ECLI:NL:RBGEL:2026:5206

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
C/05/468007
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 2 RvArt. 3:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verbod executoriale verkoop woning wegens onbetaalde geldlening

Tussen eiser en gedaagde, de ouders van eiseres, is in 2009 een geldleningsovereenkomst gesloten waarbij gedaagde een bedrag van €85.000 heeft geleend aan eiser. Ter zekerheid is een tweede hypotheek en pandrecht gevestigd op de woning van eiser. Door achterstanden in aflossing en rente heeft gedaagde in 2024 de volledige betaling opgeëist. Na langdurige discussie over de hoogte van de vordering is de executoriale verkoop van de woning aangekondigd voor 23 juni 2026.

Eiser vordert in kort geding de schorsing van deze verkoop, stellende dat het doorzetten disproportioneel is en misbruik van bevoegdheid oplevert, mede vanwege zijn verslechterde gezondheid en de acute noodsituatie voor zijn gezin. Gedaagde verzet zich hiertegen en benadrukt zijn eigen financiële noodzaak en het feit dat hij het geldleningbedrag nodig heeft voor levensonderhoud.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een hypotheekhouder in beginsel vrij is om executoriale verkoop te starten en dat schorsing slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk is bij misbruik van bevoegdheid. Gezien de omstandigheden, het ontbreken van concrete betalingsvoorstellen van eiser en het redelijk belang van gedaagde, is geen sprake van misbruik. De vordering tot schorsing en de dwangsom worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de executoriale verkoop van de woning wordt afgewezen wegens ontbreken van misbruik van bevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/468007 / KG ZA 26-229
Vonnis in kort geding van 19 juni 2026
in de zaak van

1.[eiser 1]

2.
[eiser 2]
wonende te [woonplaats 1]
eisende partijen
hierna samen te noemen: [eiser ] (in mannelijk enkelvoud)
advocaat: mr. M.R. van de Zand
tegen

1.[gedaagde 1]

2.
[gedaagde 2]
wonende te [woonplaats 2]
gedaagde partijen
hierna samen te noemen: [gedaagde ] (in mannelijk enkelvoud)
advocaat: mr. E.R. Chel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 5;
- de nagezonden productie van [gedaagde ] en de brief van 8 juni 2026 waarin mr. Chel om verlenging van de spreektijd heeft verzocht voor zijn waarnemend collega mr. [waarnemend collega] ;
- de mondelinge behandeling van 16 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van (de advocaat van) [eiser ] ;
- de pleitnota van (de advocaat van) [gedaagde ] .
1.2.
Vervolgens is de datum voor het vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen [eiser ] en [gedaagde ] (de ouders van mevrouw [eiser 2] ) is op 7 april 2009 een geldleningsovereenkomst tot stand gekomen, op grond waarvan [gedaagde ] een bedrag van € 85.000 aan [eiser ] heeft geleend.
2.2.
Ter zekerheid van de terugbetaling van de geldlening is bij notariële akte van 7 april 2009 ten gunste van [gedaagde ] een tweede recht van hypotheek en recht van pand
gevestigd op de eigendom van het woonhuis van [eiser ] , staande en gelegen te [postcode] [plaats] , plaatselijk bekend als [adres] , voor een totaalbedrag van € 136.000.
2.3.
[eiser ] heeft een achterstand laten ontstaan in de afbetaling en rentebetaling van de geldlening. In 2024 heeft [gedaagde ] de volledige betaling van de (resterende) geldlening vermeerderd met kosten opgeëist. Partijen zijn in een (langdurige) discussie geraakt over de hoogte van de vordering.
2.4.
Bij brief van 18 maart 2026 van de notaris en daarna bij exploot van 29 april 2026 van de deurwaarder is aan [eiser ] de openbare verkoop van de woning aangezegd en meegedeeld dat de veiling zal plaatsvinden op 23 juni 2026 om 13.30 uur.

