ECLI:NL:RBGEL:2026:526

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
11960244
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Concurrentiebeding verloren gelding door functiewijziging van monteur naar projectleider

In deze zaak staat de rechtsgeldigheid van een concurrentiebeding centraal, nadat werknemer is gepromoveerd van monteur buitendienst naar projectleider. De kantonrechter oordeelt dat deze functiewijziging een ingrijpende en niet voorzienbare wijziging van de arbeidsverhouding betreft.

Het concurrentiebeding, oorspronkelijk overeengekomen in 1993, is daardoor aanmerkelijk zwaarder gaan drukken op werknemer, omdat het nu ook betrekking heeft op een veelomvattender en leidinggevende functie. Dit had tot gevolg dat het beding opnieuw schriftelijk had moeten worden overeengekomen, wat niet is gebeurd. De brief uit 2024 waarin de arbeidsovereenkomst werd aangepast, betrof slechts een wijziging van het aantal werkuren en bevestigde het concurrentiebeding niet voor de nieuwe functie.

De kantonrechter wijst de gevorderde schorsing van het concurrentiebeding toe en veroordeelt werkgever tot betaling van het loon en bijkomende vergoedingen die onterecht zijn ingehouden. De vorderingen van werkgever tot inzage in bescheiden en dwangsommen worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan feitelijke grondslag voor onrechtmatig handelen van werknemer.

De proceskosten worden werkgever opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door kantonrechter L.J.P. Lambooij op 14 januari 2026.

Uitkomst: Het concurrentiebeding wordt geschorst wegens functiewijziging, loon wordt aan werknemer betaald en vorderingen van werkgever worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11960244 \ VV EXPL 25-80
Vonnis in kort geding van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser in conventie],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. [gemachtigde] ,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BERKI BRANDBEVEILIGING B.V.,
statutair gevestigd te Wijchen,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Berki,
gemachtigde: mr. [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 november 2025 met producties 1 t/m 10
- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 t/m 13
- producties 14 t/m 16 van 12 december 2025 van Berki.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 december 2025, waarbij partijen aan de hand van spreekaantekeningen het woord hebben gevoerd. Ter zitting heeft Berki haar eis vermeerderd. Van wat partijen verder hebben verklaard, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Vervolgens is bepaald dat een vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is op 16 augustus 1993 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Berki in de functie van monteur buitendienst voor 40 uur per week.
2.2.
In artikel 7 van Pro de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst staat het volgende:

