ECLI:NL:RBGEL:2026:5174

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
AWB-26_1733 en AWB-26_1724
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 4.23 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8:72 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging handhavingsbesluit last onder dwangsom voor uitbouw in groenzone

Eisers hebben een uitbouw gerealiseerd die deels in strijd is met het bestemmingsplan en zonder vergunning is geplaatst. Het college legde een last onder dwangsom op om de overtreding te beëindigen. Na bezwaar en eerdere procedures stelde de rechtbank vast dat het college onjuiste maatvoering hanteerde bij de vaststelling van de oppervlakte van de uitbouw in de groenzone.

Het college stelde in een nieuwe beslissing dat de overschrijding 1,31 meter bedraagt, wat eisers niet betwistten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college bevoegd is tot handhaving, maar dat het college onvoldoende heeft onderbouwd waarom handhaving evenredig is, mede gezien de geringe zichtbaarheid en de hoge kosten voor eisers.

De voorzieningenrechter weegt het belang van eisers zwaarder dan dat van het college en vernietigt het bestreden besluit. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot handhaving van de last onder dwangsom wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/1733 en 26/1724

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem

(gemachtigde: mr. M.A. de Ronde).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam] uit [woonplaats] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om eisers een last onder dwangsom op te leggen gericht op het verwijderen van zonder vergunning gebouwde bouwwerken aan het [adres] in [plaats] . Bij nieuwe beslissing op bezwaar van
2 maart 2026 is het bezwaar ongegrond verklaard en de last onder dwangsom in stand gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij voeren een aantal gronden aan. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eisers daartegen. [1]
1.1.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Eisers zijn eigenaar van de woning en het bijbehorende perceel aan het [adres] in [plaats] . Eisers hebben een aanbouw gerealiseerd aan hun woning die bestaat uit een serre, een overkapping, een verlenging van de garage en een afdak (de uitbouw).
2.1.
Op 10 februari 2023 heeft de derde-partij een handhavingsverzoek ingediend, omdat eisers bouwwerken zouden hebben gerealiseerd die zijn gesitueerd op de groenbestemming.
2.2.
Op 27 juni 2023 heeft een toezichthouder ter plaatse een controle uitgevoerd. Tijdens dit bezoek constateerde de toezichthouder dat de uitbouw is geplaatst zonder omgevingsvergunning en in strijd is met het bestemmingsplan. Dit heeft geleid tot het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom van 10 juli 2023 en uiteindelijk tot het opleggen van een last onder dwangsom op 12 oktober 2023 (het primaire besluit). Het college stelt dat er sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De last houdt in dat eisers de uitbouw moeten verwijderen en verwijderd moeten houden dan wel dat eisers de uitbouw gedeeltelijk verwijderen dan wel verwijderd moeten houden door binnen de enkelbestemming ‘wonen’ 10 m2 van de uitbouw te verwijderen en het gedeelte van de uitbouw dat zich binnen enkelbestemming ‘groen’ bevindt, te verwijderen. Indien eisers niet voor 1 januari 2024 aan de last voldoen verbeuren zij een dwangsom van € 2.500,- ineens.
2.3.
Op 23 november 2023 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
2.4.
Op 22 maart 2024 heeft het college een beslissing op het bezwaar van eisers genomen. In deze beslissing op bezwaar heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Wel heeft het college het primaire besluit gewijzigd. Eisers kunnen reeds aan de last voldoen door enkel de uitbouw die is gesitueerd op de bestemming ‘groen’ te verwijderen en verwijderd te houden.
2.5.
Eisers hebben beroep ingesteld. Op 16 december 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 maart 2024 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak. [2]
2.6.
Op 2 maart 2026 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom gesteld op 6 weken na verzenddatum van de beslissing op bezwaar.
2.7.
Eisers hebben beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.8.
Het college heeft op 1 april 2026 de begunstigingstermijn verlengd tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
2.9.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
3.1.
Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
3.2.
Het perceel van eisers is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘ [bstemmingsplan] ’ (bestemmingsplan). Op het gedeelte waarop de uitbouw is gerealiseerd rust gedeeltelijk de bestemming ‘groen’ en gedeeltelijk de bestemming ‘Wonen’.
Afmetingen uitbouw
4. Eisers betogen dat het college in de nieuwe beslissing op bezwaar niet had mogen afwijken van de uitspraak van de rechtbank van 16 december 2025, waarin is overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de uitbouw een diepte heeft van 30 centimeter in de groenzone. Het college is tegen deze uitspraak niet in hoger beroep gegaan. Het college had daarom op basis van de overschrijding van 30 centimeter de oppervlakte van de uitbouw moeten bepalen. Daarnaast had het college moeten overwegen of 30 centimeter overschrijding in verhouding tot de 15 meter groenzone een dermate geringe overtreding is dat het onevenredig is om eisers te gelasten de uitbouw af te breken.
