ECLI:NL:RBGEL:2026:5173

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
05.242904.24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 45 SrArt. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met tbs en gevangenisstraf wegens wurging van willekeurig slachtoffer

Op 27 juli 2024 heeft verdachte een volstrekt willekeurige vrouw in Zoelen aangevallen door haar te wurgen en met kracht haar keel dicht te knijpen, waarbij zij bijna buiten bewustzijn raakte. Het slachtoffer liep diverse bloedingen en blauwe plekken op, en onderging EMDR-therapie vanwege psychische klachten.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld met voorwaardelijke opzet op de dood van het slachtoffer, gezien de aard, intensiteit en duur van het geweld. Verdachte vertoonde een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis, met een aanzienlijk tot hoog recidiverisico, en vertoonde na het delict psychotisch en agressief gedrag.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 30 maanden op, met aftrek van voorarrest, en een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging vanwege de psychiatrische stoornis en het gevaar voor de maatschappij. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld tot betaling van € 11.737,75 aan materiële schade en € 4.500,- smartengeld aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging wegens poging tot doodslag met wurging.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.242904.24
Datum uitspraak : 26 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Bulgarije),
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsman: mr. F.G.W.M. Huijbers, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot aanpassing omschrijving feiten in de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 juli 2024 te Zoelen, gemeente Buren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven,
voornoemde [aangever] over enige afstand heeft achtervolgd en/of die [aangever] van achteren, met kracht bij de arm(en) heeft vastgepakt en/of een hand op de mond van die [aangever] heeft gedrukt en/of gedrukt heeft gehouden en/of
die [aangever] met kracht bij de keel heeft gegrepen en/of heeft vastgepakt en/of die keel met kracht heeft dichtgeknepen of dichtgedrukt en/of
die [aangever] naar de grond heeft gewerkt en/of
- toen die [aangever] op haar rug op de grond lag - zijn knie en/of (onder)been op de borst van die [aangever] heeft gedrukt en/of daarbij de keel van die [aangever] met kracht dichtgeknepen of dichtgedrukt heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 juli 2024 te Zoelen, gemeente Buren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [aangever] over enige afstand heeft achtervolgd en/of die [aangever] van achteren, met kracht bij de arm(en) heeft vastgepakt en/of een hand op de mond van die [aangever] heeft gedrukt en/of gedrukt heeft gehouden en/of
die [aangever] met kracht bij de keel heeft gegrepen en/of heeft vastgepakt en/of die keel met kracht heeft dichtgeknepen of dichtgedrukt en/of
die [aangever] naar de grond heeft gewerkt en/of
- toen die [aangever] op haar rug op de grond lag - zijn knie en/of (onder)been op de borst van die [aangever] heeft gedrukt en/of daarbij de keel van die [aangever] met kracht dichtgeknepen of dichtgedrukt
heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat door het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans bestond op de dood van het slachtoffer. Deze aanmerkelijke kans is af te leiden uit het soort letsel dat bij aangeefster is vastgesteld in combinatie met het door verdachte toegepaste geweld. Uit de letselrapportage volgt dat, gelet op de aard van het geconstateerde letsel, het handelen dat dit letsel heeft veroorzaakt zodanig was dat dit tot de dood had kunnen leiden. Daarnaast heeft verdachte, door aangeefster op die manier met zoveel kracht en intensiteit aan te vallen, deze aanmerkelijke kans op de dood bewust aanvaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit omdat de opzet niet bewezen kan worden, ook niet in de vorm van voorwaardelijke opzet, nu er te weinig informatie is over de aard, de duur en de intensiteit van de geweldshandelingen. De raadsman heeft daarnaast bepleit dat ook het subsidiair tenlastegelegde feit niet bewezen kan worden, omdat ook ten aanzien van dit feit de opzet ontbreekt nu er verschillende contra-indicaties in de weg staan aan het bewezen verklaren van dit feit.
Beoordeling door de rechtbank
Verklaring aangeefster [aangever]
Op 29 juli 2024 heeft aangeefster [aangever] aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij op 27 juli 2024 rond 19:00 uur aan het wandelen was in het Soelense Bos op een pad langs een akker. Rond 19:30 uur liep zij op een modderig pad en achter haar liep een persoon. Zij wilde die persoon laten passeren, maar merkte in plaats daarvan dat zij van achteren aan beide armen werd vastgepakt. [aangever] draaide zich om en zag dat dat de persoon die haar vastpakte een man was met een bruin getinte huid, donkere ogen, een snor, kort zwart haar en een zwarte trainingsjas. [aangever] voelde dat zij naar het midden van het pad werd getrokken en begon hard te schreeuwen. Zij bleef schreeuwen en voelde dat haar mond werd dicht gehouden. Tegelijkertijd probeerde de man haar vast te houden en naar de grond te werken. [aangever] worstelde en zij voelde dat het lukte om de man met twee vingers in zijn ogen te prikken. Zij voelde vervolgens dat de hand van de man richting haar keel bewoog en dat hij haar vastpakte bij haar keel. Zij voelde dat hij dit met een enorme kracht deed, dat hij dit lang volhield en ook voelde zij hoe de man druk uitoefende met zijn duimen in haar hals, rechtsonder haar kaak. Zij had het gevoel dat de man wist wat hij deed. Zij heeft nog kunnen spartelen, maar voelde al snel dat haar kracht afnam.