Artikel 7. Concurrentiebeding
De werknemer zal zonder schriftelijke toestemming van werkgever gedurende de arbeidsovereenkomst en na het einde hiervan gedurende een tijdvak van 5 jaar, niet in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van werkgever vestigen, drijven, of mede drijven of doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, als ook financieel in welke vorm ook bij een dergelijke zaak belang hebben, daarin of daarvoor op enigerlei werkzaam zijn, al dan niet in de dienstbetrekking hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin aandeel hebben binnen een straal van 100 km waar werkgever gevestigd is, zulks op verbeurde van een direct opeisbare boete van f 20.000 per gebeurtenis en tevens f 500 per iedere dag dat hij in overtreding is, te betalen aan werkgever onverminderd het recht van werkgever om volledige schadevergoeding te vragen.”
2.3.
[eiser] werd per 1 januari 2013 benoemd als projectleider (manager projects) bij Berki.
2.4.
Partijen hebben op 5 januari 2024 de arbeidsovereenkomst aangepast en dit schriftelijk vastgelegd in een door [eiser] voor akkoord ondertekende brief van die datum (productie 3 conclusie van antwoord):
“(…)
Met u is overeen gekomen, dat uw huidige arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd welke is afgesloten voor een werkweek van 40 uur op d.d. 16-08-1993 wordt omgezet per 01-01-2024 naar een 36-urige werkweek.
Alle overige omschrijvingen, condities en overige voorwaarden zoals overeengekomen in uw huidige functie, en huidig geldende Huishoudelijk reglement blijven gelijk, echter nu gebaseerd op een 36-urige werkweek. (…)”
2.5.
Het maandloon van [eiser] bedroeg nadien laatstelijk € 3.746,99 bruto op basis van 36 uur per week.
2.6.
Nadat Berki het bedrijf per 1 oktober 2024 aan Smeba had verkocht, werd aan [eiser] mondeling medegedeeld dat hij met ingang van 1 oktober 2024 niet langer werkzaam zou zijn als projectleider met uitzondering van twee lopende projecten die [eiser] nog zou begeleiden tot het einde, te weten rond april 2025 en circa 19 juni 2025.
2.7.
[eiser] heeft in de periode van 1 tot en met 4 september 2025 gemaild met contacten/klanten van Berki:
- op 1 september 2025 aan een leverancier (ANPI Inspections NL) van Berki:
“(…)Nog een ander punt, per 1 oktober 2025 ben ik niet meer werkzaam bij deze firma en zal bij mijn nieuwe werkgever de klant [bedrijf] weer oppakken. Dankjewel voor de samenwerking (…)”
- op 3 september 2025 aan [bedrijf] B.V.:
“Bedankt voor de fijne samenwerking en de wereld blijft klein. We spreken elkaar nog wel een keer.”
- op 4 september 2025 aan CWZ ziekenhuis:
“(…)
Ik had begrepen dat [naam] graag mijn nieuwe gegevens wilt hebben ivm de voortgang van het onderhoud. Ik ga per 1 okt starten bij een brandbeveiligings bedrijf in Nijmegen, dus wie weet.”
2.8.
[eiser] heeft op 28 augustus 2025 zijn dienstverband bij Berki met ingang van
1 oktober 2025 per e-mail opgezegd en is per die datum in dienst getreden bij Safe Control B.V., een concurrent van Berki (hierna te noemen: Safe Control).
2.9.
Bij e-mail van 19 september 2025 heeft Berki [eiser] verzocht zich aan het concurrentiebeding te houden.
2.10.
Berki heeft het loon van september 2025 en de eindafrekening niet aan [eiser] uitbetaald.
2.11.
De gemachtigde van [eiser] heeft daarop bij brief van 14 oktober 2025 Berki gesommeerd schriftelijke toestemming te verlenen om per 1 oktober 2025 in dienst te treden bij Safe Control in de functie van projectleider en haar gesommeerd tot betaling van loon, vakantiegeld en niet genoten vakantie uren (productie 4 dagvaarding).
2.12.
Berki heeft op 10 december 2025 conservatoir bewijsbeslag gelegd op bescheiden van [eiser] .

3.De vordering en het verweer in conventie

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. het concurrentiebeding tussen partijen met onmiddellijke ingang te schorsen, met dien verstande dat het [eiser] wordt toegestaan met onmiddellijke ingang werkzaam te zijn bij Safe Control B.V. in de functie van projectleider;
II. de veroordeling van Berki tot betaling van:
a) van het netto equivalent van het bruto maandloon van september 2025 van
€ 3.746,99 en de bonus van € 45,00 bruto, de stand-by-vergoeding van
€ 45,00 bruto, uitbetaalde uren groep 4 van € 1.747,46 bruto en vakantiegeld van € 796,99 bruto;
b) de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro van 50% over de voornoemde bedragen;
c) de buitengerechtelijke incassokosten van € 43,31 conform Rapport Voorwerk II;
d) de wettelijke rente over het onder a t/m c gevorderde vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag van algehele betaling;
e) de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen primair ten grondslag dat het concurrentiebeding niet rechtsgeldig is, omdat hij met Berki niet opnieuw een schriftelijk concurrentiebeding is overeengekomen voor de functie van projectleider. Subsidiair stelt [eiser] , indien wel sprake mocht zijn van een geldig concurrentiebeding, dat hij het beding niet heeft overtreden. Er is sprake van oneigenlijk gebruik van het concurrentiebeding door Berki, aangezien zij daarmee [eiser] probeert te beletten bij haar te vertrekken. Verder heeft Berki geen zwaarwegend bedrijfsbelang bij het concurrentiebeding, nu er geen oneerlijke concurrentie is. [eiser] beschikt bovendien niet over vertrouwelijke concurrentiegevoelige bedrijfsinformatie.
3.3.
Berki voert verweer. Zij concludeert verder tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van hem in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De vordering en het verweer in reconventie

