ECLI:NL:RBGEL:2026:5281

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
C/05/462712
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 lid 3 BWArt. 4:78 BWArt. 4:144 BWArt. 4:145 lid 2 BWArt. 4:149 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid incident in erfrechtelijke procedure over legitieme portie

In deze civiele erfrechtelijke procedure vordert de eiser, een erfgenaam, haar legitieme portie uit de nalatenschap van de overleden erflaatster. De gedaagde, tevens erfgenaam en executeur, stelt in een incident dat de eiser niet-ontvankelijk is omdat hij zijn taken als executeur heeft afgerond en de eiser zich tot alle erfgenamen moet wenden.

De rechtbank oordeelt dat de executeur zijn beheerstaak nog niet heeft beëindigd, mede omdat hij dit niet heeft medegedeeld aan de erfgenamen en uit een recente mail blijkt dat hij zich nog als executeur beschouwt. Hierdoor is de eiser terecht in haar vorderingen tegen de executeur in die hoedanigheid.

De stellingen dat de eiser geen belang heeft bij haar vordering of dat zij zelf de stukken kan opvragen, raken niet aan haar ontvankelijkheid maar aan de beoordeling van de vordering zelf. De rechtbank wijst de incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid af en compenseert de proceskosten tussen partijen. De hoofdzaak wordt aangehouden en op een later moment behandeld.

Uitkomst: De rechtbank wijst de incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid af en bepaalt dat de executeur zijn taak nog niet heeft beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/462712 / HZ ZA 26-37
Vonnis in incident van 3 juni 2026
in de zaak van
[naam eiser in hoofdzaak],
te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. F.C. Hilderink,
tegen
[naam gedaagde in hoofdzaak],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident.
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. N. van de Gevel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid tevens conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke eis in reconventie
- de conclusie van antwoord in incident.

2.De feiten in het incident

2.1.
[de eiser] en [de gedaagde] zijn zus en broer en beiden voor een derde erfgenamen in de nalatenschap van mevrouw [naam erflaatster] , overleden op [overlijdensdatum] (hierna te noemen: “erflaatster”).
2.2.
De broer van partijen, de heer [naam broer] , is (voor)overleden op
26 juni 2024. Zijn acht kinderen zijn tezamen voor een derde erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster.
2.3.
[de gedaagde] is bij leven van erflaatster via haar levenstestament van 16 april 2010 gevolmachtigd om haar zaken te behartigen. Bij testament van 16 april 2010 is [de gedaagde] benoemd als executeur. Hij heeft deze positie aanvaard.
2.4.
[de eiser] heeft bij dagvaarding een beroep gedaan op haar legitieme portie.

