ECLI:NL:RBGEL:2026:5088

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
05/154437-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 38z SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot 15 jaar gevangenisstraf voor doodslag op partner met gedragsmaatregel

Op 19 mei 2025 werd het lichaam van het slachtoffer in de studio van verdachte aangetroffen met ernstige verwondingen door stomp botsend en samendrukkend geweld, waaronder op het hoofd, hals en borst. Forensisch onderzoek toonde aan dat verdachte DNA-sporen op het slachtoffer en in de woning achterliet, en dat het geweld leidde tot verstikking en hersenfunctiestoornissen.

Verdachte ontkende betrokkenheid en gaf een alternatieve verklaring, maar deze werd door de rechtbank niet aannemelijk geacht vanwege het ontbreken van bewijs voor een andere dader en het sporenbeeld dat naar verdachte wees. De rechtbank stelde vast dat verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, maar geen voorbedachte raad, waardoor doodslag werd bewezen en moord werd verworpen.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de relatie tussen verdachte en slachtoffer, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een langdurige alcoholverslaving en persoonlijkheidsproblematiek met een hoog risico op toekomstig geweld. Verdachte werd veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38z Sr.

Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan nabestaanden voor uitvaartkosten in Nederland en China, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan verdachte. De rechtbank benadrukte de impact op de nabestaanden en het belang van langdurig toezicht op verdachte na detentie.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel wegens doodslag op zijn partner.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/154437-25
Datum uitspraak : 16 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1973 in [geboortedatum] (Tsjecho-Slowakije),
ingeschreven te [adres] (Slowakije),
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsman: mr. R. van Maaren, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2025 tot en met 19 mei 2025 te Arnhem, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door (meermalen) (met kracht)
-die [slachtoffer] op/tegen het hoofd en/of de borst en/of de romp te trappen en/of te stompen en/of te slaan (al dan niet met een voorwerp) en/of (ander) stomp botsend en/of (samen)drukkend geweld, in ieder geval een of meerdere geweldshandelingen toe te passen op het hoofd en/of
de borst en/of de romp van die [slachtoffer] en/of
-die [slachtoffer] te smoren en/of (ander) stomp botsend en/of (samen)drukkend geweld, in ieder geval een of meerdere geweldshandelingen toe te passen op de mond en/of de neus van die
[slachtoffer] en/of
-die [slachtoffer] te verwurgen en/of op de hals te stompen en/of te slaan (al dan niet met een voorwerp) en/of (ander) stomp botsend en/of (samen)drukkend geweld, in ieder geval een of meerdere geweldshandelingen toe te passen op de hals van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 19 mei 2025 om 08:25 uur kreeg de politie een melding dat er op de [adres] te Arnhem een persoon in een woning zou liggen. De politie trof in een studio op de derde verdieping van de woning een persoon aan. De persoon lag op haar buik en bij het hoofd zag de politie een plas bloed. Het ambulancepersoneel gaf aan dat de persoon niet meer te redden was. Het bleek te gaan om [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 1966, roepnaam: [slachtoffer] . [2]
Diezelfde dag werd een schouw verricht aan het lichaam van [slachtoffer] . Door de schouwarts is geconcludeerd dat sprake is van een niet-natuurlijke dood, waarbij de bevindingen passen in een misdrijfscenario. Door de schouwarts is het tijdstip van overlijden geschat op 19 mei 2025 om 04:48:00 uur, waarbij een onzekerheidsbereik in acht is genomen van 19 mei 2025 om 00:18:00 uur tot 19 mei 2025 om 09:18:00 uur. [3]
Er is vervolgens een sectie op het lichaam van [slachtoffer] verricht. Daarbij werden de volgende letsels aangetroffen.
Aan het hoofd (inclusief het gelaat) was sprake van zwellingen van hematomen, scheurwonden, gepatroneerde letsels en uitgebreide letsels van structuren in de mond. Inwendig werden onder andere bloeduitstortingen aangetroffen in beide slaapspieren, de scalp rondom, het buitenste botvlies en in de schedelholte, namelijk onder het harde hersenvlies (subduraal hematoom) en onder de zachte hersenvliezen (subarachnoidaal bloeduitstorting). Deze letsels aan het hoofd (inclusief het gelaat) waren allen bij leven opgeleverd door meervoudige inwerking van hevig uitwendig mechanisch stomp botsend (mogelijk deels ook comprimerend) geweld op het hoofd, door meerdere impacten van hevig slaan/stompen/trappen op het hoofd. Gezien de gepatroneerde letsels zijn daarbij één of meerdere structuren/voorwerpen gebruikt.
De bovengenoemde inwendige letsels in het hoofd leiden doorgaans tot hersenfunctiestoornissen en kunnen leiden tot bewustzijnsvermindering of bewustzijnsverlies. De letsels aan/in de mond en de neus kunnen behoudens door de genoemde stomp botsende geweldsinwerking, ook zijn veroorzaakt door (samen)drukken van de mond en neus (smoren), hetgeen doorgaans leidt tot verstikkingseffecten.
Aan en in de hals werden letsels vastgesteld met onder andere overdwarse (op hetzelfde niveau gelegen: symmetrisch) breuken van de bovenste hoorntjes van het strottenhoofd met ombloedingen. Rechts hoog in de weke delen van de hals, werd een bloeduitstorting aangetroffen tot in de speekselklier. Deze letsels waren bij leven opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurging) of inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld op de hals (stompen op de hals, slaan op de hals, al dan niet met een structuur/voorwerp. Ook een combinatie van deze geweldsvormen
is mogelijk. Deze geweldsvormen leiden doorgaans tot verstikkingseffecten.
Aan en in de borst werden letsels vastgesteld, waaronder een hematoom aan de bovenrand van de rechterborstklier, een overdwarse breuk van een rib, rechts achterwaarts, met begeleidende bloeduitstorting in het borstvlies eromheen en elders een bloeduitstorting in het borstvlies en de voorste rompwandspieren. Deze letsels waren bij leven opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld op de romp (stompen, slaan) of inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de romp. Deze geweldsvormen leiden doorgaans tot ademhalingsproblemen (pijnlijke, bemoeilijkte ademhaling) en zuurstoftekort
(verstikkingseffecten).