4.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De rechtbank heeft in de eerdere uitspraak overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de uitbouw met een breedte van 30 centimeter op de groenbestemming is gesitueerd, maar dat wel tussen partijen ter discussie staat met hoeveel oppervlakte de uitbouw op de groenbestemming is gesitueerd.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake was van een bijzondere omstandigheid om van handhavend optreden af te zien. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het college bij de beoordeling van de situering van de uitbouw op de groenbestemming is uitgegaan van een onjuiste maatvoering. De gehanteerde oppervlakte van 13,82 m² door het college is niet mogelijk wanneer de breedte van het perceel van eisers in acht wordt genomen. De uitbouw dient in zo’n geval om en nabij de 46 meter breed te zijn. Dat is niet mogelijk, want het perceel van eisers is ongeveer 18 meter breed. Om die reden was de rechtbank van oordeel dat de beroepsgrond slaagt en dat het college opnieuw moest motiveren wat de feitelijke afmetingen zijn en of het handhavend wil optreden tegen de overtreding.
4.2.
Het college stelt en heeft op zitting toegelicht dat de overschrijding van de uitbouw in de groenzone feitelijk 1,31 meter bedraagt, en dat de totale oppervlakte 12,75 meter bedraagt. Hij acht zich niet gebonden aan de overweging in de eerdere uitspraak dat de overschrijding 0,30 meter zou bedragen. Daarbij merkt hij ook op dat de rechtbank toen ten onrechte heeft overwogen dat dit niet in geschil was.
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de stelling van het college dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat dit niet in geschil was, niet kan slagen omdat het dan aan hem was geweest om hoger beroep in te stellen.
De voorzieningenrechter volgt het college echter wel in zijn standpunt dat hij niet aan de gestelde diepte van 30 centimeter is gebonden bij de feitelijke vaststelling van de oppervlakte van de uitbouw. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechters volgt dat indien een bestuursorgaan niet (tijdig) is opgekomen tegen een uitspraak van de rechtbank waarin deze - uitdrukkelijk en zonder voorbehoud - een rechtsoordeel heeft gegeven ten aanzien van hetgeen het bestuursorgaan aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, het gezag van de rechterlijke uitspraak waartegen geen rechtsmiddel is aangewend vergt dat in het vervolg van de procedure wordt uitgegaan van de juistheid van de aan de vernietiging ten grondslag gelegde overwegingen. [3] Dit kan naar zijn aard echter alleen maar zien op rechtsoordelen in een uitspraak, niet op een blote weergave van feiten, zoals de rechtbank die heeft gezien. [4] De door eisers aangehaalde rechtspraak geldt dus niet voor de, inmiddels onjuist gebleken, feitelijke aanname dat de overschrijding maar 30 centimeter zou betreffen. Het college mocht in het nieuwe besluit dus een andere overschrijding hanteren.
5.1.
De voorzieningenrechter overweegt verder dat het college de feitelijke diepte van de uitbouw heeft vastgesteld op 1,31 meter in de groenzone. Eisers hebben niet gemotiveerd betwist dat deze afmeting juist is. Ook hebben eisers onvoldoende ingebracht tegen de stelling van het college dat de breedte van de uitbouw 9,73 meter is en dat de totale oppervlakte van de uitbouw 12,75 m2 bedraagt. De voorzieningenrechter zal daarom van deze afmetingen uitgaan.
5.2.
Omdat er sprake is van een uitbouw in de groenbestemming zonder omgevingsvergunning en in strijd met het geldende bestemmingsplan, is er sprake van een overtreding. Het college is bevoegd handhavend op te treden.
Beginselplicht tot handhaving
6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Daarnaast kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
6.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er op dit moment geen concreet zicht is op legalisatie, alleen al omdat er geen aanvraag voor een omgevingsvergunning voor dat deel van de bebouwing in de groenstrook is ingediend. Bovendien is het college vooralsnog niet bereid mee te werken aan legalisatie.
6.2.
De voorzieningenrechter overweegt echter dat, gelet op de betrokken belangen, het college onvoldoende heeft onderbouwd waarom handhaving in dit geval evenredig is. Hoewel het college gelijk heeft dat 1,31 meter geen geringe overtreding betreft, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook geen sprake van een ernstige afbreuk aan de groenzone, gelet op de totale diepte van die zone.
De totale oppervlakte van de uitbouw bedraagt maar een klein deel van de totale groenzone. Daar komt bij dat de groenzone ook niet ‘in het veld’ zichtbaar is en dat het college pas aanleiding heeft gezien om handhavend op te treden jegens eisers nadat in de buurt handhavend werd opgetreden tegen losse bergingen in de groenzone. Los van het algemeen belang van het college bij handhaving, heeft het college in dit geval dus niet onderbouwd welke concrete belangen daarmee zijn gemoeid.
Daartegenover staat dat niet is weersproken dat de uitbouw al in 2008 is gebouwd, dat eisers destijds niet op de hoogte waren van eventuele strijd met het bestemmingsplan en dat het afbreken van de uitbouw voor eisers gepaard gaat met hoge kosten. Dit houdt namelijk in dat hun hele benedenverdieping, met vloerverwarming, aangepast moet worden. Dat sprake zou zijn van precedentwerking acht de voorzieningenrechter, gelet op deze specifieke omstandigheden, ook niet aannemelijk gemaakt. Gelet op het voorgaande weegt de voorzieningenrechter het belang van eisers in dit geval zwaarder dan het belang van het college bij handhaving.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit.
7.1.
De voorzieningenrechter ziet geen reden om de rechtsgevolgen van besluit in stand te laten of zelf een beslissing over te nemen. De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. In afwachting daarvan is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht (2 x € 200,-) aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,-, omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 maart 2026 en draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 400,- (2 x € 200,-) aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8850
4.Centrale Raad van Beroep, 13 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6558