ECLI:NL:RBGEL:2026:5207

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
AWB – 24 _ 6306
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Besluit zorgverzekeringWet langdurige zorgZorgverzekeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ingangsdatum zorg en eigen bijdrage Wet langdurige zorg

Eiseres is op 15 december 2023 opgenomen in een herstelcentrum en heeft vanaf die datum recht op zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), zoals vastgesteld in het indicatiebesluit van 22 december 2023. Het CAK heeft op basis van gegevens van het zorgkantoor de eigen bijdrage vastgesteld voor de periode van 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024.

Eiseres betwist dat zij vanaf 15 december 2023 Wlz-zorg heeft ontvangen en stelt dat de zorg tot 22 januari 2024 onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) viel, waardoor zij in die periode geen eigen bijdrage op grond van de Wlz verschuldigd zou zijn. De rechtbank overweegt dat de wetgever een duidelijke afbakening tussen Wlz en Zvw heeft beoogd om dubbele dekking te voorkomen, waarbij de Wlz voorrang heeft.

Het CAK mag volgens vaste rechtspraak uitgaan van de door het zorgkantoor verstrekte gegevens, tenzij sprake is van een kennelijke fout. Eiseres heeft onvoldoende gemotiveerd dat het zorgkantoor een fout heeft gemaakt. De rechtbank volgt de redenering van eiseres dat het verblijf in het herstelcentrum een tijdelijke situatie was en daarom niet onder de Wlz valt niet. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiseres is vanaf 15 december 2023 een eigen bijdrage op grond van de Wlz verschuldigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiseres vanaf 15 december 2023 een eigen bijdrage op grond van de Wlz verschuldigd is.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6306