Door de forensisch patholoog is geconcludeerd dat het overlijden van [slachtoffer] zonder meer op traumatische grond wordt verklaard door hersenfunctiestoornissen als gevolg van stomp botsend (mogelijk deels comprimerend) geweld op het hoofd en verstikking door samendrukkend (mogelijk ook stomp botsend) geweld op de mond/neus/hals/borst). [4]
Verdachte was de (tijdelijke) bewoner van de studio waarin [slachtoffer] is aangetroffen. [slachtoffer] was zijn partner. Verdachte was in de ochtend van 19 mei 2025 - toen [slachtoffer] door de politie in de studio werd aangetroffen - bezig met verbouwingswerkzaamheden in het winkelpand op de begane grond van het pand. [5]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde doodslag van [slachtoffer] . Het dossier bevat onvoldoende aanwijzingen dat verdachte een vooropgezet plan had om [slachtoffer] te doden, zodat hij dient te worden vrijgesproken van moord.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Volgens de verdediging kan niet buiten redelijke twijfel vastgesteld worden dat verdachte verantwoordelijk is voor het overlijden van [slachtoffer] . Daartoe is – samengevat – onder meer het volgende aangevoerd. Verdachte heeft verklaard dat hij niet in zijn studio was op het moment dat het dodelijke letsel aan [slachtoffer] is toegebracht. Hij heeft de studio in de avond van 18 mei 2025 verlaten. Gelet op de grote beperkingen in het onderzoek naar de camerabeelden en het digitaal forensisch onderzoek, kan die verklaring van verdachte niet worden uitgesloten. Daarnaast is er geen direct forensisch bewijs voorhanden dat erop wijst dat verdachte in de nacht van 18 op 19 mei 2025 in de studio was of dat de mogelijkheid van de aanwezigheid van een ander buiten enige twijfel uitsluit. Verdachte heeft verder ter terechtzitting verklaard dat hij in de ochtend van 19 mei 2025 nog wel in de studio is geweest, waar hij de overleden [slachtoffer] heeft gevonden. In het licht van die verklaring kan op basis van de beperkte aanwijzingen uit het forensisch onderzoek niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de sporen die daar zijn aangetroffen (exclusief) als delictgerelateerd kunnen worden aangemerkt.
Beoordeling door de rechtbank
De doodsoorzaak
Op basis van de bevindingen uit het schouw- en het sectieverslag concludeert de rechtbank dat [slachtoffer] om het leven is gebracht door toepassing van stomp botsend (mogelijk deels comprimerend) geweld op het hoofd en verstikking door samendrukkend (mogelijk ook stomp botsend) geweld op de mond, neus, hals en/of borst).
De rechtbank dient te beoordelen of verdachte dit geweld heeft uitgeoefend en dus verantwoordelijk is voor het overlijden van [slachtoffer] , zoals dat aan hem ten laste is gelegd. Zij overweegt daarover als volgt.
[slachtoffer] in de studio
[slachtoffer] is in de middag van 18 mei 2025 aangekomen in de studio waarin verdachte verbleef. [6]
Forensisch onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer]
Het lichaam van [slachtoffer] is forensisch onderzocht. Daarbij werden de volgende sporen veiliggesteld:
  • AARK0111NL rechter pols (2x),
  • AARK0112NL linker pols (2x);
  • AARK0013NL enkel links (2x);
  • AARK0014NL enkel rechts (2x)
  • AARK0110NL hals (2x).
De bemonsteringen zijn gesplitst [8] en vervolgens onderworpen aan een DNA-onderzoek. In de bemonstering van de rechter pols (nat, AARK0111NL#01), de linker pols (nat, AARK0112NL#01), enkel links (nat, AARK0013NL#01), enkel rechts (nat, AARK0014NL#01) en de hals (nat, AARK0110NL#01) is telkens een DNA-mengprofiel van tenminste twee personen aangetroffen, waarbij [slachtoffer] en verdachte mogelijke donoren zijn. Daarbij is het telkens meer dan een miljard keer waarschijnlijker om deze DNA-mengprofielen aan te treffen wanneer [slachtoffer] en verdachte donor zijn geweest dan wanneer dit [slachtoffer] en een willekeurige andere persoon was. [9]
Tussenconclusie
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat het DNA van verdachte is aangetroffen op beide polsen, beide enkels en op de hals van [slachtoffer] .
Forensisch onderzoek in de studio
De situatie ter plaatse
De studio is forensisch onderzocht. Door de onderzoekers is het volgende beschreven. Op de vloer door de gehele woning waren diverse schoenafdrukken zichtbaar die waren gezet met en in bloed. In de gootsteen stond een plastic bakje. Het bakje was gevuld met water en er lag een telefoon in het water. Het dak, de muren en de plank in de keuken aan de muur waren nat. In de keuken stond een gele transparante vuilniszak op de vloer tegen de muur. Daarbij lag een wit hoeslaken/wit dekbedovertrek met daarop vermoedelijk bloed. Op de vloer in de keuken lagen twee teenslippers (een paar). Op de rechterslipper zagen de onderzoekers bloed en haren. Ter hoogte van het hoofd van het slachtoffer lag een poel bloed. Verder lag er op de vloer een fragment van een tand. De onderzoekers zagen verder bloed op een bijzettafel, op de eettafel en op een stoel. Verder zagen zij een op bloed gelijkende substantie op de muur naast de doorgang naar de badkamer en op de bank. [10] In de gele vuilniszak die in de keuken werd aangetroffen, zaten diverse goederen, waaronder drie verpakkingen van sixpacks Hertog Jan, een zwarte joggingbroek, een grijs/zwart shirt met lange mouw, een wit/beige rokje, twee lege flessen wijn, een wit T-shirt en een iPhone oplader. De onderzoekers zagen dat meerdere kledingstukken (de joggingbroek, het grijs/zwarte shirt, het witte T-shirt en het rokje), verschillende goederen en diverse folders en kassabonnetjes bevuild waren met zeer vermoedelijk bloed. [11]
De kleding van verdachte
Van de Albert Heijn aan [adres] te Arnhem zijn camerabeelden uitgekeken. Te zien is dat verdachte daar op 18 mei 2025 tussen 21:07 uur en 21:14 uur in de winkel is geweest. [12]
Verbalisant [verbalisant 1] heeft beschreven dat een aantal van de kledingstukken in de gele vuilniszak ogenschijnlijk overeenkomt met de kleding die verdachte op 18 mei 2025 omstreeks 21:00 uur droeg toen hij in de Albert Heijn was. [verbalisant 1] heeft de kleding op de camerabeelden van de Albert Heijn vergeleken met de kleding zoals aangetroffen in de vuilniszak en heeft het volgende beschreven:
  • in de vuilniszak zat een grijs shirt met zwarte mouwen. Op de foto’s van het shirt uit de vuilniszak zijn op drie plaatsen vlekken zichtbaar. Op een screenshot van de beelden van de Albert Heijn is te zien dat verdachte een grijs shirt met zwarte mouwen draagt en dat er geen vlekken zichtbaar zijn;
  • in de vuilniszak zat een donkerkleurige broek. Op de witte streep/bies die op de broek zit, is een rood/paarse verkleuring te zien. Op het screenshot van de camerabeelden is te zien dat verdachte een soortgelijke broek draagt. De witte streep/bies toont echter geen rood/paarse verkleuring;
  • in de vuilniszak zat een lichtkleurig/wit T-shirt met daarop meerdere vlekken. Op het screenshot van de camerabeelden is te zien dat verdachte mogelijk een wit T-shirt onder zijn grijze shirt draagt.