4.1.
Berki vordert, na eisvermeerdering ter zitting, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eiser] te bevelen, al dan niet middels de daartoe reeds aangestelde derde, aan Berki inzage te geven in en een afschrift te verschaffen van de bescheiden, zoals gespecificeerd in het verzoekschrift tot beslaglegging van Berki, waarop Berki op grond van het aan haar op 24 november 2025 verleende verlof reeds beslag heeft gelegd, althans de door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bescheiden;
II. [eiser] een direct opeisbare dwangsom op te leggen ter hoogte van € 1.000,00 per dag dat hij niet voldoet aan het bevel tot inzage;
III. [eiser] te bevelen zijn schending van het concurrentiebeding en/of onrechtmatige handelen te beëindigen door de arbeidsverhouding met Safe Control en de eventuele zakelijke relaties met (voormalige) klanten van Berki te beëindigen;
IV. [eiser] een dwangsom op te leggen van € 1.000,00 per dag dat hij zijn onrechtmatige handelen jegens Berki voortzet;
V. [eiser] te veroordelen tot het betalen van (een voorschot op) de door overtreding van het concurrentiebeding verbeurde boete van € 25.000,00 dan wel hem te veroordelen tot het betalen van (een voorschot op) een schadevergoeding ter hoogte van ditzelfde bedrag wegens zijn onrechtmatige handelen;
VI. [eiser] te veroordelen in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het verschijnen van het vonnis;
VII. [eiser] te veroordelen tot het betalen van (een voorschot op) een schadevergoeding voor de als gevolg van de beslaglegging door Berki geleden schade van € 15.000,00.
4.2.
Berki legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Het concurrentiebeding is volgens haar wel rechtsgeldig. [eiser] overtreedt het concurrentiebeding door eenzelfde, concurrentiegevoelige functie uit te oefenen bij concurrent Safe Control en is daarom een boete aan Berki verschuldigd. Het concurrentiebeding stamt weliswaar uit een oudere arbeidsovereenkomst, maar dat doet geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid daarvan. Bovendien heeft [eiser] de tussen hem en Berki geldende afspraken, waaronder het concurrentiebeding, in 2024 schriftelijk herbevestigd. Berki heeft bovendien concrete aanwijzingen dat [eiser] en Safe Control haar oneerlijk beconcurreren, doordat [eiser] geheime bedrijfsinformatie gebruikte en deze met Safe Control deelde. Dit blijkt onder meer uit de door [eiser] gestuurde e-mails aan meerdere klanten van Berki kort voor zijn uitdiensttreding en de daaropvolgende onverwachte opzeggingen van klanten die door [eiser] werden bediend. Het is daardoor voor Berki noodzakelijk geweest om beslag te leggen op de communicatie daarover tussen [eiser] en Safe Control. Zij heeft hiervoor beslagkosten gemaakt, die voor rekening van [eiser] dienen te komen.
4.3.
[eiser] voert verweer. Hij concludeert verder tot niet-ontvankelijkheid van Berki, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Berki, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van haar in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

