ECLI:NL:RBGEL:2026:5199

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
ARN 26/1230
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen invordering verbeurde dwangsom

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de burgemeester van Nijmegen om een verbeurde dwangsom van €5.000,- in te vorderen. De burgemeester handhaafde dit besluit na bezwaar. Verzoeker stelde dat invordering tot betalingsonmacht zou leiden en dat hij onvoldoende financiële draagkracht heeft voor een betalingsregeling.

De voorzieningenrechter oordeelde dat bij financiële geschillen spoedeisend belang slechts zelden aanwezig is, omdat het bedrag na afloop van de bodemprocedure alsnog kan worden terugbetaald. Verzoeker heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van spoedeisend belang en zijn enkele stelling is onvoldoende. Er is geen aannemelijke dreiging van een onomkeerbare situatie.

Ook is niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is, hetgeen vereist zou zijn om alsnog een voorlopige voorziening te treffen. Daarom is het verzoek kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de invordering van de verbeurde dwangsom wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1230

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. L. Hofman),
en

de burgemeester van de gemeente Nijmegen.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van de burgemeester van 4 februari 2026 om een verbeurde dwangsom van € 5.000,- in te vorderen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Met het besluit van 13 april 2026 heeft de burgemeester op het bezwaar van verzoeker beslist en het besluit van 4 februari 2026 in stand gelaten.
1.2.
Verzoeker heeft beroep ingesteld. [1] Het al ingediende verzoek om voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter. [2]
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
2.1. De burgemeester heeft bij e-mail van 20 maart 2026 aangegeven dat na 9 april 2026 een aanmaning zal worden verzonden en dat verzoeker een verzoek kan indienen om een betalingsregeling te treffen.
2.2.
Verzoeker betoogt dat invordering van de verbeurde dwangsom naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot betalingsonmacht. Hij heeft weinig financiële middelen en heeft slechts een geringe bestedingsruimte. Hij heeft ook onvoldoende financiële draagkracht om een betalingsregeling te treffen met de burgemeester. Van hem kan daarom niet worden gevergd dat hij vooruitlopend op de uitkomst van de bezwaarprocedure betalingen verricht of zich committeert aan een regeling waarvan hij bij voorbaat weet dat hij deze niet kan nakomen. Bovendien zullen de kosten nog verder oplopen als gevolg van de aanmaningen die de burgemeester zal versturen.
2.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker bij het verzoekschrift geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van het spoedeisend belang. De enkele stelling dat hij door het treffen van een betalingsregeling in financiële problemen zal komen is onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen, te meer nu op voorhand niet duidelijk is wat die betalingsregeling zal inhouden. Dat binnen een afzienbare tijd een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan is dan ook niet aannemelijk gemaakt. De conclusie is daarom dat er geen spoedeisend belang is.
3. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. Hiervan is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer ARN 26/2195.
2.Dit volgt uit artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb.