ECLI:NL:RBGEL:2026:5316

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
458492
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 6:2 lid 2 BWArt. 3:314 BWArt. 6:119 BWArt. 50 Kadasterwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over eigendom en erfgrens strook grond naast perceel met afwijzing verkrijgende en bevrijdende verjaring

Eiser is sinds 1977 eigenaar van een perceel en stelt eigenaar te zijn van een strook grond tussen zijn perceel en de buurpercelen, waarop gedaagden woningen bouwen. Eiser vordert eigendom of een erfdienstbaarheidsrecht op die strook, ontruiming door gedaagden en inschrijving in het kadaster.

Gedaagden betwisten eigendom en verjaring, verwijzen naar een kadastrale grensreconstructie en verklaringen dat het hek op eigen grond is geplaatst. De rechtbank oordeelt dat de leveringsakte geen aanwijzing geeft dat de haag of het hek de erfgrens vormden en dat de kadastrale grens correct is vastgesteld.

Het beroep op verkrijgende en bevrijdende verjaring faalt omdat eiser onvoldoende bezitsdaden heeft gesteld en bewezen, en het hek niet door hem is geplaatst. Ook het beroep op rechtsverwerking wordt verworpen wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden en onvoldoende onderbouwing van benadeling.

De vorderingen tot ontruiming en inschrijving in het kadaster worden afgewezen. De proceskosten worden aan eiser opgelegd. De voorwaardelijke reconventionele vorderingen van gedaagden behoeven geen beoordeling omdat de voorwaarden niet zijn vervuld.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/458492 / HZ ZA 25-301
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[naam eiser in conventie],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [de eiser in conventie] ,
advocaat: mr. C.L.C. O'Connor,
tegen

1.[naam gedaagde sub. 1] ,

te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
advocaat: mr. D.S. Muller,
2.
[naam gedaagde sub. 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
advocaat: mr. D.S. Muller,
3.
[naam gedaagde sub. 3],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. R.M.W. de Haan,
4.
[naam gedaagde sub. 4],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
advocaat: mr. D.S. Muller,
5.
[naam gedaagde sub. 5],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
advocaat: mr. D.S. Muller,
6.
ROBERT NORMAN [gedaagde sub. 6],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
advocaat: mr. J.M. Remijn,
7.
[naam gedaagde sub. 7],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
advocaat: mr. J.M. Remijn,
8.
[naam gedaagde sub. 8],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. B.H.H.M. Ramakers,
9.
[naam gedaagde sub. 9],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. B.H.H.M. Ramakers,
hierna samen te noemen: gedaagden, en afzonderlijk van elkaar respectievelijk: [gedaagde sub. 1] , [gedaagde sub. 2] , [gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] , [gedaagde sub. 4] , [gedaagde sub. 5] , [gedaagde sub. 6] , [gedaagde sub. 7] , [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 januari 2026
- de akte wijziging eis tevens akte indiening aanvullende productie van [de eiser in conventie] , door de rechtbank ontvangen op 6 maart 2026
- de akte wijziging (voorwaardelijke) eis van [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] , door de rechtbank ontvangen op 18 maart 2026
- de antwoordakte op wijziging van eis, tevens akte wijziging van eis in reconventie naar voorwaardelijke eis in reconventie van [gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] , door de rechtbank ontvangen op 20 maart 2026
- de antwoordakte op wijziging eis van [gedaagde sub. 6] en [gedaagde sub. 7] , door de rechtbank ontvangen op 27 maart 2026
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 maart 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[de eiser in conventie] is op 28 december 1977 eigenaar geworden van een perceel gelegen aan [adres] [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie [sectieletter] , nummer [kadasternummer 1] . In de akte van levering van 28 december 1977 (productie 2 van [de eiser in conventie] ) is, voor zover hier van belang, opgenomen dat [de eiser in conventie] (als koper) van de heer [de verkoper] (als verkoper) heeft gekocht:
“Het woon- en winkelhuis met ondergrond, erf en tuin, staande en gelegen te [woonplaats] , plaatselijk bekend [adres] , uitmakende een ter plaatse kennelijk aangeduid en afgepaald gedeelte, groot ongeveer zes aren vijf en dertig centiaren van het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie [sectieletter] nummer [kadasternummer 2] (…)
(…)
Het verkochte zal op (…[de eiser in conventie] , rb
) overgaan (…) in de stand en de staat, waarin het zich thans bevindt, met alle daartoe behorende en daarop rustende, heersende en lijdende erfdienstbaarheden, rechten en plichten, geheel zoals het tot nu toe heeft toebehoord aan (…verkoper, rb
), die tot generlei vrijwaring zal gehouden zijn, behoudens die voor uitwinning. Partijen zullen terzake van over- of ondermaat generlei rechtsvordering tegen elkander hebben.