5.1.
Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze, voor zover mogelijk, gezamenlijk.
Spoedeisend belang
5.2.
Zowel [eiser] als Berki hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen. Aangezien het gaat om een concurrentiebeding en om een bevel tot inzage in en afschrift van bescheiden, is het spoedeisend belang gegeven met de aard van de vorderingen.
Toetsingskader
5.3.
In dit kort geding moet, op basis van de processtukken en dat wat tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, worden beoordeeld of het in deze zaak aannemelijk is dat de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat, vooruitlopend daarop, toewijzing van de vorderingen in dit kort geding is gerechtvaardigd. De kantonrechter moet in deze zaak dus beoordelen of het voldoende aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure wordt bepaald dat het concurrentiebeding geen werking (meer) heeft of dat het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk zal worden vernietigd.
5.4.
Vooropgesteld wordt dat een concurrentiebeding bedoeld is om het bedrijfsdebiet (de opgebouwde knowhow en goodwill) van de werkgever te beschermen. Het beding is niet bedoeld om werknemers te binden, of om te bewerkstelligen dat een werknemer pas na betaling van een vergoeding kan vertrekken. Het enkele feit dat een werknemer in de uitoefening van zijn functie kennis en ervaring heeft opgedaan, betekent nog niet dat de werkgever bij het vertrek van die werknemer, ook niet bij vertrek naar een concurrent, in zijn bedrijfsdebiet wordt aangetast op zodanige wijze dat dit bescherming verdient. Dat een werknemer bij zijn vertrek kennis en ervaring die is opgedaan bij zijn werkgever meeneemt, is immers inherent aan zijn vertrek.
De rechtsgeldigheid van het concurrentiebeding
5.5.
Tussen partijen staat vast dat het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst van 16 augustus 1993 op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen.
5.6.
Om de rechtsgeldigheid van een concurrentiebeding aan te tasten moet voldaan zijn aan twee afzonderlijke criteria. Allereerst moet getoetst worden of sprake is van een ingrijpende, niet voorzienbare wijziging van de arbeidsverhouding (I). Vervolgens moet worden beoordeeld of vanwege deze ingrijpende wijziging het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken (II). [1]
Is er sprake van een ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding?
5.7.
[eiser] stelt dat zijn benoeming tot projectleider in 2013 een ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding inhield. Berki heeft bij antwoord aangevoerd dat [eiser] altijd een vergelijkbare functie heeft uitgeoefend, met vergelijkbare taken en verantwoordelijkheden. Ter zitting heeft zij vervolgens bevestigd dat tussen de functies monteur buitendienst en projectleider de nodige verschillen bestaan, maar zij is van mening dat er geen sprake is van een ingrijpende functiewijziging.
5.8.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat wel sprake is van een ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding. De overgang van monteur buitendienst naar die van projectleider is een verschuiving van een uitvoerende, technische functie, waarbij [eiser] uitgezonden werd naar klantlocaties voor installatie-/reparatiewerkzaamheden, naar een leidinggevende functie, waarbij hij – naar hij onbetwist naar voren heeft gebracht – bij (mogelijke) nieuwe projecten samen met de directie van Berki de eerste gesprekken met een klant voerde, het aanspreekpunt werd voor klanten en contact onderhield met leveranciers, projecten begeleidde, onderaannemers inhuurde en eindverantwoordelijkheid had voor voltooiing van een project. Dat is naar inhoud en verantwoordelijkheid zonder meer een ingrijpende wijziging te noemen. Deze ontwikkeling acht de kantonrechter niet bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst op 16 augustus 1993 en het aanvaarden van het concurrentiebeding voorzienbaar, nu het niet in de gebruikelijke lijn der verwachtingen ligt dat een monteur buitendienst projectleider wordt. Daarbij wordt meegewogen dat [eiser] onweersproken heeft gesteld dat hij als enige van alle monteurs is gepromoveerd tot projectleider. Er is daarom sprake van een niet voorzienbare ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding.
Is het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder gaan drukken?
5.9.
Uit de ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding mag niet zonder meer worden afgeleid dat het concurrentiebeding daardoor zwaarder is gaan drukken. Voor het antwoord op de vraag of een concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken, dient de situatie zoals die bestond bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst vergeleken te worden met het moment waarop bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een beroep op het concurrentiebeding wordt gedaan.
5.10.