Tussenconclusie
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de kleding die verdachte droeg toen hij op 18 mei 2025 omstreeks 21:00 uur naar de Albert Heijn ging in de ochtend van 19 mei 2025 in de gele vuilniszak in de studio werd aangetroffen. Bij het bezoek van verdachte aan de Albert Heijn was die kleding nog schoon. Bij het aantreffen in de vuilniszak zaten er verschillende op bloed gelijkende vlekken op de kledingstukken.
DNA-onderzoek
De gele vuilniszak is gewaarmerkt als SIN AASL3276NL. [14] Deze bemonstering is onderworpen aan DNA-onderzoek. De binnenzijde (SIN AASS5402NL#01) en buitenzijde (SIN AASS5400NL#01 en AASS5401NL#01) zijn bemonsterd waarbij in alle drie de bemonsteringen een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen is aangetroffen, waarbij [slachtoffer] en verdachte mogelijke donoren zijn. Voor de bemonstering aan de buitenzijde (AASS5401NL#01) is de bewijskracht berekend. Het is meer dan een miljard keer waarschijnlijker om dit DNA-mengprofiel aan te treffen wanneer [slachtoffer] en verdachte donor zijn geweest dan wanneer dit [slachtoffer] en een willekeurige andere persoon was. [15]
Het witte T-shirt is gewaarmerkt als SIN AASL3270NL. [16] Het T-shirt is met het blote oog en met een indicatieve test onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij zijn aan beide zijden van het shirt meerdere bloedsporen aangetroffen. De binnenzijde ter hoogte van de oksel (SIN AASL3270NL#01), een bloedspoor aan de voorzijde (SIN AASL3270NL#02) en een bloedspoor aan de achterzijde (SIN AASL3270NL#03) zijn apart van elkaar bemonsterd. Uit alle drie deze bemonsteringen komt een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen naar voren met [slachtoffer] en verdachte als mogelijke donoren. In de bemonstering van het bloedspoor aan de voorzijde (SIN AASL3270NL#02) is een DNA-mengprofiel van minimaal 3 personen aangetroffen met [slachtoffer] , verdachte en één onbekend gebleven persoon als mogelijke donoren. Van dit DNA-mengprofiel is de bewijskracht berekend. Het is meer dan een miljard keer waarschijnlijker om dit DNA-mengprofiel aan te treffen wanneer het afkomstig is van [slachtoffer] en twee willekeurige andere personen dan wanneer het afkomstig is van drie willekeurige onbekende personen. [17]
De iPhone die werd aangetroffen in het bakje water in de gootsteen is geanalyseerd. Uit dit onderzoek volgt dat de Device name ‘ [naam] ’ was. De Apple ID waarmee was ingelogd op de telefoon was: ‘ [e-mail address] ’ en de naam van het gebruikersaccount in WhatsApp was: ‘ [slachtoffer] ’. [18] De rechtbank leidt hieruit af dat de iPhone van [slachtoffer] was.
De iPhone is gewaarmerkt als SIN AASL3395NL. [19] De achterkant van de telefoon (SIN AASS4157NL#01), de voorkant van de telefoon (SIN AASS4158NL#01) en de zijkanten van de telefoon (SIN AASS4159NL#01) zijn apart van elkaar bemonsterd. Uit alle drie deze bemonsteringen komt een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen naar voren met [slachtoffer] en verdachte als mogelijke donoren. Voor de bemonstering met SIN AASS4157NL#01 is een bewijskracht berekend. Het is meer dan een miljard keer waarschijnlijker om dit DNA-mengprofiel aan te treffen wanneer [slachtoffer] en verdachte donor zijn geweest dan wanneer dit twee willekeurige andere personen waren. [20]
De iPhone oplader in de vuilniszak is gewaarmerkt als SIN AASL3282NL. [21] Het uiteinde van het snoer (SIN AASS4204NL#01) is bemonsterd. [22] Uit deze bemonstering (SIN AASS4204NL#01) komt een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen naar voren met [slachtoffer] , verdachte en minimaal één onbekend gebleven persoon als mogelijke donoren. Voor deze bemonstering is de bewijskracht berekend. Het is meer dan een 460 duizend keer waarschijnlijker om dit DNA-mengprofiel aan te treffen wanneer verdachte wél DNA aan deze bemonstering heeft bijgedragen, dan wanneer hij geen DNA aan deze bemonstering heeft bijgedragen. [23]
In een inbouwkast nabij de deur van binnenkomst van de studio, werden slippers aangetroffen. Op de slippers zagen de onderzoekers een op bloed gelijkende substantie. De slippers werden gewaarmerkt als SIN AARY9470NL en SIN AARY9472NL. [24] De slipper met waarmerk SIN AARY9470 is met het blote oog en met een indicatieve test onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is op de gehele slipper bloed aangetroffen. Delen van de binnenzijde zijn bemonsterd, waarbij is geprobeerd het aanwezige bloed te vermijden. Daarnaast is een bloedspoor bemonsterd. De bemonsteringen zijn als respectievelijk SIN AARY9470NL#01 en SIN AARY9470#02 veiliggesteld voor een onderzoek naar bloed en een DNA-onderzoek. Uit beide bemonsteringen komt een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen naar voren met [slachtoffer] en verdachte als mogelijke donoren. Voor de bemonstering met SIN AARY9470#02 is een bewijskracht berekend. Het is minimaal 35 miljoen keer waarschijnlijker om dit DNA-mengprofiel aan te treffen wanneer verdachte en [slachtoffer] donor zijn geweest dan wanneer dit twee willekeurige onbekende personen waren. [25]