(…)”
2.2.
Op 17 mei 2024 heeft projectontwikkelaar Octro B.V. (hierna: “Octro”) het perceel dat aan de oostelijke zijde aan van het perceel van [de eiser in conventie] grenst verworven. Octro heeft het aangrenzende perceel vervolgens gesplitst met de bedoeling om daarop woningen te realiseren. Aan de zijde van het perceel van [de eiser in conventie] zijn daarbij zes afzonderlijke percelen ontstaan, zijnde de percelen kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie [sectieletter] , nummer [kadasternummer 3] , [kadasternummer 4] , [kadasternummer 5] , [kadasternummer 6] , [kadasternummer 7] en [kadasternummer 8] (hierna ook te noemen: de buurpercelen). Octro heeft de buurpercelen begin 2024 verkocht op grond van koop-/aannemingsovereenkomsten met [gedaagde sub. 1] , [gedaagde sub. 2] , [gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] , [gedaagde sub. 4] , [gedaagde sub. 5] , [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] , [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] en nog twee partijen die hun perceel vervolgens hebben verkocht aan [gedaagde sub. 6] , [gedaagde sub. 7] . Gedaagden zijn door levering eigenaren geworden van de afzonderlijke buurpercelen.
2.3.
Bij brief van 27 mei 2024 (productie 9 van [de eiser in conventie] ) heeft de advocaat van [de eiser in conventie] aan Octro bericht dat hij heeft begrepen dat Octro het voornemen heeft om woningen op de buurpercelen te bouwen en dat hij in de bouwplannen heeft gezien dat daarbij bebouwing is ingetekend tot voorbij het hek dat tussen het perceel van [de eiser in conventie] en de buurpercelen staat (hierna te noemen: het hek). Namens [de eiser in conventie] is bericht dat hij aanspraak maakt op de eigendom van alle grond tot en met het hek en dat hij uitdrukkelijk niet instemt met gebruik van die grond door derden. De plek van het hek is weergegeven op onderstaande foto’s (bij de rode pijlen), links van de witte bebouwing die op het perceel van [de eiser in conventie] staat. De strook grond tussen het hek en de witte bebouwing zal hierna “de strook grond” worden genoemd.
[Afbeeldingen van woning geanonimiseerd.]
2.4.
Namens Octro heeft de heer [medewerker Octro] , bestuurder van Octro, telefonisch overleg gevoerd met de advocaat van [de eiser in conventie] . [medewerker Octro] heeft laten weten dat bij de bouw de kadastrale grenzen zullen worden aangehouden.
2.5.
Begin juli 2024 heeft de aannemer van Octro het hek verwijderd.
2.6.
Op 16 oktober 2024 heeft het kadaster in opdracht van Octro een grensreconstructie verricht in aanwezigheid van onder meer [de eiser in conventie] (zoon en gemachtigde van [de eiser in conventie] ) en de heer [naam 3] namens Octro. In het relaas van bevindingen dat daarvan is gemaakt (productie 1 van [naam 4] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] ) is onder “
Omschrijving van de aangewezen kadastrale grenzen” vermeld:
“Grens afgepaald door middel van 1x spijker, 1x rood krijtstreep, 1x piket, 1x ijzeren buis, 1x rode verfstip op beton en 1x bestaande steen.”