Centraal staat de vraag of, en zo ja in hoeverre en in welke mate, [eiser] bij beëindiging van het dienstverband, bij handhaving van het concurrentiebeding wordt belemmerd een nieuwe, gelijkwaardige werkkring te vinden. Toen het concurrentiebeding werd aangegaan, belemmerde dit beding [eiser] slechts als monteur bij een concurrent te gaan werken. Nu hij per 1 januari 2013 is opgeklommen tot projectleider belemmert het concurrentiebeding hem feitelijk meer dan voorheen, doordat de werkzaamheden die [eiser] als projectleider verrichtte veel meer omvatten dan de werkzaamheden die hij verrichtte als monteur buitendienst en het beding dus op veel meer werkzaamheden is gaan zien. De kantonrechter acht het daarom voldoende aangetoond dat [eiser] , meer dan het geval zou zijn geweest indien geen functiewijziging had plaatsgevonden, door handhaving van het concurrentiebeding belemmerd wordt in het vinden van een gelijkwaardige werkkring, met bijbehorende taken en bevoegdheden, status en verdienmogelijkheden als hij laatstelijk had bij Berki. De slotsom is dat het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Dit betekent dat het concurrentiebeding op enig moment, ten gevolge van de functiewijziging naar projectleider per 1 januari 2013 opnieuw schriftelijk overeengekomen had moeten worden om zijn geldigheid volledig te behouden, wat niet is gebeurd.
5.11.
Berki heeft tegen die achtergrond verder (vergeefs) aangevoerd dat partijen op
5 januari 2024 de uit de arbeidsovereenkomst van 16 augustus 1993 voortvloeiende voorwaarden en verplichtingen hebben herbevestigd. De kantonrechter kan haar daarin niet volgen. In de door [eiser] voor akkoord getekende brief staat centraal dat het aantal werkuren van [eiser] wordt aangepast van 40 naar 36, waarbij voor het overige simpelweg verwezen wordt naar de voorwaarden uit de eerdere arbeidsovereenkomst. Die overeenkomst had echter betrekking op de functie van monteur buitendienst. Er is geen aandacht besteed aan het feit dat [eiser] (al sinds 2013) werkzaam was in de – zoals hiervoor is vastgesteld – wezenlijk andere functie van projectleider. Het enkele gebruik van de woorden ‘huidige functie’ maakt dat niet anders, gezien de uitdrukkelijke verwijzing naar de op 16 augustus 1993 gesloten arbeidsovereenkomst. De brief van 5 januari 2024 kan dan ook niet worden gezien als het (alsnog) overeenkomen van het concurrentiebeding voor de functie van projectleider.
5.12.
Nu voorshands moet worden geoordeeld dat het zozeer aannemelijk is dat in een (eventuele) bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het concurrentiebeding zijn gelding heeft verloren, acht de kantonrechter het aangewezen om de gevorderde schorsing daarvan in deze procedure toe te wijzen.
Geldelijke vorderingen
5.13.
Nu het concurrentiebeding zijn gelding heeft verloren, had Berki het loon over september 2025 en de eindafrekening niet mogen verrekenen met de boetes uit het concurrentiebeding. De vorderingen onder a, b en d genoemd in onderdeel II worden dan ook als gevorderd toegewezen.
5.14.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal - worden afgewezen. [eiser] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
Proceskosten in conventie
5.15.
Berki is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.354,04
Eis in reconventie
5.16.
Gelet op het oordeel in conventie zullen de vorderingen van Berki onder III t/m V worden afgewezen.
5.17.
Het gevorderde bevel tot inzage in en een afschrift te verschaffen van de bescheiden en de daaraan gekoppelde dwangsom zullen worden afgewezen. Berki heeft onvoldoende onderbouwd dat daartoe voldoende grond bestaat. Gelet op wat hiervoor is overwogen is van schending van een concurrentiebeding geen sprake. Voor de stelling dat [eiser] , los daarvan, onrechtmatig handelt jegens Berki door bedrijfsgeheimen mee te nemen en deze aan te wenden ten behoeve van concurrerende activiteiten bij Safe Control, wordt voorts onvoldoende feitelijke grondslag gezien. De verwijzing naar de onder 2.7 genoemde e-mailberichten en enkele (kennelijk) onverwachte opzeggingen is daarvoor niet toereikend. Mede gelet daarop is niet gebleken dat Berki voldoende belang heeft bij de gevraagde inzage.
Proceskosten in reconventie
5.18.
Berki is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
407,00
(factor 0,5 × 814,00)
Totaal
407,00

6.De beslissing

De kantonrechter
rechtdoende als voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
schorst met ingang van heden het concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 7 van Pro de op 16 augustus 1993 tussen partijen tot stand gekomen arbeidsovereenkomst,
6.2.
veroordeelt Berki om aan [eiser] te betalen het netto equivalent van het bruto maandloon van september 2025 van € 3.746,99, de bonus van € 45,00 bruto, de stand-by-vergoeding van € 45,00 bruto, de uitbetaalde uren groep 4 van € 1.747,46 bruto en het vakantiegeld van € 796,99 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het opeisbaar worden van de voornoemde bedragen tot de dag van algehele betaling,
6.3.
veroordeelt Berki in de proceskosten van € 1.354,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.5.
veroordeelt Berki in de proceskosten van € 407,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
6.6.
veroordeelt Berki tot betaling van de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
46409/53331

Voetnoten

1.Hoge Raad 5 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2224.