaardelijke reconventie
4.20.
De vordering in reconventie is ingesteld onder de voorwaarde dat de kantonrechter in conventie zou oordelen dat de overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden of wanneer de overeenkomst bij vonnis zou worden ontbonden. Omdat geen van deze voorwaarden is vervuld, wordt aan de beoordeling van de vordering in reconventie niet toegekomen.
4.21.
Ook in reconventie wordt [de eiser] in de proceskosten veroordeeld. Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie worden de proceskosten van [de gedaagde] in reconventie begroot op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [de eiser] af,
5.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in voorwaardelijke reconventie
5.4.
verstaat dat de voorwaarden waaronder de vordering in reconventie is ingesteld niet zijn vervuld,
5.5.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [de gedaagde] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.
62956/51733