Verbalisant [verbalisant 2] heeft beschreven dat verdachte bij zijn aanhouding in het winkelpand zei dat er nog spullen van hem op tafel lagen. Het ging om zijn telefoon, portemonnee en schoenen. Verbalisant trof op een eettafel in het winkelpand gelegen aan [adres] een telefoon en een portemonnee aan. Onder de tafel lag een paar witte schoenen. [26] De witte schoenen van het merk Puma werden gewaarmerkt als SIN AAOC0926NL en onderworpen aan forensisch onderzoek. [27] De schoenen zijn met het blote oog en met een indicatieve test onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij zijn op de linkerzijde, voorzijde, bovenzijde en achterzijde van beide schoenen enkele bloedsporen aangetroffen. De instap van beide schoenen en één bloedspoor op elke schoen zijn apart van elkaar bemonsterd. De bemonsteringen zijn gewaarmerkt als AAOC0926NL#01 tot en met AAOC0926NL#04. In de bemonstering van de instap van de linkerschoen (AAOC0926NL#01) is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen aangetroffen, waarbij [slachtoffer] en verdachte als mogelijke donor zijn gevonden. Voor deze bemonstering is de bewijskracht berekend. Het is meer dan een miljard keer waarschijnlijker om dit DNA-mengprofiel aan te treffen wanneer [slachtoffer] en verdachte donor zijn geweest dan wanneer dit [slachtoffer] en een willekeurige andere persoon was. In de bemonstering van een deel van een bloedspoor op de linkerzijde van de linkerschoen (AAOC0926NL#03) is een enkelvoudig DNA-profiel aangetroffen. Het DNA-profiel van [slachtoffer] komt overeen met dit DNA-profiel. Het is meer dan een miljard keer waarschijnlijker dat [slachtoffer] donor is geweest van dit celmateriaal (bloed) dan wanneer een willekeurige andere persoon was. [28]
Tussenconclusie
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande, mede gelet op de hoge bewijskracht van de respectievelijke resultaten en met inachtneming van de rest van het dossier, dat het bloed van [slachtoffer] is aangetroffen op het witte T-shirt van verdachte in de gele vuilniszak, op de slippers van verdachte die in de inbouwkast stonden en op de witte Puma schoenen van verdachte die in het winkelpand op de begane grond stonden. Verder concludeert de rechtbank dat er DNA van zowel verdachte als van [slachtoffer] is aangetroffen op de gele vuilniszak, op de iPhone-oplader die in de vuilniszak zat en op de iPhone van [slachtoffer] die in het bakje water in de gootsteen lag.
Vergelijkend schoensporenonderzoek
Door de politie is een indicatief vergelijkend schoensporenonderzoek uitgevoerd. Daarbij werden de in de woning aangetroffen schoensporen vergeleken met de profielen van verschillende in/om de woning aangetroffen schoenen en slippers. De schoensporen zijn daarbij genummerd. Uit dit onderzoek komt het volgende resultaat naar voren:
  • tijdens het indicatief vergelijkend schoensporenonderzoek tussen enerzijds de schoensporen [15], [19] [20], [21], [23], [25] en [26] en anderzijds de zolen van de zwarte slippers die zijn aangetroffen op een plank van de kast [C], komen gezien het profiel en afmetingen ogenschijnlijk deze slippers [C] in aanmerking als mogelijke sporenveroorzaker. De sporen [15], [21], [23], [25] en [26] zijn met bloed gezet;
  • De afgenomen folies van schoenafdruksporen en de foto's in de fotomappen 'BPA' en 'ALCV' tonen ogenschijnlijk geen andere schoenzoolprofielen dan van de schoenen/slippers [B], [C] en [E]. (
Tussenconclusie
De rechtbank leidt hieruit af dat de genoemde met bloed gezette schoensporen [15], [21], [23], [25] en [26] zijn gezet met de slippers van verdachte die in de inbouwkast werden aangetroffen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat er in elk geval nadat [slachtoffer] levensgevaarlijk gewond was geraakt en bloed van haar op de vloer terecht was gekomen in de studio met deze slippers door dat bloed is gelopen.
De betrokkenheid van verdachte
Op basis van al het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] op 18 mei 2025 in de middag is aangekomen bij de studio van verdachte. De volgende ochtend, op 19 mei 2025 omstreeks 08:30 uur, werd haar dode lichaam – zwaar toegetakeld – in die studio aangetroffen. Er is uitgebreid forensisch onderzoek verricht in de studio. De rechtbank concludeert dat alle in de woning aangetroffen sporen naar verdachte wijzen. Op het T-shirt en de witte Puma schoenen die verdachte in de avond van 18 mei 2025 – toen nog schoon – droeg, is bloed van [slachtoffer] aangetroffen. Alle kleding die verdachte die avond droeg, zat bebloed in een vuilniszak die in de woning lag. Op die vuilniszak is DNA van verdachte aangetroffen. Ook op de iPhone-oplader in die vuilniszak en op de iPhone van [slachtoffer] die in het bakje water lag, is DNA van verdachte aangetroffen. De met bloed gezette schoensporen in de woning zijn gezet met de slippers van verdachte. Verder is er DNA van verdachte aangetroffen op het lichaam van [slachtoffer] , onder meer op haar hals. Dit past bij de conclusie van de forensisch patholoog dat geweld is toegepast op, onder meer, de hals van [slachtoffer] , wat verstikkingseffecten teweeg moet hebben gebracht. De aangetroffen sporen zijn naar het oordeel van de rechtbank redengevend voor het bewijs dat verdachte als dader betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer] . Van verdachte mag bij deze stand van zaken worden verwacht dat hij met een concrete en aannemelijke verklaring komt die deze conclusie ontzenuwt. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Verdachte heeft vanaf de eerste verhoren bij de politie deels verklaringen afgelegd en deels zich beroepen op zijn zwijgrecht. Op de zitting heeft hij een verklaring afgelegd.
Zijn verklaringen voor zover die belastend zijn, vinden steun in en worden bevestigd door het hiervoor besproken forensisch bewijs: verdachte heeft verklaard dat hij op 18 mei 2025 samen met [slachtoffer] zijn verjaardag vierde, dat hij vanaf die middag met haar in zijn studio was, dat er niemand anders aanwezig was en dat hij in de avond naar Albert Heijn is gegaan om drank te kopen. Hij droeg die avond een witte trui met donkere mouwen, een trainingsbroek met een opdruk en een wit T-shirt. Toen hij naar de Albert Heijn ging, droeg hij witte sneakers van Puma. De slippers die in de inbouwkast in zijn woning zijn aangetroffen zijn van hem. [30]
Deze verklaringen zijn belastend omdat zij bevestigen dat verdachte samen met het slachtoffer bij hem thuis was enkele uren voordat zij om het leven is gebracht, en dat daar toen niemand anders bij aanwezig was. Op de kleding die hij die avond droeg is bloed van [slachtoffer] aangetroffen, op de sneakers die hij die avond droeg is bloed van [slachtoffer] aangetroffen, op zijn slippers is bloed van [slachtoffer] aangetroffen en met die slippers zijn schoensporen in het bloed gezet.