3.Het geschil

3.1.
[eiser ] vordert – kort samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om:
1. met (onmiddellijke) ingang van het in dezen te wijzen vonnis, danwel na betekening van dit vonnis, de openbare verkoop van het woonhuis van [eiser ] die gepland staat op dinsdag 23 juni 2026 vanaf 13:30 uur, te schorsen;
en [gedaagde ] te veroordelen aan [eiser ] te betalen:
2) een dwangsom van € 10.000,-, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde ] niet of niet geheel aan het onder 1) genoemde verbod voldoet, met een maximum van
€ 100.000;
3) de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
3.2.
[eiser ] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser ] heeft meermaals aangeboden om een groot deel van de hoofdsom aan [gedaagde ] te betalen of in depot te zetten in afwachting van een onherroepelijk rechterlijke beslissing, maar [gedaagde ] heeft dit afgewezen. Mede gelet op de omstandigheid dat partijen het niet eens zijn over de hoogte van de vordering stelt [eiser ] zich op het standpunt dat het doorzetten van de openbare verkoop disproportioneel is. Daar komt bij dat de gedwongen verkoop van de woning zou leiden tot een acute noodsituatie nu hij voor zijn gezin, waaronder 2 kinderen van 16 en 19 jaar, en zijn huidige gezondheidssituatie niet zomaar een gepaste woonruimte kan vinden en de gezondheidssituatie van [eiser ] door deze situatie is verslechterd. [eiser ] stelt dat het belang van [gedaagde ] bij het doorzetten van de openbare verkoop niet opweegt tegen het belang van [eiser ] dat door de openbare verkoop wordt geschaad. Het doorzetten van de openbare verkoop levert volgens [eiser ] daarom misbruik van bevoegdheid op.
3.3.
[gedaagde ] voert verweer en concludeert primair tot afwijzing van de vordering van [eiser ] .
Voor het geval de voorzieningenrechter enige tijdelijke voorziening aanwezen acht verzoekt [gedaagde ] subsidiair die voorziening te beperken tot een zeer korte aanhouding onder strikte voorwaarden: onmiddellijke betaling van tenminste
€ 110.776,50 subsidiair € 87.700,43, depot, bankgarantie, onvoorwaardelijke financiering of een notarieel afdwingbaar verkooptraject, waarbij [gedaagde ] op zeer korte termijn wordt voldaan. Daarbij verzoekt [gedaagde ] te bepalen dat, indien [eiser ] nalaat daaraan te voldoen de executieveiling zonder nadere rechterlijke tussenkomst mag worden voortgezet. In beide gevallen verzoekt [gedaagde ] [eiser ] te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser ] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
[eiser ] heeft een spoedeisend belang
4.2.
De executoriale verkoop van de woning van [eiser ] staat gepland op 23 juni 2026 om 13.30 uur. Het spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening is daarmee gegeven.
4.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een hypotheekhouder in beginsel vrij is om te bepalen op welk moment hij tot executoriale verkoop overgaat. Voor (een veroordeling tot) het schorsen van de executie als bedoeld in artikel 438 lid 2 Rv Pro is slechts plaats in zeer uitzonderlijke gevallen, te weten in gevallen waarin sprake is van misbruik van bevoegdheid. Op grond van artikel 3:13 BW Pro kan misbruik van bevoegdheid onder meer worden aangenomen als de hypotheekhouder geen redelijk in rechte te respecteren belang heeft bij parate executie, mede gelet op de belangen aan de zijde van de schuldenaar die door de executie zullen worden geschaad. Dat laatste kan zich bijvoorbeeld voordoen als er door de executie geen uitzicht bestaat op ook maar een gedeeltelijke voldoening van de schuld, als door de executie aan de zijde van de schuldenaar een noodtoestand zou ontstaan, of als de schuldenaar een betalingsregeling heeft voorgesteld die leidt tot het inlopen van de ontstane betalingsachterstand binnen een redelijke termijn, terwijl hij ook voldoet aan de lopende betalingsverplichting jegens de hypotheekhouder. [eiser ] doet hier een beroep op.
Geen sprake van misbruik van bevoegdheid
4.4.
[gedaagde ] heeft ter zitting aangegeven dat hij zijn spaargeld heeft aangewend om de geldlening aan [eiser ] te verstrekken. De afgesproken termijnen waren voorzien als aanvulling op het (pre)pensioen van [gedaagde ] . [gedaagde ] heeft het geld zelf weer nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarnaast heeft [gedaagde ] nog drie kinderen en wil hij deze situatie graag opgelost zien, alvorens hem en zijn vrouw iets mocht overkomen.
4.5.