Vervolgens voelde zij een heftige druk tegen haar borstbeen, en omdat haar kracht was afgenomen, zakte zij naar de grond en voelde dat ze in de struiken en de modder terechtkwam.
[aangever] zag toen dat de persoon een man was. De man hing boven haar en drukte met zijn ene hand haar strottenhoofd dicht en met zijn knie drukte hij op haar borst, zodat zij op de grond gefixeerd lag. Hij gebruikte grof geweld om haar op de grond te houden. [2]
De man bleef druk uitoefenen op haar borst en zij werd licht in haar hoofd. Ze kreeg geen adem meer en snakte naar zuurstof. Haar zicht veranderde en zij zag een blauwe lucht, maar realiseerde zich dat dit helemaal niet mogelijk was, omdat zij zich in een dichtgegroeid bos bevond. [aangever] geeft aan dat zij mogelijk buiten bewustzijn is geweest. Op enig moment voelde zij de druk op haar keel verminderen en leek het voor haar alsof de man overeind kwam. [aangever] kon daarna overeind komen en is strompelend weggerend. Ze zag dat ze onder het bloed zat en zag dat de man opstond en wegrende. Zij weet niet meer wie van hen eerder opstond. [aangever] is vervolgens richting de akker gerend waar een man aan het werk was op een trekker. Deze man (getuige [getuige] ) heeft haar geholpen en gaf aan dat hij gezien had dat een man in een zwart trainingspak van het merk Under Armour achter haar aan was gelopen. Aangeefster heeft haar man gebeld en haar man heeft haar thuisgebracht. Thuis heeft aangeefster 112 gebeld en een signalement van de man afgegeven. [3]
Verklaring getuige [getuige]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 27 juli 2024 rond 19:45 uur aan het werk was op een weiland ter hoogte van de Beemdsestraat te Zoelen. Terwijl hij op het land reed, reed hij twee personen tegemoet. Eén van de twee personen was (zo bleek later) aangeefster [aangever] en ongeveer 30 meter achter haar liep een man die volgens [getuige] boos keek. Getuige beschrijft de man als een dunne man, ongeveer 1,75 meter lang, iets getint en hij droeg een zwart en/of grijs Under Armour trainingspak. Zijn haar was kort en hij had iets in zijn handen, maar getuige weet niet wat dat precies was. Ongeveer een kwartier later zag getuige de vrouw uit het bos komen rennen, terwijl zij bloed op haar gezicht had. Ook had de vrouw bloedvlekken aan beide kanten van haar keel zitten en deze bloedvlekken hadden de grootte van duimafdrukken. Getuige heeft dit gezien terwijl [aangever] vijf meter van zijn trekker vandaan stond. Hij heeft haar geholpen door tissues tegen het bloeden aan te bieden en hoorde de vrouw zeggen dat zij was aangerand en dat de man haar op enig moment had losgelaten. Getuige heeft het incident zelf niet gezien. [4]
Aanhouding verdachte
Verbalisanten krijgen op 27 juli 2024 rond 20:35 uur de opdracht om naar het adres van aangeefster [aangever] te rijden. Onderweg belt verbalisant [verbalisant 1] met aangeefster en geeft zij de verbalisant het signalement van de man die haar heeft aangevallen. Het signalement dat [aangever] geeft, komt overeen met het signalement dat zij later in haar aangifte heeft omschreven. Toen de verbalisanten op het Zoelensepad ter hoogte van nummer 33 reden, zagen zij een man die voldeed aan dit signalement. De man droeg een zwart trainingspak en hij had een tenger postuur. Verbalisanten hebben de man staande gehouden en zagen hierbij dat de man ook voldeed aan de rest van het signalement. Verbalisanten schatten dat hij 1,85 meter lang was en hij was ongeschoren. Het viel verbalisanten op dat de man, ondanks het warme en droge weer, verse modder op zowel zijn schoenen als broek had zitten. De man sprak gebrekkig Engels en verbalisanten zagen dat er vers bloed op zijn handpalm en op de binnenzijde van zijn vingers zat. De man transpireerde hevig en er zaten zweetdruppels op zijn hoofd. Verbalisanten hebben de man vervolgens aangehouden. [5]
Forensisch bewijs
Er is DNA-onderzoek verricht aan de binnen- en bovenzijde van beide handen en aan alle vingernagels van verdachte. Uit dit onderzoek is gebleken dat op verschillende plekken op de handen van verdachte DNA-kenmerken zijn aangetroffen die overeenkomen met het DNA-profiel van [aangever] . De plekken op de handen van verdachte waar deze DNA-kenmerken zijn aangetroffen betreffen de binnenzijde van de linkerhand, de bovenzijde van de linkerhand, de bovenzijde van de rechterhand, de linker wijsvinger en de linker middelvinger. Er is een bewijskrachtberekening uitgevoerd ten aanzien van de bemonstering van de linker duim. Hieruit is gebleken dat er een DNA-hoofdprofiel van [aangever] is afgeleid waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. [6]
Letsel [aangever]
Op 30 juli 2024 heeft er forensisch onderzoek bij [aangever] plaatsgevonden dat vervolgens door de forensisch arts nader is beschreven. Bij [aangever] is het volgende letsel geconstateerd: bloedingen in het oogwit van beide ogen, bloeduitstortingen in het gelaat, de hals, op de borstkas en op de linker bovenarm, alsmede krasletsel ter hoogte van de linker mondhoek, puntbloedingen aan de bovenzijde van beide ogen, de linkerwang en de rechterzijde van de hals. [7]
In de forensisch medische letselrapportage wordt vervolgens de ernst van het samendrukkend geweld op de hals vastgesteld. Het dichtknijpen van een keel is blijkens de rapportage een vorm van stomp botsend, samendrukkend geweld. Dit kan leiden tot het dichtdrukken van de halsvaten waardoor de hersenen minder zuurstof krijgen, waardoor een persoon bewusteloos kan raken en kan komen te overlijden. Een samendrukking van de halsslagaders gedurende één tot circa drie minuten kan leiden tot ademstilstand. Via prikkeling van het carotislichaampje kan er ook een hartritmestoornis optreden die tot overlijden aanleiding kan geven. Samendrukkend geweld in het hoofd- en halsgebied leidt verder tot verhoging van de druk in bloedvaten in het hoofd- en halsgebied doordat de bloed toe- en afvoer wordt belemmerd. Hierdoor kunnen bloedvaten stuk gaan en leiden tot bloedingen, zoals bijvoorbeeld bloedingen in het oogwit van een of beide ogen. Het ontstaan van puntbloedingen in het geval van samendrukkend geweld vergt enige kracht en tijd. De eerste voorwaarde is dat de halsader zowel links als rechts wordt dichtgedrukt (terwijl de halsslagader openblijft). De tweede voorwaarde is dat dit enige tijd aanhoudt, zodat de kleinste bloedvaten de tijd hebben om te overvullen en uiteindelijk te scheuren.