Bij de politie, en verder ter zitting, heeft verdachte daarnaast ontlastende verklaringen afgelegd, die er uiteindelijk op neer komen dat hij nadat hij terugkwam van de Albert Heijn enige tijd in de studio is geweest, dat [slachtoffer] toen (al) sliep, dat hij vast zijn werkkleding voor de volgende dag heeft aangetrokken en zijn andere kleding op bed heeft gelegd en vervolgens alleen naar het Sonsbeekpark is gegaan om bier te drinken, daar op een bankje in slaap is gevallen en de hele nacht daar is geweest. Hij is niet betrokken bij haar dood en weet daar verder niets over te verklaren.
Aan deze ontlastende verklaringen van verdachte valt een aantal dingen op.
Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij na zijn bezoek aan de Albert Heijn de woning heeft verlaten en dat hij naar het Sonsbeekpark is gelopen om bier te gaan drinken. In het park is hij op een bankje in slaap gevallen en hij is pas de volgende ochtend wakker geworden. Verdachte heeft bij de politie geen antwoord willen geven op de vraag of hij, de volgende ochtend, voordat hij naar zijn werk op de begane grond van het pand is gegaan, eerst nog naar boven naar zijn studio is gelopen. Op de terechtzitting van 16 juni 2026 heeft hij aangegeven dat hij vanuit het park voorafgaand aan zijn werk eerst naar zijn studio is gegaan en dat hij daar het dode lichaam van [slachtoffer] heeft aangetroffen. Hij heeft haar vastgepakt. Toen hij ontdekte dat zij overleden was, raakte hij naar eigen zeggen in paniek en heeft hij onder meer spullen in een vuilniszak gestopt, waaronder zijn eigen kleding die bebloed op het bed lag. Verdachte heeft in het vijfde verhoor bij de politie en op de terechtzitting in dit verband verklaard dat er mensen waren die hem hadden bedreigd. Dit waren ex-collega’s die hem en [slachtoffer] kenden via de daklozenopvang.
De rechtbank overweegt dat verdachte in totaal vijf keer door de politie is gehoord. Daarbij (en ook later bij de rechter-commissaris) heeft hij zich ten aanzien van een groot deel van de vragen beroepen op zijn zwijgrecht. Wel heeft hij van meet af aan verklaard dat hij na het bezoek aan de Albert Heijn naar het Sonsbeekpark is gegaan om bier te drinken en dat hij pas de volgende ochtend is teruggekeerd. Voor die verklaring wordt echter – ondanks uitvoerig politieonderzoek – op geen enkele wijze steun gevonden in het dossier. De rechtbank constateert voorts dat verdachte zijn initiële verklaring, telkens wanneer hij werd geconfronteerd met nieuwe onderzoeksbevindingen, heeft aangepast dan wel aangevuld. Zo heeft verdachte, pas nadat hij werd geconfronteerd met het feit dat zijn kleding bebloed is aangetroffen in de woning, bij de politie verklaard dat hij zich heeft omgekleed voordat hij de woning verliet om naar het Sonsbeekpark te gaan.
De toelichting die verdachte daarbij geeft is dat hij er rekening mee hield dat hij mogelijk de hele nacht weg zou blijven en direct door zou moeten naar zijn werk. Deze verklaring is weinig aannemelijk. Verdachte had naar eigen zeggen een goede relatie met [slachtoffer] , zij was juist die dag bij hem om zijn verjaardag te vieren en zou bij hem logeren. Daarnaast verklaart hij desgevraagd dat hij die nacht met niemand had afgesproken; hij zou op de bonnefooi naar het Sonsbeekpark zijn gegaan. Bovendien valt niet in te zien waarom verdachte zich de volgende ochtend niet gewoon thuis zou hebben kunnen omkleden. Zijn werkadres bevond zich immers in hetzelfde pand als de studio.
Op verdiepende vragen van de politie, bijvoorbeeld als het gaat om de personen die hem zouden hebben bedreigd, heeft verdachte geen of ontwijkende antwoorden gegeven. Een verklaring voor de vele forensische sporen in de woning die naar hem als dader wijzen, heeft verdachte pas voor het eerst op de inhoudelijke terechtzitting – ruim een jaar na dato – gegeven. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring, mede gelet op het moment waarop verdachte deze verklaring heeft afgelegd (te weten na het gereedkomen van het eind proces-verbaal) en het lange tijdsverloop waarin verdachte van belang zijnde vragen over mogelijk belastende bewijsmiddelen onbeantwoord heeft gelaten, kritisch moet worden bekeken. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk geworden. Bij deze conclusie is van belang dat in de lezing van verdachte een onbekend gebleven persoon – mogelijk een bekende van de daklozenopvang – de woning is binnengedrongen en [slachtoffer] heeft gedood. Voor die lezing bevat het dossier geen enkele aanwijzing en die verklaring past bovendien niet bij het aangetroffen sporenbeeld. Er is geen enkel belastend forensisch spoor van een ander dan verdachte in de woning aangetroffen, terwijl daar wel onderzoek naar is gedaan. De andere bewoners van het pand zijn verhoord door de politie, zij verklaren geen van allen dat zij iemand het pand hebben binnengelaten en er zijn ook geen braaksporen aangetroffen aan de centrale toegangsdeur van het pand. Bovendien zou het scenario van verdachte impliceren dat bij het handelen van deze vermeende dader de kleding van verdachte, die hij op het bed in de studio had achtergelaten, met bloed besmeurd is geraakt en weer op het bed is neergelegd en dat deze persoon de slippers van verdachte heeft aangetrokken en daarmee door de woning is gelopen (daarmee schoensporen in bloed achterlatend) nadat geweld op [slachtoffer] was toegepast en zij bloedde, om ze vervolgens bebloed in de kast te zetten en de woning te verlaten. Verdachte heeft immers verklaard dat hij de slippers bij thuiskomst van de Albert Heijn en in de ochtend van 19 mei 2025 zelf niet heeft gedragen en ook niet in de kast heeft gezet. De rechtbank acht dit scenario volstrekt onwaarschijnlijk.
Aldus heeft verdachte voor de aangetroffen sporen in de woning, die redengevend zijn voor het bewijs dat verdachte [slachtoffer] om het leven gebracht, geen verklaring gegeven die dat ontzenuwt. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
degene is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. De in de woning aangetroffen situatie wijst erop dat verdachte vervolgens een begin heeft willen maken met het opruimen van de woning en het wissen van sporen, door onder meer zijn bebloede kleding en persoonlijke spullen van [slachtoffer] in een vuilniszak te stoppen, het bebloede beddengoed van het bed te halen en de telefoon van [slachtoffer] in een bakje water te leggen.