3.Het geschil in het incident

3.1.
[de gedaagde] heeft een incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] in al haar vorderingen ingesteld, met veroordeling van [de eiser] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis, dan wel te bepalen dat de door [de gedaagde] gemaakte proceskosten ten laste komen van de nalatenschap.
3.2.
[de eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [de gedaagde] in het incident tot niet-ontvankelijkheid, althans de vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [de gedaagde] in privé in de proceskosten van het incident, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na dagtekening van dit vonnis.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
[de gedaagde] stelt dat [de eiser] hem ten onrechte in hoedanigheid van executeur heeft gedagvaard omdat hij zijn taken als executeur heeft afgerond. [de eiser] dient zich volgens [de gedaagde] tot alle erfgenamen te wenden. Daarnaast stelt [de gedaagde] dat [de eiser] als erfgenaam zelf over alle gevorderde stukken kan beschikken en bestaat er geen juridische procedure om de stukken via een dagvaardingsprocedure op te vragen, dan wel heeft [de eiser] geen belang meer bij haar vordering.
4.2.
[de eiser] betwist dat [de gedaagde] zijn taken als executeur heeft volbracht en daardoor niet meer als executeur kan worden aangesproken. Verder betwist zij dat zij van rechtswege over alle stukken kan beschikken en voert zij als wettelijke grondslag voor haar stukkenvordering artikel 3:166 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 4:78 BW Pro aan.
[de eiser] is ontvankelijk
4.3.
Op grond van artikel 4:145 lid 2 BW Pro vertegenwoordigt de executeur de erfgenamen gedurende zijn beheer in en buiten rechte. Deze vertegenwoordigingsbevoegdheid is privatief, wat betekent dat de executeur gedurende zijn beheer met uitsluiting van de erfgenamen bevoegd is om in rechte op te treden ter zake van het beheer van de nalatenschap, zowel als eiser als in de hoedanigheid van gedaagde. [de gedaagde] stelt dat hij zijn taken als executeur conform artikel 4:144 BW Pro en artikel 4:149 BW Pro heeft afgerond. De aanwezige goederen zijn volgens [de gedaagde] ter beschikking gesteld en liggen klaar om verdeeld te worden (artikel 4:150 lid 1 BW Pro).
4.4.
Artikel 4:150 lid 1 BW Pro bepaalt dat de executeur die zijn taak heeft volbracht, bevoegd is zijn beheer te beëindigen door de goederen ter beschikking van de erfgenamen te stellen. Artikel 4:150 lid 1 BW Pro beoogt te voorkomen dat de beheersbevoegdheid van de executeur van rechtswege zou vervallen wanneer hij zijn taak heeft voltooid. Het einde van de taak van de executeur brengt daarom niet van rechtswege het einde van het beheer van de executeur mee, maar de executeur zal – na het eindigen van zijn taak – ook het beheer moeten beëindigen (ECLI:NL:HR:2013:38). In de praktijk geschiedt dat door een eenvoudige kennisgeving aan de erfgenamen, waarin de executeur aangeeft zijn taak als geëindigd te beschouwen. Nog daargelaten de vraag of [de gedaagde] zich op het standpunt kan stellen dat zijn taken als executeur waren voltooid, geldt dat hij niet heeft gesteld, en dat evenmin is gebleken dat [de gedaagde] een dergelijke mededeling heeft gedaan. [de eiser] heeft aangevoerd dat [de gedaagde] pas in zijn incidentele conclusie de stelling heeft ingenomen dat hij geen executeur meer is en dat uit de door [de gedaagde] als productie XXI overgelegde mail van
9 maart 2026 juist blijkt dat [de gedaagde] zich op dat moment nog als executeur zag. Mede gelet op deze betwisting gaat de rechtbank er vanuit dat de beheerstaak van [de gedaagde] nog niet was geëindigd. Het verweer dat [de eiser] haar vorderingen in had moeten stellen tegen alle erfgenamen gezamenlijk faalt dan ook. [de eiser] heeft haar vorderingen terecht ingesteld tegen [de gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflaatster
4.5.
Verder stelt [de gedaagde] dat [de eiser] niet-ontvankelijk is omdat zij geen juridische grondslag heeft aangevoerd voor haar vordering tot afgifte van stukken en omdat zij zelf de gevraagde stukken kan opvragen, zodat zij geen belang heeft bij haar vordering. Beide verweren, indien gehonoreerd, tasten niet de ontvankelijkheid van [de eiser] aan, maar leiden tot afwijzing van haar vordering. De rechtbank concludeert daarom dat [de eiser] ontvankelijk is in haar vorderingen. De incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid van [de gedaagde] zal worden afgewezen.
Proceskosten in het incident
4.6.
Gelet op de familierelatie tussen partijen zal de rechtbank bepalen dat de proceskosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.
Door [de gedaagde] is geconcludeerd voor antwoord in de hoofdzaak. De hoofdzaak zal op een termijn van één week naar de rol worden verwezen voor beraad rolrechter over het bepalen van een mondelinge behandeling.
5.2.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank
In het incident
6.1.
wijst de vordering van [de gedaagde] af,
6.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
In de hoofdzaak
6.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 juni 2026 voor beraad rolrechter over het bepalen van een mondelinge behandeling,
6.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
JV/Ma