De deskundige concludeert dat het totale letselbeeld goed verklaard kan worden door een scenario van stomp botsend, samendrukkend geweld gericht op het hoofd- en halsgebied. Ten aanzien van de gevaarzetting van het geweld op de hals van het slachtoffer komt de deskundige tot de volgende conclusie. De aanwezigheid van puntbloedingen in combinatie met de overige letsels in het hoofd- en halsgebied (zoals aangetroffen bij [aangever] ) past bij een
ernstige, levensbedreigendemate van samendrukkend geweld gericht op de hals. [8]
Tussenconclusie: verdachte was de aanvaller
De rechtbank concludeert op grond van voornoemde bewijsmiddelen dat het verdachte was die op 27 juli 2024 aangeefster [aangever] heeft achtervolgd en van achteren bij haar armen heeft vastgepakt. Uit het forensisch bewijs kan worden geconcludeerd dat het DNA van [aangever] is aangetroffen op de binnenzijde van de handen van verdachte. Verdachte voldoet daarnaast aan het signalement dat zowel door [aangever] als door getuige [getuige] is gegeven, en tijdens de aanhouding van verdachte, die kort na het feit plaatsvond, troffen verbalisanten bloed aan op zijn handen en verse modder op zijn knieën. De verse modder past in de verklaring van [aangever] die heeft verklaard dat zij werd aangevallen op een modderig pad. Verdachte heeft eerst een hand op haar mond gedrukt, haar bij de keel gegrepen en met kracht haar keel dichtgeknepen. Daarna heeft verdachte aangeefster [aangever] naar de grond gewerkt en heeft hij haar daar enige tijd gehouden door met zijn knie en onderbeen op haar borstkas te drukken Terwijl hij dit deed, heeft hij haar keel met kracht dichtgeknepen.
Poging doodslag
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of voornoemd handelen van verdachte gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag, dan wel als een poging tot zware mishandeling.
Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te kunnen komen is onder meer vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [aangever] . De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten in het dossier om te kunnen vaststellen dat verdachte
volopzet heeft gehad op de dood van [aangever] .
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte
voorwaardelijkopzet heeft gehad op de dood van [aangever] . Hiervan is kort gezegd sprake als er een aanmerkelijke kans aanwezig was dat de dood zou intreden en verdachte op dat moment welbewust die kans heeft aanvaard. Of dit zo is, is naar vaste jurisprudentie afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank overweegt dat uit de handeling van het dichtknijpen of dichtdrukken van de keel niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Daarvoor is het nodig nadere vaststellingen te doen over de aard, intensiteit en duur van het uitgeoefende geweld.
Uit de verklaring van [aangever] volgt dat verdachte haar in een bosrijke omgeving van achteren heeft vastgepakt, haar mond heeft dichtgedrukt, haar met kracht naar de grond heeft gewerkt en vervolgens met grote kracht haar keel heeft dichtgedrukt, terwijl ook druk op haar borst werd uitgeoefend. [aangever] heeft hierover zeer concreet en indringend verklaard dat zij voelde dat verdachte “wist wat hij deed”, dat zij een duim voelde drukken bij haar kaak in de richting van de hals, dat zij de “enorme kracht” voelde waarmee haar keel werd dichtgedrukt en dat verdachte het dichtdrukken van haar keel “lang volhield”. Zij heeft verder verklaard dat haar kracht afnam, dat zij licht in haar hoofd werd, geen adem meer kreeg, naar zuurstof snakte, dat haar zicht veranderde alsof zij wegtrok en dat zij mogelijk buiten bewustzijn is geweest.