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: J.J. Timmermans),
en

het CAK

(gemachtigde: mr. S.J.Y Römer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de aan eiseres verleende zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiseres is het niet eens de ingangsdatum waar het CAK van uitgaat. Zij heeft beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CAK uit heeft mogen gaan van de zorggegevens, die door het zorgkantoor zijn doorgegeven. Het beroep is daarom ongegrond en eiseres krijgt daarom geen gelijk. Dit betekent dat de zorggegevens en de eigen bijdrage niet veranderen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de factuur van het CAK waarbij een eigen bijdrage in rekening is gebracht voor zorg die aan eiseres is verleend op grond van de Wlz. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft het CAK de zorggegevens gecontroleerd. Met het besluit 16 april 2024 heeft het CAK besloten de zorggegevens niet aan te passen. Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het CAK bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het CAK heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CAK.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eiseres is op 15 december 2023 opgenomen in het [herstelcentrum] te [vestigingsplaats 1] (het Herstelcentrum). Op 18 december 2023 is voor eiseres zorg op grond van de Wlz aangevraagd. Met het indicatiebesluit van 22 december 2023 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) bepaald dat eiseres per 15 december 2023 recht heeft op zorg op grond van de Wlz. Op 23 januari 2024 is eiseres overgebracht naar woonzorglocatie [woonzorglocatie] in [vestigingsplaats 2] ( [woonzorglocatie] ).
4. Met het besluit van 2 februari 2024 heeft het CAK de (lage) eigen bijdrage van eiseres voor zorg in de vorm van een Wlz-verblijf voor de periode van 15 december 2023 tot en met 31 december 2023 vastgesteld op € 500,74 per (hele) maand. Daarnaast is de (lage) eigen bijdrage voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 22 januari 2024 vastgesteld op € 718,56. Vanaf 23 januari 2024 heeft eiseres zorg in de vorm van een volledig pakket thuis (vpt) ontvangen.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
5. Met het besluit van 16 april 2024 heeft het CAK besloten de zorggegevens niet aan te passen. Het CAK krijgt de zorggegevens van het zorgkantoor. Dat heeft aan het CAK doorgegeven dat er vanaf 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 sprake is van een verblijf in een zorginstelling. Vanaf 23 januari 2024 is sprake van een vpt.
Het zorgkantoor heeft desgevraagd de zorggegevens gecontroleerd. Het zorgkantoor heeft op zijn beurt contact op genomen met de zorgaanbieder, die heeft bevestigd dat vanaf 15 december 2023 zorg is verleend op grond van de Wlz. Het CAK kan daarom de gegevens niet aanpassen in zijn administratie. Eiseres is dus vanaf 15 december 2023 een eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wlz verschuldigd.
5.1.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Heeft eiseres in de periode van 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 Wlz-zorg ontvangen en is zij (daarom) vanaf die datum een eigen bijdrage onder de Wlz verschuldigd?
6. In geschil is of eiseres in de periode 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 zorg op grond van de Wlz heeft ontvangen en zij (daarom) een eigen bijdrage op grond van die wet is verschuldigd.
6.1.
Eiseres heeft – kort gezegd – aangevoerd dat zij (pas) vanaf 23 januari 2024 Wlz-zorg heeft ontvangen. Het verblijf in het Herstelcentrum van 15 december 2023 tot en met 22 januari was op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw), zodat zij in die periode geen eigen bijdrage verschuldigd is in het kader van de Wlz.
6.2.
Het CAK heeft – kort gezegd – aangevoerd dat het vaste rechtspraak is dat zij in beginsel uit mag gaan van de zorggegevens die het zorgkantoor heeft verstrekt over de geleverde zorg, tenzij uit een gemotiveerde betwisting blijkt dat de gegevens kennelijk onjuist zijn. Eiseres heeft geen bewijsstukken aangeleverd, waaruit volgt dat de gegevens van het zorgkantoor kennelijk fout zijn.
6.3.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6.4.
De wetgever heeft van belang geacht dat er een duidelijke afbakening tussen de Wlz en de Zvw is, om te voorkomen dat bepaalde zorg voor één persoon dubbel gedekt is. Daarom zijn in de Wlz en (artikel 2.1 van) het Besluit zorgverzekering (Bzv) voorrangsregels vastgelegd. De hoofdregel is dat voor zover iemand op grond van de Wlz recht heeft op bepaalde zorg, dat recht niet ook bestaat op grond van de Zvw. De Wlz is daarmee voorliggend op de Zvw. Deze bedoeling van de wetgever blijkt uit de memorie van toelichting. [1]
6.5.
Het CAK mag op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij de vaststelling van de eigen bijdrage in beginsel uitgaan van de door het zorgkantoor verstrekte gegevens. [2] Als eiseres echter gemotiveerd stelt dat sprake is van een kennelijke fout van het zorgkantoor, dan ligt het op de weg van het CAK om vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid te onderzoeken of het zorgkantoor op goede gronden heeft geconcludeerd dat betrokkene zorg heeft ontvangen onder de Wlz. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat sprake is van een kennelijke fout van het zorgkantoor.
De enkele verwijzing naar eerder verkeerd door het zorgkantoor genoteerde gegevens is daartoe onvoldoende.
Uit het indicatiebesluit volgt dat eiseres met ingang van 15 december 2023 recht heeft op zorg op grond van de Wlz. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit artikel 2.1 van het Bzv dat voor zover iemand op grond van de Wlz recht heeft op bepaalde zorg, dat recht niet ook bestaat op grond van de Zvw.
Tijdens de zitting is door de gemachtigde van eiseres nog benadrukt dat eiseres in het Herstelcentrum was opgenomen om te herstellen, dat daarom sprake was van een tijdelijke situatie en dat de Wlz dan niet van toepassing is. Deze redenering wordt door de rechtbank niet gevolgd. Gelet op het indicatiebesluit moet ervan uitgegaan worden dat eiseres vanaf 15 december 2023 zorg op grond van de Wlz heeft ontvangen. Indien eiseres het niet eens was geweest met de ingangsdatum van het indicatiebesluit had zij daartegen bezwaar moeten maken.
De beroepsgronden slagen niet.
6.6.
Uit het voorgaande volgt dat eiseres vanaf 15 december 2023 een eigen bijdrage op grond van de Wlz is verschuldigd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat het CAK terecht de zorggegevens niet heeft aangepast. Een gevolg daarvan is dat eiseres in de periode van 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 een eigen bijdrage verschuldigd is op grond van de Wlz. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Er bestaat ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2013-2014, 33891, nr. 3, blz. 73.
2.Zie de uitspraken van het CRvB van 29 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1869 en 26 februari 2020,