[eiser ] erkent dat hij een achterstand heeft laten ontstaan in de terugbetaling in het kader van de geldleningsovereenkomst. [eiser ] heeft uitgelegd dat op het moment dat hij, in verband met zijn verslechterde gezondheid, in de ziektewet kwam, het voldoen aan deze betalingsverplichting moeilijk werd. Tussen partijen staat niet ter discussie dat, vanaf het moment dat [eiser ] gezondheidsproblemen kreeg, [gedaagde ] minder actief is gaan aandringen op betaling van de geldlening. Uit de stellingen van [gedaagde ] leidt de voorzieningenrechter af dat [gedaagde ] bij zijn beslissing om vast te houden aan de geplande executieverkoop op 23 juni 2026 ook niet over één nacht ijs is gegaan. Integendeel, voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde ] sinds 2024 bereid was mee te werken aan mogelijke oplossingen. [eiser ] heeft vele kansen gehad om de executieverkoop te voorkomen en zorg te dragen voor betaling van (een substantieel deel van) de lening. Weliswaar heeft [eiser ] meerdere malen aan [gedaagde ] voorgesteld dat hij een substantieel bedrag kon betalen, maar hij heeft hier nimmer daadwerkelijk uitvoering aan gegeven. Dat partijen het niet eens zijn over de hoogte van de vordering, laat onverlet dat [eiser ] in ieder geval het niet betwiste deel van de vordering aan [gedaagde ] had kunnen betalen, en dit betreft hoe dan ook een aanzienlijk bedrag, tenminste € 87.700,00 volgens de eigen stelling van [eiser ] , vanaf 2025 nog te vermeerderen met rente. Daarvoor had [eiser ] geen toestemming nodig van [gedaagde ] en behoeft ook geen bodemprocedure afgewacht te worden voor het vaststellen van de hoogte van de vordering. De stelling dat [gedaagde ] de voorstellen steeds afwees, leidt niet tot de conclusie dat [gedaagde ] , door over te willen gaan tot openbare verkoop, misbruik zou maken van zijn bevoegdheid.
4.6.
Met de verwachte opbrengst van de executoriale verkoop zal de vordering van [gedaagde ] naar verwachting kunnen worden voldaan. Dat een woning bij een executieverkoop meestal minder oplevert dan bij een gewone verkoop, zoals [eiser ] stelt, is op zichzelf geen reden om de executie tegen te houden. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [eiser ] genoodzaakt is om na de executieverkoop van de woning elders te gaan wonen, terwijl hij nog geen zicht heeft op een andere woning. [eiser ] weet in ieder geval sinds 18 maart 2026 dat [gedaagde ] tot executoriale verkoop van de woning wenst over te gaan. Sindsdien heeft [eiser ] geen betaling verricht en is ook niet dan wel onvoldoende gebleken dat [eiser ] heeft geprobeerd om de woning zelf te verkopen of dat hij op zoek is gegaan naar vervangende woonruimte. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de noodsituatie waarop [eiser ] een beroep het gevolg is van de omstandigheid dat [eiser ] geen dan wel onvoldoende concrete maatregelen heeft genomen, dan dat [gedaagde ] gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om de woning te verkopen.
4.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde ] een redelijk in rechte te respecteren belang heeft bij de executieveiling en dat bij deze stand van zaken niet (langer) van hem gevergd kan worden om die veilig aan op te schorten. De belangen van [eiser ] , die door de openbare verkoop worden geschaad, wegen in de gegeven omstandigheden niet op tegen het zwaarwegende belang van [gedaagde ] als hypotheekhouder om over te gaan tot verkoop. Van misbruik van recht is geen sprake. Aangezien [eiser ] geen concreet en onderbouwd financieel plan heeft overgelegd, wordt evenmin aanleiding gezien om hem enig uitstel te verlenen.
Conclusie
4.8.
De conclusie is dat het niet aannemelijk is dat een bodemrechter zal oordelen dat [gedaagde ] misbruik van zijn bevoegdheid maakt door zijn recht van parate executie te gaan uitoefenen door de woning te gaan veilen. Daarom wordt de vordering tot het schorsen van de openbare verkoop afgewezen.
4.9.
De meegevorderde dwangsom wordt eveneens afgewezen nu die met de hoofdvordering samenhangt.
4.10.
[eiser ] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde ] worden begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
760,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.290,00
4.11.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vordering van [eiser ] af;
5.2.
veroordeelt [eiser ] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.290,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met wettelijke rente na afloop van die termijn en met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser ] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
19 juni 2026.
1493 \ 734