De rechtbank acht deze verklaring van belang voor de beoordeling van de aard, intensiteit en duur van het uitgeoefende geweld. [aangever] heeft concreet en nauwgezet beschreven wat zij tijdens het dichtdrukken van haar keel en het drukken op haar borst lichamelijk heeft ervaren. Haar beschrijving van de enorme kracht waarmee dat dichtdrukken plaatsvond, het vervolgens afnemen van haar eigen krachten, niet meer kunnen ademen, licht in het hoofd worden en het veranderen van haar zicht passen bij een situatie waarin de zuurstoftoevoer en/of bloedtoevoer naar de hersenen in ernstige mate werd belemmerd.
Die subjectieve waarnemingen van [aangever] vinden naar het oordeel van de rechtbank steun in het bij [aangever] geconstateerde letsel en de interpretatie daarvan door een deskundige. Daaruit volgt dat sprake was van bloedingen in het oogwit van beide ogen, bloeduitstortingen in het gelaat, de hals, de borstkas en de linker bovenarm, alsmede puntbloedingen aan de bovenzijde van beide ogen, de linkerwang en de rechterzijde van de hals.
De deskundige concludeert dat het totale letselbeeld goed verklaard kan worden door een scenario van stomp botsend, samendrukkend geweld gericht op het hoofd- en halsgebied. Daarbij is uitdrukkelijk overwogen dat het dichtknijpen van een keel een vorm is van samendrukkend geweld die kan leiden tot het dichtdrukken van de halsvaten, waardoor de hersenen minder zuurstof krijgen, een persoon bewusteloos kan raken en kan overlijden, en dat samendrukking van de halsslagaders gedurende één tot circa drie minuten al tot ademstilstand kan leiden, terwijl via prikkeling van het carotislichaampje ook een fatale hartritmestoornis kan ontstaan.
Van gewicht acht de rechtbank ook dat de deskundige, door het door [aangever] beschreven geweld te bezien in samenhang met het daadwerkelijk geconstateerde letsel, tot de conclusie komt dat de combinatie van bevindingen past bij een ernstige, levensbedreigende mate van samendrukkend geweld gericht op de hals in de vorm van strangulatie. Weliswaar is het uiteindelijk waarneembare letsel als licht letsel gecategoriseerd en was dat letsel op zichzelf niet levensbedreigend, dat neemt niet weg dat de deskundige het toegepaste geweld, in combinatie met het letselbeeld, als levensbedreigend duidt. De rechtbank leidt hieruit af dat niet slechts sprake was van enig geweld tegen de hals, maar van krachtig, intens en potentieel fataal samendrukkend geweld.
De rechtbank betrekt daarbij verder dat het geweld niet bestond uit een kortstondige greep of een enkel impulsief moment, maar uit een opeenvolging van handelingen die allen gericht leken op strangulatie: verdachte hield [aangever] eerst staande onder controle, drukte haar mond dicht, werkte haar vervolgens naar de grond, drukte haar keel met grote kracht dicht en hield die druk volgens [aangever] gedurende enige tijd vol, terwijl tevens druk op de borst werd uitgeoefend. [aangever] heeft verklaard dat zij mede door die druk naar de grond zakte en vervolgens geen adem meer kreeg. Voor zover in de letselrapportage wordt opgemerkt dat geen sprake is geweest van bewusteloosheid, volgt de rechtbank de letselrapportage niet. [aangever] heeft verklaard dat zij geen lucht meer kreeg en haar krachten voelde afnemen, dat zij licht werd in het hoofd en dat haar zicht veranderde (zij zag op enig moment een blauwe lucht terwijl zij in een dichtgegroeid bos lag). Zij heeft bovendien zelf verklaard dat zij niet weet of zij buiten bewustzijn is geweest. De rechtbank is van oordeel dat de vraag of [aangever] buiten bewustzijn is geweest niet eenduidig kan worden beantwoord, maar dat dit zeker mogelijk is.
Verdachte heeft – alles afwegend - een situatie in het leven geroepen waarin de kans dat het slachtoffer zou overlijden naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk was. Naar het oordeel van de rechtbank kan het onder deze omstandigheden niet anders zijn dan dat verdachte zich van die aanmerkelijke kans bewust is geweest. Het met grote kracht dichtdrukken van de keel van [aangever] en het blijven uitoefenen van die druk, terwijl [aangever] zich verweerde, haar krachten voelde afnemen, zij geen lucht meer kreeg en uiteindelijk bijna of mogelijk (kort) geheel buiten bewustzijn raakte, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van de dood, dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat verdachte die aanmerkelijke kans op de dood willens en wetens heeft aanvaard. Van dergelijke contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
Dat [aangever] de aanval heeft overleefd en dat het uiteindelijk vastgestelde letsel niet blijvend of zelfstandig levensbedreigend was, maakt dit oordeel niet anders. Voor een poging tot doodslag is immers niet vereist dat de dood daadwerkelijk intreedt of dat blijvend letsel ontstaat, maar dat het handelen van verdachte naar zijn aard en onder de concrete omstandigheden een aanmerkelijke kans op de dood in het leven riep en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet op de dood van [aangever] heeft gehad. De rechtbank acht daarom poging tot doodslag bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks27 juli 2024 te Zoelen, gemeente Buren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven,
voornoemde [aangever] over enige afstand heeft achtervolgd en
/ofdie [aangever] van achteren, met kracht bij de arm