De percelen van [de eiser in conventie] en de buurpercelen zijn in het kadaster als volgt weergegeven (cursief gemaakte tekst in de tekening is door de rechtbank toegevoegd ter verduidelijking):
[Afbeelding van perceelinformatie geanonimiseerd.]
2.7.
Begin 2025 is begonnen met de bouw van de woningen op de buurpercelen. Daarbij zijn dicht op de bebouwing van [de eiser in conventie] bouwhekken geplaatst en is op het perceel van [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] (met nummer [kadasternummer 3] ) een schuur vrijwel tegen de bebouwing van [de eiser in conventie] geplaatst.
2.8.
Eind februari 2025 is namens [de eiser in conventie] aan gedaagden bericht dat Octro bij de ontwikkeling van het bouwplan gebruik maakt van een stuk grond van [de eiser in conventie] (productie 13 van [de eiser in conventie] ). Gedaagden zijn erop gewezen dat [de eiser in conventie] Octro heeft bericht dat geen gebruik mag worden gemaakt van de strook grond voor te realiseren nieuwbouw. Gedaagden zijn verzocht mee te werken aan juiste kadastrale registratie van de juridische situatie en de werkzaamheden op de strook grond tot dat moment te staken.
2.9.
Bij e-mailbericht van 11 maart 2025 (productie 14 van [de eiser in conventie] ) heeft [gedaagde sub. 1] , mede namens de andere gedaagden, aan de advocaat van [de eiser in conventie] gereageerd. Hij heeft bericht dat de betwisting van de eigendom van de strook grond door [de eiser in conventie] laat is, dat het Kadaster meerdere malen is geweest voor meting, dat de te realiseren nieuwbouw vrijwel klaar is en dat gedaagden niet beter weten dan dat de nieuwbouw op onbetwiste grond is gerealiseerd. [gedaagde sub. 1] heeft daarbij vermeld dat gedaagden bereid zijn een nieuwe meting toe te staan op kosten van [de eiser in conventie] mits daarbij één van hen aanwezig zal zijn.
2.10.
Bij brief van 25 maart 2025 (productie 15 van [de eiser in conventie] ) heeft de advocaat van [de eiser in conventie] gedaagden bericht dat [de eiser in conventie] zich op het standpunt stelt dat gedaagden zich onrechtmatig grond toe-eigenen door plaatsing van een hekwerk op de grond van [de eiser in conventie] . Daarbij is gesteld dat de grens tussen het perceel van [de eiser in conventie] en het buurperceel zeker een halve eeuw werd gevormd door een haag, die in 1992 is vervangen door het hek, en dat die grens niet strookt met de vastgelegde kadastrale grens. Namens [de eiser in conventie] is nogmaals verzocht werkzaamheden op de strook grond te staken en een gerechtelijke procedure aangekondigd indien niet wordt voldaan aan het verzoek.
2.11.
Bij brief van 1 april 2025 (productie 16 van [de eiser in conventie] ) heeft de advocaat van Octro op de brief van 25 maart 2025 gereageerd dat hij begrijpt dat [de eiser in conventie] zich beroept op eigendomsverkrijging door verjaring op grond van de aanwezigheid van een haag en (daarna) het hek. Namens Octro is betwist dat de erfgrens door de haag of het hek werd gevormd en ook dat deze door [de eiser in conventie] is geplaatst. Namens Octro is gesteld dat het hek door de heer [naam 1] is geplaatst (en de haag door de moeder van mevrouw [naam 1] , mevrouw [naam 2] ) en dat de haag en het hek op eigen grond is geplaatst (van [naam 1] ) en niet op het perceel van [de eiser in conventie] .