Opzet op de dood (doodslag)
Om tot een bewezenverklaring van doodslag te komen, dient de rechtbank vast te stellen dat verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – opzet had op de dood van [slachtoffer] . Uit het sectierapport leidt de rechtbank af dat verdachte fors geweld heeft toegepast op het hoofd van [slachtoffer] ; een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam. Beschreven wordt dat sprake is geweest van meerdere impacten van hevig slaan, stompen en/of trappen op het hoofd. Daarbij is ook gebruikgemaakt van één of meerdere structuren/voorwerpen. Daarnaast is geweld toegepast op de hals van [slachtoffer] , ofwel door verwurging, ofwel door het stompen of slaan op de hals (al dan niet met een voorwerp). Een combinatie van deze geweldsvormen is ook mogelijk. Dergelijk geweld op de hals leidt volgens de forensisch patholoog doorgaans tot verstikkingseffecten. Verder heeft verdachte samendrukkend geweld op de romp toegepast, wat (eveneens) tot ademhalingsproblemen en zuurstoftekort (verstikking) bij [slachtoffer] heeft geleid. Deze gedragingen van verdachte zijn, naar hun uiterlijke verschijningsvorm bezien, naar het oordeel van de rechtbank zozeer gericht op het doden van [slachtoffer] , dat zij uitgaat van (vol) opzet bij verdachte op dat gevolg. De rechtbank acht hiermee de primair ten laste gelegde doodslag bewezen.
Voorbedachte raad (vrijspraak)
Nu op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een vooropgezet plan van verdachte om [slachtoffer] te doden dan wel dat hij zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit, is de rechtbank - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat voorbedachte raad niet kan worden bewezen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van moord.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in
of omstreeksde periode van 18 mei 2025 tot en met 19 mei 2025 te Arnhem
, in elk geval in Nederland,[slachtoffer] opzettelijk
en al dan niet met voorbedachten radevan het leven heeft beroofd, door
(meermalen
) (met kracht
)
- die [slachtoffer] op
/tegenhet hoofd en
/ofde borst en
/ofde romp te trappen en/of te stompen en/of te slaan (al dan niet met een voorwerp) en
/of(ander) stomp botsend en/of (samen)drukkend geweld
, in ieder geval een of meerdere geweldshandelingentoe te passen op het hoofd en/of de borst en/of de romp van die [slachtoffer] en
/of
- die [slachtoffer] te smoren en/of (ander) stomp botsend en/of (samen)drukkend geweld
, in ieder geval een of meerdere geweldshandelingentoe te passen op de mond en
/ofde neus van die
[slachtoffer] en
/of
- die [slachtoffer] te verwurgen en/of op de hals te stompen en/of te slaan (al dan niet met een voorwerp) en/of (ander) stomp botsend en/of (samen)drukkend geweld
, in ieder geval een of meerdere geweldshandelingen toe te passenop de hals van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Doodslag.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren. Daarnaast is de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft het slachtoffer, waarmee hij een relatie had, met fors geweld om het leven gebracht. Hij heeft haar fors toegetakeld, onder meer door haar op haar hoofd te slaan dan wel te trappen. Daarnaast was sprake van verstikking door geweld op de mond, neus, hals en borst van het slachtoffer. Uit de foto’s en de beschrijving van het letsel blijkt dat [slachtoffer] zwaar gehavend was en dat haar bloed op vele plekken in de woning werd aangetroffen. Uit het sporenbeeld volgt dat verdachte heeft geprobeerd de woning schoon te maken en spullen op te ruimen. Hij heeft het slachtoffer uiteindelijk alleen, liggend op de grond en zwaar toegetakeld, in zijn woning achtergelaten en is (in hetzelfde pand) aan het werk gegaan.
Door zijn handelen heeft verdachte het meest fundamentele recht van het slachtoffer, het recht om te leven, op afschuwelijke wijze ontnomen. Hij heeft hierdoor een groot en onherstelbaar verlies en veel verdriet toegebracht aan de nabestaanden. Het is onduidelijk gebleven wat de aanleiding voor deze geweldsuitbarsting bij verdachte is geweest. De rechtbank zal hierna daar verder op ingaan. Bij dit ernstige feit past enkel de oplegging van een gevangenisstraf van lange duur.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte in Nederland en in Slowakije. Daaruit blijkt dat verdachte op 2 februari 2021 in Slowakije is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor bedreiging en illegale toegang tot particulier eigendom.
Met betrekking tot de persoon van verdachte is een Pro Justitia-rapportage opgemaakt door M.M.M. Verberkt (GZ-psycholoog) en E.J. van Bavel (GZ-psycholoog). Hierin wordt beschreven dat er rekening mee moet worden gehouden dat binnen het gezin van herkomst van verdachte tijdens zijn jeugd in Tsjecho-Slowakije sprake was van ernstig huiselijk geweld. Uit de geraadpleegde bronnen is gebleken dat zijn vader na alcoholgebruik gewelddadig was richting verdachte en zijn moeder. Ook de grootvader van verdachte was bekend met alcoholverslaving, wat een genetische component aannemelijk maakt. Hoewel verdachte altijd tegen geweld is geweest en het anders wilde doen dan zijn eigen vader, heeft hij dit patroon van alcoholgebruik en agressie overgenomen. De rapporteurs beschrijven dat het vermoeden is dat verdachte onvoldoende coping vaardigheden heeft geleerd om met de uitdagingen van het leven om te gaan, zoals het onderhouden van een baan en een gezin. De informatie uit het dossier (waaronder het strafblad) en van geraadpleegde referenten laten een beeld zien van een man die vanaf zijn twintigerjaren overmatig middelen gebruikt en onder invloed agressief kan zijn naar zijn omgeving. Dit betreft niet alleen zijn gezin, maar ook mensen die verder van hem af staan (zoals buren en medebewoners). Het middelengebruik is sinds zijn detentie gedwongen in remissie, maar wordt als rode draad door zijn leven gezien en kan als een stoornis in alcoholgebruik geclassificeerd worden. Daarnaast zien de rapporteurs dat verdachte van jongs af aan iemand is die graag zijn eigen gang gaat, een passieve houding aanneemt en weinig tot geen verantwoordelijkheid neemt. De rapporteurs beschrijven dat verdachte de neiging heeft tot externaliseren en dat hij zichzelf als slachtoffer ziet. Opvallend is dat hij bij de beschrijving van zijn levensloop enkel de positieve zaken bespreekt. Hij vindt het lastig om de mindere momenten te bespreken en lijkt vooral een rooskleurig beeld te willen schetsen. Als verdachte wordt gevraagd naar de negatieve momenten in zijn leven, zijn minder goede eigenschappen of het beeld dat zijn zoon over hem schetst, gaat hij hier niet inhoudelijk op in. Verdachte externaliseert door de schuld bij een ander neer te leggen en te benoemen dat hij niet begrijpt dat het leven hem zo moeilijk is gemaakt of hij verlegt de aandacht naar het positieve en wat hij allemaal goed heeft gedaan. Bij de rapporteurs bestaat de indruk dat verdachte onvoldoende bereid is de gevoelens van anderen (zoals die van zijn zoon) te erkennen en dat het ontbreekt aan inlevingsvermogen. Verdachte staat niet open voor negatieve of opbouwende feedback en raakt geïrriteerd als iemand hem adviseert iets anders te doen dan hij voor ogen heeft. Onderliggend lijkt er sprake van een laag zelfbeeld en angst dat de kritiek het gevoel van eigenwaarde zou kunnen vernietigen. De beschreven persoonlijkheidskenmerken wijzen erop dat betrokkene niet volledig voldoet aan de diagnostische criteria voor een afhankelijke en/of narcistische persoonlijkheidsstoornis. Bij verdachte is echter wel degelijk sprake van een significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of in het functioneren op andere belangrijke terreinen. Dit maakt dat de diagnose “Andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (met gemengde persoonlijkheidstrekken, te weten afhankelijke en narcistische trekken)” gesteld wordt. Tot slot worden er gedurende het onderzoek achterdochtige denkpatronen gezien, voornamelijk over de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde en zijn verblijf in de P.I.