(en
)heeft vastgepakt en
/ofeen hand op de mond van die [aangever] heeft gedrukt en
/ofgedrukt heeft gehouden en
/of
die [aangever] met kracht bij de keel heeft gegrepen en
/ofheeft vastgepakt en
/ofdie keel met kracht heeft dichtgeknepen of dichtgedrukt en
/of
die [aangever] naar de grond heeft gewerkt en
/of
- toen die [aangever] op haar rug op de grond lag - zijn knie en/of (onder)been op de borst van die [aangever] heeft gedrukt en
/ofdaarbij de keel van die [aangever] met kracht dichtgeknepen of dichtgedrukt heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
primair
poging tot doodslag

5.De strafbaarheid van het feit

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij vrijwillig is teruggetreden als bedoeld in artikel 46b Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank stelt voorop dat dit slechts aan de orde is indien aannemelijk is geworden dat het niet intreden van het beoogde gevolg in overwegende mate voortkomt uit omstandigheden die van de wil van verdachte afhankelijk zijn geweest. Uit de verklaring van [aangever] volgt dat verdachte haar keel met grote kracht dichtdrukte, dat haar kracht afnam, dat zij licht in het hoofd werd en dat haar zicht wegtrok. Daarna verminderde de druk op haar keel en kon zij opkrabbelen, terwijl zij niet weet of zij (kort) buiten bewustzijn is geweest en evenmin wie als eerste is opgestaan. Verdachte heeft geen concrete, verifieerbare verklaring gegeven waaruit volgt dat hij uit eigen beweging heeft besloten af te zien van voltooiing van het misdrijf, terwijl ook niet is gebleken dat hij enige actieve handeling heeft verricht om het door hem reeds gecreëerde levensgevaar weg te nemen of de (mogelijke) gevolgen van zijn handelen ongedaan te maken. De bewijsmiddelen in het dossier bevatten daarnaast geen/onvoldoende aanknopingspunten die wijzen op dergelijke omstandigheden. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat het uitblijven van de dood of zwaar lichamelijk letsel in overwegende mate berust op omstandigheden van de wil van verdachte afhankelijk, zodat van vrijwillige terugtred geen sprake is en dit verweer wordt verworpen.
Nu evenmin andere gronden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten, betekent dit dat het feit strafbaar is.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een locatieverbod, met betrekking tot de gemeente Buren, voor de duur van drie jaar, wordt opgelegd. Per overtreding geldt een hechtenis van twee weken, met een maximum van zes maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de detentie van verdachte zo kort mogelijk moet duren gezien zijn kwetsbaarheid en zijn geestelijke gezondheid. Verdachte verblijft al twee jaar in voorarrest en zijn geestelijke gezondheid zal hierdoor nog verder afnemen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De rechtbank stelt voorop dat zij, ook indien uitsluitend een gevangenisstraf is gevorderd, zelfstandig heeft te beoordelen of (daarnaast) een maatregel moet worden opgelegd, indien aan de wettelijke voorwaarden daarvoor is voldaan. Die vraag dringt zich hier in het bijzonder op, nu het gaat om een potentieel dodelijk geweldsdelict tegen een volstrekt willekeurig gekozen en voor verdachte onbekende vrouw, terwijl uit het dossier tevens sterke aanwijzingen naar voren komen voor een blijvende psychiatrische stoornis bij verdachte. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of met het uitsluitend opleggen van een gevangenisstraf van enkele jaren, zonder enig (concreet vooruitzicht op een) behandelkader, in dit geval voldoende bescherming aan de maatschappij wordt geboden.
Tbs met dwangverpleging
Voor oplegging van terbeschikkingstelling is vereist dat ten tijde van het begaan van het feit bij verdachte een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, dat het bewezenverklaarde behoort tot de in artikel 37a Sr bedoelde misdrijven en dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, het opleggen van die maatregel eist. Indien die veiligheid ook verpleging eist, kan worden bevolen dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd.
Verdachte heeft op 27 juli 2024 een ernstig geweldsdelict gepleegd tegen een hem volstrekt onbekende en willekeurig gekozen vrouw, die zich nietsvermoedend in een bosrijke omgeving bevond. Verdachte is haar gevolgd, heeft haar van achteren vastgepakt, haar mond dichtgedrukt, haar naar de grond gewerkt en vervolgens met kracht de keel dichtgedrukt, terwijl zij nauwelijks meer lucht kreeg en zich in een weerloze positie bevond. Uit de letselinterpretatie volgt dat de combinatie van bevindingen past bij een ernstige, levensbedreigende mate van samendrukkend geweld op de hals en dat dergelijk geweld potentieel dodelijk is. Daarmee is sprake van een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander.
Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum van 4 februari 2026 volgt dat bij verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis. De onderzoekers beschrijven dat bij verdachte, ondanks langdurige abstinentie van middelen en ondanks dwangmedicatie, sprake blijft van psychotische symptomatologie met positieve en negatieve symptomen, formele denkstoornissen, desorganisatie, oninvoelbaarheid, affectieve vervlakking, terugtrekgedrag, slechte zelfzorg en het ontbreken van ziektebesef. Een middelen-geïnduceerde psychose wordt uitgesloten.