2.12.
Verdere correspondentie tussen (de advocaten) van [de eiser in conventie] , Octro en gedaagden heeft niet geleid tot overeenstemming of een minnelijke regeling over de erfgrens

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[de eiser in conventie] vordert na wijziging eis bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. voor recht te verklaren dat [de eiser in conventie] eigenaar is van de grond zoals rood gearceerd op de door hem als productie 28 overgelegde luchtfoto, bestaande uit een strook van circa 150 centimeter breed en circa 35 meter lang, lopende over de percelen met kadastrale aanduiding gemeente [woonplaats] , sectie [sectieletter] , nummer [kadasternummer 3] , [kadasternummer 4] , [kadasternummer 5] , [kadasternummer 6] , [kadasternummer 7] , [kadasternummer 8] , althans een door de rechtbank te bepalen gedeelte van de grond tussen de voormalige erfafscheiding en het perceel van [de eiser in conventie] ;
subidiair:
I. voor recht te verklaren dat [de eiser in conventie] rechthebbende is van een erfdienstbaarheidsrecht, omvattende het recht om te komen van en te gaan naar de achterzijde van de woning van [de eiser in conventie] , over de grond zoals rood gearceerd op de door hem als productie 28 overgelegde luchtfoto, bestaande uit een strook van circa 150 centimeter breed en circa 35 meter lang lopende over de percelen met kadastrale aanduiding gemeente [woonplaats] , sectie [sectieletter] , nummer [kadasternummer 3] , [kadasternummer 4] , [kadasternummer 5] , [kadasternummer 6] , [kadasternummer 7] , [kadasternummer 8] , althans een door de rechtbank te bepalen gedeelte van de grond tussen de voormalige erfafscheiding en het perceel van [de eiser in conventie] , met het perceel van [de eiser in conventie] als heersend erf en voornoemde percelen van gedaagden als dienende erven;
primair en subsidiair:
II. gedaagden te veroordelen tot ontruiming van de onder I omschreven grond en verwijdering van de daarop door gedaagden geplaatste roerende en onroerende zaken;
III. gedaagden te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan (de formaliteiten die zijn verbonden aan) de inschrijving van de eigendom dan wel het erfdienstbaarheidsrecht van [de eiser in conventie] in de openbare registers van het Kadaster, althans te bepalen dat dit vonnis zal kunnen worden ingeschreven in de daartoe bestemde registers;
IV. op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat niet wordt voldaan aan de veroordeling als hiervoor onder II en III bedoeld, met een maximum van € 50.000,00 dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag;
V. gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis zijn voldaan.
3.2.
[de eiser in conventie] legt samengevat primair aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij door levering eigenaar is geworden van de strook grond. Subsidiair stelt hij door verkrijgende verjaring eigenaar te zijn geworden doordat hij de strook ondubbelzinnig en openbaar bezit gedurende (al veel langer dan) tien jaar. Meer subsidiair doet [de eiser in conventie] een beroep op bevrijdende verjaring. Uiterst subsidiair stelt hij dat sprake is van rechtsverwerking. Ten slotte stelt [de eiser in conventie] , voor zover de rechtbank oordeelt dat de haag en het hekwerk niet door hem zijn geplaatst, dat hij door verjaring een recht van erfdienstbaarheid heeft om over de strook grond te komen en gaan naar de achterzijde van zijn woning.
3.3.