Doordat verdachte het tenlastegelegde ontkent en daarbij überhaupt ontkent dat er spanningen waren in de relatie met het slachtoffer, kan er door de rapporteurs geen verband worden gelegd tussen de voornoemde stoornissen en het tenlastegelegde. Cruciale gegevens over de feitelijke omstandigheden, de interactiedynamiek en zijn innerlijke beleving op het moment zelf ontbreken. De rapporteurs kunnen daarom geen uitspraken doen over de mate van toerekeningsvatbaarheid. Er kan wel gesteld worden dat bij verdachte sprake is van een alcoholprobleem en persoonlijkheidsproblematiek en dat dit in het verleden heeft geleid tot agressiviteit.
De rapporteurs schatten het risico op toekomstig geweld in als hoog. Bij betrokkene
ontbreekt inzicht in zijn problematiek, hij lijkt onvoldoende gemotiveerd voor behandeling en hij kent instabiliteit op meerdere gebieden van zijn leven. Er is niet tot nauwelijks sprake van
beschermende factoren. Verdachte ontkent of bagatelliseert zijn middelengebruik en heeft geen begrip voor persoonlijke factoren die in het verleden een rol hebben gespeeld in het gewelddadige gedrag. In het verleden heeft verdachte na een veroordeling tweemaal een verplichte behandeling voor zijn alcoholgebruik opgelegd gekregen. De eerste behandeling heeft hij afgerond, maar hij geeft zelf aan dat hij destijds geen alcoholprobleem had. De tweede verplichte behandeling heeft hij niet gevolgd, omdat hij naar Nederland verhuisde. Het gebrek aan ziekte-inzicht, behandelmotivatie en beschermende factoren maakt de situatie volgens de rapporteurs zorgelijk. De taxatie wordt bemoeilijkt doordat verdachte het tenlastegelegde ontkent. In het algemeen geldt dat zonder gerichte interventie gericht op middelenproblematiek, agressieregulatie en persoonlijkheidsproblematiek de kans op herhaling aanwezig blijft.
De reclassering onderschrijft in het rapport van 21 mei 2026 de conclusie uit de Pro Justitia-rapportage als het gaat om het risico op letsel. Vanwege de ontkennende houding van verdachte kunnen zowel de Pro Justitia-rapporteurs als de reclasseringsmedewerker geen advies uitbrengen ten aanzien van een passend juridisch kader ter vermindering van het risico op toekomstig geweld.
De op te leggen straf/maatregel
De rechtbank overweegt dat uit de rapportages een zorgelijk beeld naar voren komt van een man die al sinds zijn twintiger jaren kampt met een fors alcoholprobleem. Dit heeft blijkens de rapportages en het strafblad van verdachte in Slowakije in het verleden geleid tot agressie en veroordelingen. Alcohol en agressie lopen als een rode draad door het leven van verdachte. Mogelijkheden om zich te laten behandelen voor deze problematiek heeft verdachte meermaals in de wind geslagen. Door deze problematiek al die jaren niet te erkennen, heeft verdachte een risico genomen, dat zich op afschuwelijke wijze heeft verwezenlijkt. Uit het dossier valt af te leiden dat verdachte ook op het moment dat het heftige geweld tegen [slachtoffer] plaatsvond fors onder invloed was van alcohol.
De rechtbank herkent het beeld uit de rapportages van een man die geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen, die de schuld bij anderen legt en die zichzelf als slachtoffer presenteert. Zowel op de terechtzitting als tijdens het politieonderzoek heeft verdachte geen werkelijke openheid van zaken gegeven. Integendeel, verdachte heeft evident verhalen verzonnen om aan betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] te ontkomen. Dit is voor de nabestaanden extra pijnlijk, zoals zij op indrukwekkende wijze naar voren hebben gebracht in het spreekrecht dat namens hen is uitgeoefend in de zittingszaal. Het afscheid van hun geliefde zus en tante is niet alleen gemankeerd doordat haar lichaam zo fors is toegetakeld door verdachte, maar ook doordat zij niet weten wat er precies is gebeurd en waarom. Het feit dat zij met zoveel onbeantwoorde vragen achterblijven, maakt de verwerking van haar dood nog zwaarder. Dit neemt de rechtbank verdachte in het bijzonder kwalijk.