De rechtbank betrekt in haar beoordeling dat verdachte reeds vanaf 2021 meermalen vreemd, onsamenhangend en achterdochtig gedrag vertoonde. In de weken direct voorafgaand aan en rond 27 juli 2024 wordt in de stukken eveneens melding gemaakt van opvallend en zorgwekkend gedrag, waaronder het op 6 juli 2024 lopen in de middenberm van de snelweg (A15) en risicovol, slecht verklaarbaar gedrag in de aanloop naar het delict. Na het delict op 27 juli 2024 liet verdachte direct merkwaardig en ontregeld gedrag zien en in het trajectconsult van 16 augustus 2024 werd hij omschreven als onsamenhangend, onnavolgbaar en oninvoelbaar. Hij gaf toen ook aan stemmen te horen en “zijn eigen gedachten uit te lachen”. In 2025 zette de ontregeling zich voort: vanaf 7 februari 2025 verbleef verdachte op een Extra Zorg Voorziening, op 14 maart 2025 werd hem wegens dwingend, onrustig en onbetrouwbaar gedrag een ordemaatregel opgelegd, op 25 april 2025 kreeg hij na plaatsing in het PPC [plaats] opnieuw een ordemaatregel wegens verbale agressie en tekenen van een psychotisch toestandsbeeld en in juni 2025 dreigde hij medewerkers te slaan, maakte hij schietbewegingen naar anderen en uitte hij paranoïde denkbeelden, waarna op 10 juni 2025 dwangmedicatie noodzakelijk werd geacht.
Tijdens de observatie in het PBC bleef sprake van een op de voorgrond staand psychiatrisch toestandsbeeld dat ondanks abstinentie van middelen en instelling op dwangmedicatie overeind bleef staan Verdachte werd beschreven als passief, oninvoelbaar, teruggetrokken en zich slecht verzorgend, terwijl het PBC bovendien aanwijzingen zag dat zijn grotendeels weigerende houding voortkwam uit pathologisch wantrouwen, ingegeven door psychotische gedachten. De rechtbank heeft ter terechtzitting van vrijdag 12 juni 2026 waargenomen dat verdachte op meerdere vragen onsamenhangende en onnavolgbare antwoorden gaf, op niet passende momenten oninvoelbaar lachte en een afwezige indruk maakte. De rechtbank had daarbij de indruk dat met verdachte nauwelijks werkelijk contact tot stand kwam. Dat ter zitting geobserveerde gedrag sluit aan bij de in het PBCrapport en de overige stukken beschreven gedragingen en bevestigt dat ook in het heden nog sprake is van een opvallend en psychiatrisch gekleurd toestandsbeeld.
Het PBC heeft geconcludeerd dat de stoornis ten tijde van het ten laste gelegde latent aanwezig was.Dit betekent dat een stoornis aanwezig is, maar nog niet per definitie tot ontwikkeling is gekomen of zichtbare symptomen veroorzaakt. Om die reden heeft het PBC geen uitspraak gedaan over de vraag of toen sprake was van een floride psychotisch toestandsbeeld, zodat ook geen uitspraak is gedaan over de mate van toerekenbaarheid, de mate van doorwerking van de stoornis in het delict of een geïndividualiseerd recidiverisico. Dat staat er echter niet aan in de weg dat de rechtbank op basis van het geheel van de dossierstukken tot een eigen oordeel komt. De omstandigheid dat verdachte grotendeels heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek en dat daardoor geen genuanceerde risicotaxatie en geen precieze gradatie van toerekeningsvatbaarheid mogelijk zijn gebleken, hoeft er niet toe leiden dat geen beschermingsmaatregel wordt opgelegd waar de feiten en de vastgestelde stoornis daar, uit het oogpunt van de veiligheid van anderen, wel om vragen.
De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de bij verdachte vastgestelde psychotische stoornis ook ten tijde van het bewezenverklaarde aanwezig was en in relevante mate van invloed is geweest op zijn denken, voelen en handelen rond het delict. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het PBC de stoornis reeds ten tijde van het delict latent aanwezig acht, dat reeds vanaf 2021 sprake was van gedragingen die wijzen op psychotische ontregeling, dat kort na het delict een onsamenhangend en oninvoelbaar beeld zichtbaar werd en dat zich vervolgens een evident paranoïde psychotisch toestandsbeeld heeft ontwikkeld dat ondanks abstinentie en dwangmedicatie is blijven voortbestaan tot op heden. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank niet aannemelijk dat verdachte op 27 juli 2024 vrij van de stoornis functioneerde. De rechtbank houdt er daarom rekening mee dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in ieder geval in verminderde mate toerekeningsvatbaar was, ook al kan de mate waarin dat het geval was niet exact worden vastgesteld.
Verder volgt uit het zaaksdossier dat verdachte in de weken voorafgaand aan het delict veelvuldig een sekssite bezocht en herhaaldelijk zocht naar het onderwerp verkrachting, terwijl hij tegenover de politie verklaarde dat deze verkrachtingsvideo’s voor hem “niet zo indrukwekkend” waren vergeleken met de dingen die hij normaal opzocht, zoals moord. Ook zijn op zijn telefoon foto’s en video’s aangetroffen waarop verdachte zichzelf, liggend op een kleed in een bos, masturberend met een dildo filmt. Deze bevindingen, in samenhang met het in deze zaak gepleegde geweld tegen een willekeurig vrouwelijk slachtoffer in een bosrijke omgeving, versterken het beeld van zorgwekkende gewelds en seksueel gekleurde fantasieën die in de periode rond het delict bij verdachte aanwezig waren, zonder dat de rechtbank daaruit afleidt dat reeds daarom sprake is van een vaststaande parafiele stoornis.
De rechtbank is verder van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, het opleggen van de maatregel eist. Daarbij weegt de rechtbank zwaar dat verdachte een potentieel dodelijk geweldsdelict heeft gepleegd tegen een willekeurig persoon. De combinatie van de ernst en de volstrekte willekeur van het delict, de hierboven geschetste context van gewelds en seksueel gekleurde fantasieën, het na het delict in de PI getoonde dreigende en agressieve, psychotisch gekleurde gedrag – waaronder het verbale dreigen, de schietbewegingen richting personeel en het psychotisch georiënteerde wantrouwen, het ontbreken van ziektebesef, de persisterende psychotische symptomatologie, het uitblijven van vrijwillige behandelbereidheid en het ter zitting opnieuw waargenomen vreemde, afwezige en contactarme gedrag – maken dat de rechtbank het recidivegevaar als aanzienlijk tot hoog inschat. Het gevaar richt zich daarbij in het bijzonder op nieuwe, impulsief tot stand komende geweldshandelingen tegen al dan niet willekeurige derden in een situatie waarin verdachte terecht kan komen als hij onbehandeld in de maatschappij terugkeert.
De rechtbank betrekt in haar beoordeling ook het reclasseringsadvies van 9 februari 2026, waaruit volgt dat de reclassering vanwege de weigerende houding van verdachte geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Een minder vergaand en toereikend kader is daarmee niet voorhanden. Gelet op het ontbreken van enig ziektebesef, de weigerachtige houding ten aanzien van behandeling, medicatie en onderzoek en het ontbreken van reële mogelijkheden voor ambulante of anderszins minder ingrijpende interventies, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de terbeschikkingstelling gepaard gaat met verpleging van overheidswege, nu een minder vergaande modaliteit onvoldoende waarborgen biedt voor de bescherming van de maatschappij.
Nu de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, is de totale duur van de maatregel niet in tijd beperkt. De rechtbank zal de maatregel daarom ongemaximeerd opleggen.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat alleen in het kader van een langdurige, dwingende behandeling binnen een tbskader het door de stoornis ingegeven recidivegevaar in voldoende mate kan worden teruggebracht en de maatschappij voldoende wordt beschermd. Gelet op de ernst en de volstrekte willekeur van het bewezenverklaarde, de bij verdachte vastgestelde psychotische stoornis, de aannemelijke doorwerking daarvan in het delict, de in de periode rond het delict gebleken gewelddadige en seksueel gekleurde fantasieën, het ontbreken van ziektebesef, de persisterende psychotische symptomatologie, het ontbreken van een minder ingrijpend toereikend kader en het als hoog beoordeelde recidivegevaar, zal de rechtbank aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen en bevelen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Oplegging gevangenisstrafDe rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of, naast de hiervoor overwogen maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, ook een gevangenisstraf moet worden opgelegd. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de volstrekte willekeur van het gekozen slachtoffer en de ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer, acht de rechtbank het noodzakelijk dat naast de maatregel tevens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Met uitsluitend een tbsmaatregel zou, mede in het licht van de reële doodsangst van het slachtoffer en de ernstige aantasting van haar gevoel van veiligheid, de strafwaardigheid van het handelen van verdachte onvoldoende tot uitdrukking komen en onvoldoende recht worden gedaan aan de strafdoelen van vergelding en generale preventie.
Bij de vaststelling van de duur van de gevangenisstraf neemt de rechtbank als uitgangspunt de uitzonderlijke ernst van het bewezenverklaarde.
De rechtbank weegt voorts mee dat verdachte geen verantwoordelijkheid voor het feit heeft genomen. Hij heeft het bewezenverklaarde niet bekend en heeft op geen enkel moment blijk gegeven van enig inzicht in de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer of van enige vorm van berouw. De wijze waarop verdachte zich tijdens zijn verhoren en ter terechtzitting heeft opgesteld – ontkennend, ontwijkend, vaak niet reagerend op gerichte vragen en veelal oninvoelbaar in zijn emotionele uitingen – maakt dat de rechtbank geen enkel aanknopingspunt ziet voor vrijwillige gedragsverandering of herstelgerichtheid.
Daar staat tegenover dat, zoals hiervoor is overwogen, bij verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis en dat de rechtbank er rekening mee houdt dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in ieder geval in verminderde mate toerekeningsvatbaar was. Deze verminderde toerekeningsvatbaarheid brengt mee dat de gevangenisstraf lager zal worden vastgesteld dan in een vergelijkbare zaak waarin geen sprake is van een dergelijke stoornis.
Tenslotte houdt de rechtbank er rekening mee dat naast de gevangenisstraf een ongemaximeerde terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. De totale duur en zwaarte van de reactie worden daardoor in belangrijke mate bepaald door de tbsmaatregel. Dat is voor de rechtbank aanleiding om de duur van de gevangenisstraf zodanig te bepalen dat deze tezamen met de maatregel leidt tot een evenwichtige en niet onevenredig zware reactie.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
De rechtbank ziet ten slotte geen aanleiding om een 38v-maatregel, inhoudende een locatieverbod ten aanzien van de gemeente Buren, aan verdachte opleggen. Noch uit het dossier, noch uit de rapportages volgt dat het aannemelijk is dat verdachte zich wederom belastend zal gedragen richting het slachtoffer of specifiek in de gemeente Buren.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 14.764,75 aan materiële schade en € 4.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schadeposten inkomstenverlies en kosten inhuur extra personeel niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard nu deze niet voldoende zijn onderbouwd. Een czorgvuldige vaststelling van het werkelijke inkomstenverlies zou deze strafrechtelijke procedure te veel belasten.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade: inkomstenverlies en kosten inhuur extra personeel
De benadeelde partij heeft onder meer € 12.939,75 gevorderd aan inkomstenverlies en de kosten voor de inhuur van extra personeel. De rechtbank overweegt dat deze kostenposten niet volledig zijn onderbouwd. De benadeelde partij is een zzp-er met een eigen bedrijf. Om haar netto misgelopen inkomsten (de schade) te berekenen, dienen eventuele kosten en belastingen afgetrokken te worden van de bedragen die zij rekent aan klanten om de schade te kunnen bepalen. De rechtbank zal dit doen door middel van een schatting, zoals ook is verzocht door de benadeelde partij, nu dit onderdeel van de onderbouwing bij de vordering ontbreekt.