Gelet op wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de ernst van het feit en de proceshouding van verdachte, zal de rechtbank aan verdachte – conform de eis van de officier van justitie – een gevangenisstraf opleggen voor de duur van vijftien jaren. Daarop wordt de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering gebracht.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
De rapporteurs hebben vanwege de ontkennende houding van verdachte weliswaar geen advies kunnen uitbrengen over de inzet van strafrechtelijke interventies om het recidiverisico in te perken, vaststaat dat sprake is van psychische problematiek en dat het risico op toekomstig geweld als hoog moet worden ingeschat als deze problematiek onbehandeld blijft. Om ervoor te zorgen dat verdachte na zijn detentie niet onbehandeld terugkeert in de maatschappij, zal daarom ter bescherming van anderen, dan wel ter bescherming van de algemene veiligheid van personen of goederen, een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z lid 1 van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte worden opgelegd. Aan de voorwaarden voor oplegging van de genoemde maatregel is voldaan. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
De genoemde maatregel houdt in dat verdachte na het einde van de gevangenisstraf onder intensief toezicht komt te staan en dat de resocialisatie is gebonden aan voorwaarden. Aan het einde van de opgelegde gevangenisstraf wordt, op vordering van het openbaar ministerie en aan de hand van de vooruitgang die dan mogelijk door verdachte al is geboekt, bekeken of en hoe de maatregel ten uitvoer moet worden gelegd. Op dat moment wordt door de rechter bepaald welke voorwaarden worden opgelegd en wat de duur van de maatregel zal zijn. De maatregel kan opname in een kliniek inhouden, meewerken aan gedragskundige behandeling en andere voorwaarden die op dat moment noodzakelijk worden geacht. De maatregel kan worden opgelegd voor de duur van twee tot vijf jaar, maar kan vervolgens ook telkens weer worden verlengd (artikelen 6.6.23b en 6.6.23c Sv).
De rechtbank benadrukt dat zij langdurig toezicht op verdachte ook na afloop van de detentie noodzakelijk acht, gezien de beschreven problematiek en gelet op het feit dat verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven over het ernstige bewezenverklaarde feit.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend:
[benadeelde 1] vordert (primair) in totaal een bedrag van € 5.266,96 aan materiële schade. Bij dit bedrag zijn de kosten voor het vliegticket en de verblijfkosten van benadeelde [benadeelde 2] , die door haar zijn betaald, inbegrepen.
[benadeelde 2] vordert (primair) in totaal een bedrag van € 1.330,00 aan materiële kosten (uitvaartkosten China),
telkens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vanwege de gelijkluidende achternaam, zal de rechtbank hierna de voornamen van de benadeelden gebruiken.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partijen kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak van verdachte. Subsidiair heeft de raadsman opgemerkt dat de nodige voorzichtigheid moet worden betracht ten aanzien van de stel- en bewijsplicht, met name als het gaat om de gemaakte uitvaartkosten in China.
Overweging van de rechtbank
Vaststaat dat aan de nabestaanden veel leed is toegebracht. Vaststaat ook dat zij vanwege het overlijden van het slachtoffer kosten hebben gemaakt. In artikel 6:108 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) biedt de wet in een aantal gevallen de mogelijkheid tot vergoeding van schade aan derden (anderen dan het overleden slachtoffer). Het gaat dan onder meer om kosten voor lijkbezorging.
De rechtbank overweegt dat uit de bij de vorderingen gevoegde bijlagen volgt dat [benadeelde 1] (nicht van [slachtoffer] ) en [benadeelde 2] (broer van [slachtoffer] ) na het overlijden van [slachtoffer] naar Nederland zijn afgereisd. De gevorderde kosten bestaan uit de kosten die zijn gemaakt in verband met de uitvaart van [slachtoffer] , eerst in Nederland en daarna in China. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een rechtstreeks verband tussen de gemaakte kosten en de uitvaart van [slachtoffer] . De kosten zijn bovendien in overeenstemming met de omstandigheden van de overledene en zijn voldoende onderbouwd. Daarbij is de schade niet gemotiveerd betwist.
De rechtbank zal de gevorderde bedragen van € 5.266,96 ( [benadeelde 1] ) en € 1.330,00 ( [benadeelde 2] ) daarom in het geheel toewijzen. Zij merkt daarbij op dat uit de stukken blijkt dat de kosten voor het vliegticket en het verblijf van [benadeelde 2] in Nederland door [benadeelde 1] zijn gemaakt. Deze kosten zijn daarmee – als verplaatste schade – aan haar toe te wijzen.
Verdachte is wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd vanaf 19 mei 2025.
De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partij toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De proceskosten worden tot op heden begroot op nul.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38z en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt een
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38zvan het Wetboek van Strafrecht op;
Beslissingen ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1]
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 5.266,96 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 1] , een bedrag te betalen van € 5.266,96 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 52 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Beslissingen ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 2]
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 1.330,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 2] , een bedrag te betalen van € 1.330,00 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.) Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 13 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M Graat (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juni 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door van de politie Oost-Nederland, district [district], opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL[dossiernummer], gesloten op [datum sluiting] en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, ZD, p. 63 en proces-verbaal van bevindingen, p. 73-74.
3.Schouwverslag GGD d.d. 19 mei 2025, FD, p. 485 en 488-489.
4.Definitief deskundigenrapport forensische pathologie (sectieverslag) Eurofins TMFI d.d. 8 juli 2025, FD, p. 622-623.
5.Proces-verbaal van verdenking, PD, p. 34-36
6.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , ZD, p. 174, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , ZD, p. 214 en proces-verbaal van bevindingen, ZD p. 128-130.
7.Proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] ), FD, p. 86-87.
8.Proces-verbaal splitsen lichaamsbemonsteringen, FD, p. 337.
9.NFI-rapport d.d. 10 juli 2025, FD, p.708-710.
10.Proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] ), FD, p. 81 en 84-85.
11.Proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] ), FD, p. 133-142.
12.Proces-verbaal van bevindingen, ZD, p. 137-149.
13.Proces-verbaal van bevindingen, ZD, p. 96-101.
14.Proces-verbaal vooronderzoek lab, FD, p. 379.
15.NFI-rapport d.d. 24 juli 2025, FD, p. 716 en 719.
16.Proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] ), FD, p. 136.
17.NFI-rapport d.d. 30 mei 2025, FD, p. 660-661 en 664-665.
18.Proces-verbaal van bevindingen, p. 306-307.
19.Proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] ), FD, p. 85.
20.NFI-rapport d.d. 24 juli 2025, FD, p. 718.
21.Proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] ), FD, p. 136.
22.Proces-verbaal vooronderzoek lab, FD, p. 342.
23.NFI-rapport d.d. 24 juli 2025, FD, p. 718.
24.Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] ), FD, p. 175.
25.NFI-rapport d.d. 30 mei 2025, FD, p. 660 en 664.
26.Proces-verbaal van bevindingen, p. 71.
27.Proces-verbaal vooronderzoek lab, FD, p. 227-228.
28.NFI-rapport d.d. 30 mei 2025, FD, p. 658 en 663.
29.Proces-verbaal vergelijkend schoensporenonderzoek, FD, p. 421-423.
30.Verklaring verdachte ter terechtzitting.