De misgelopen inkomsten uit de opdrachtbevestiging van 24 januari 2024 heeft de benadeelde onderbouwd en deze bedragen € 7.913,50,-. De misgelopen inkomsten uit de opdrachtbevestiging van 5 juli 2024 heeft de benadeelde ook onderbouwd en deze bedragen € 4.000,-. Dit is een totaalbedrag van € 11.913,50. Van dit bedrag trekt de rechtbank 10% aan geschatte kostenposten af. Daaruit volgt een bedrag van € 10.722,15,- aan winst.
Over dit bedrag (haar belastbare inkomen) zal de benadeelde partij nog belasting moeten betalen. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de variabele aftrekposten, te weten de MKB winstvrijstelling, inkomstenbelasting en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. De eenmalige jaarlijkse vrijstellingen/aftrekposten zijn niet meegenomen in de schatting omdat deze reeds zijn verrekend in de inkomstenaangifte over 2024 van het wel gerealiseerde inkomen. De misgelopen inkomsten worden geschat op een bedrag van € 8.886,50,-.
Vervolgens wordt de inhuur van extra personeel (€ 1.026,25,-) hier nog bij opgeteld, nu deze voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij. Daaruit volgt een schadebedrag ten aanzien van het inkomstenverlies en kosten voor de inhuur van extra personeel van in totaal € 9.912,75,-.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks (voornoemde) schade heeft geleden.
De schadeposten zijn (verder) voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft het inkomstenverlies en de kosten voor de inhuur van extra personeel tot een hoogte van € 9.912,75,- kan worden toegewezen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering op dit punt
Materiële schade: kosten EMDR-therapie en kosten spoedeisende hulp
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft haar schadevordering aangevuld met een aanvullende factuur van
€ 460,- voor EMDR-therapie. De kosten van de EMDR-therapie komen daarmee op een totaalbedrag van € 1.440,-. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 385,- aan kosten voor haar eigen risico, omdat zij op 27 juli 2024 naar de spoedeisende hulp moest vanwege haar letsels.
Deze schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen de rechtbank redelijk voor. Voor deze schade is verdachte daarom naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kosten van de EMDR-therapie en de kosten van de spoedeisende hulp tot een hoogte van € 1.825,- kan worden toegewezen.
Het totaalbedrag aan toegekende schadevergoeding voor materiële schade komt daarmee op het bedrag van € 11.737,75,-.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door het feit heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen en is zij daarnaast op andere wijze in de persoon aangetast. Verdachte heeft met kracht de keel van de benadeelde dichtgeknepen, heeft haar naar de grond gebracht en heeft zijn knie en/of onderbeen op de borstkas van de benadeelde gedrukt. Haar ogen raakten bloeddoorlopen, zij had pijn op haar keel, hals, ogen en bovenlichaam. De benadeelde heeft hier letsel in de vorm van krasletsels en blauwe plekken aan overgehouden. Daarnaast is de benadeelde partij op andere wijze in de persoon aangetast nu zij ook psychisch letsel heeft overgehouden aan het handelen van verdachte. Uit de stukken bij de schadevordering blijkt dat zij EMDR-therapie heeft moeten volgen omdat zij kampte met verschillende klachten. De huisarts vermoedde, aan de hand van de psychische klachten die benadeelde had, dat zij kampte met PTSS. Ook de psychotherapeut constateerde klachten die mogelijk wezen op PTSS. Uit de stukken wordt duidelijk dat de benadeelde partij in ieder geval tot en met juni 2025 EMDR-therapie heeft moeten volgen voor de verschillende psychische klachten die zij heeft overgehouden aan het incident op 27 juli 2024. Dit alles is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit, de Rotterdamse Schaal en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het gevorderde smartengeld van € 4.500,- toewijzen.
Verdachte is vanaf 27 juli 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 gelast dat verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 11.737,75 aan materiële schade en € 4.500,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 16.237,75 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 106 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. A.P. Sno en mr. P. Verkroost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.
Mr. Leemreize en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeknummer ON5R024071, gesloten op 11 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 25
3.Proces-verbaal van aangifte [aangever] , p. 30-32.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 37-38.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 18-19 en Fotomap Tactische Opsporing, p. 23-24.
6.Rapport forensisch DNA-onderzoek, p. 61-64.
7.Proces-verbaal forensisch onderzoek persoon, p. 68 en bijlage fotoblad en het Aanvullend proces-verbaal Forensisch medische letselrapportage, p. 167-169.
8.Aanvullend proces-verbaal Forensisch medische letselrapportage, p. 170-175.