Gedaagden voeren verweer. Zij betwisten dat [de eiser in conventie] eigenaar is van de strook grond. Zij wijzen op de grensreconstructie van het Kadaster op 16 oktober 2024 die dat bevestigt en waartegen [de eiser in conventie] geen bezwaar heeft gemaakt. Zij betwisten dat [de eiser in conventie] door levering van het perceel eigenaar van de strook grond is geworden omdat in de akte van levering staat dat de erfgrens was afgepaald en daarin de haag niet is genoemd. Gedaagden betwisten bovendien dat [de eiser in conventie] eigenaar is geworden door verjaring omdat (onder meer) geen sprake is geweest van inbezitneming door [de eiser in conventie] . Daardoor is ook geen sprake van een erfdienstbaarheidsrecht op grond van verjaring. Gedaagden betwisten eveneens dat sprake is van rechtsverwerking. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser in conventie] in de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] vordert na wijziging eis, onder voorwaarde dat in conventie wordt geoordeeld dat [de eiser in conventie] door bevrijdende verjaring grond in eigendom heeft verkregen die volgens het Kadaster tot het perceel van [gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] behoort, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij vonnis:
- [de eiser in conventie] te veroordelen tot schadevergoeding in natura, door de betreffende (strook) grond die op basis van de kadastrale informatie tot het perceel van [gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] behoort (in juridische zin) terug te leveren aan [gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] en door deze te ontruimen, een en ander binnen één maand na betekening van dit vonnis, en
- voor recht te verklaren dat [gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] eigenaar is van de grond – en daarmee van haar volledige perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie [sectieletter] , nummer [kadasternummer 8] – dat op basis van de kadastrale informatie tot voornoemd perceel van [gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] behoort;
- [de eiser in conventie] te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien deze niet binnen veertien dagen na dit vonnis zijn voldaan.
3.6.
[gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] vorderen onder de voorwaarde dat de rechtbank oordeelt dat [de eiser in conventie] de in deze procedure bedoelde grond geheel of gedeeltelijk heeft verkregen door verjaring dan wel door rechtsverwerking, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- [de eiser in conventie] te veroordelen om binnen een maand na dit vonnis, althans een door de rechtbank te bepalen moment, medewerking te verlenen aan overdracht van de gronden die op basis van de kadastrale informatie behoren tot de respectievelijke percelen die eigendom zijn van gedaagden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat hieraan niet wordt voldaan, met een maximum van € 50.000,00;
- [de eiser in conventie] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente daarover indien die kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis zijn voldaan.
3.7.
[gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] , [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] leggen aan hun vorderingen in reconventie ten grondslag hetgeen zij in conventie als verweer hebben gevoerd.
3.8.
[de eiser in conventie] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] , [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] , dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] , [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] in de kosten van deze procedure.
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
[de eiser in conventie] stelt primair dat hij eigenaar is van de strook grond. Subsidiair stelt [de eiser in conventie] dat sprake is van een erfdienstbaarheidsrecht op de strook grond. Omdat [de eiser in conventie] zich beroept op de rechtsgevolgen van eigendom, althans erfdienstbaarheid, geldt in beginsel als uitgangspunt dat hij de bewijslast draagt van het door hem gestelde eigendoms- en erfdienstbaarheidsrecht (artikel 150 Rv Pro).
Eigendom door levering
4.2.
[de eiser in conventie] stelt allereerst dat hij bij de levering van zijn perceel de eigendom heeft gekregen van de strook grond. [de eiser in conventie] beroept zich op de omschrijving van het perceel in de leveringsakte waarin staat dat het perceel
“een ter plaatse kennelijk aangeduid en afgepaald gedeelte”betreft en dat de haag, die toen er toen al stond, de erfgrens vormde. Gedaagden betwisten dat de grens van het perceel van [de eiser in conventie] door de haag werd gevormd, juist omdat in de leveringsakte staat dat het perceel is “afgepaald” en de haag daarin niet wordt genoemd. Gedaagden onderbouwen hun betwisting met verklaringen van de vorige eigenaren van het buurperceel die stellen dat de haag op hun perceel stond.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat bij de vaststelling van (de omvang van) eigendom van een perceel grond uitgangspunt is wat daarover in de leveringsakte is bepaald en de in die akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling. Uit de stellingen van [de eiser in conventie] en de leveringsakte van 28 december 1977 blijkt dat [de eiser in conventie] zijn perceel destijds heeft gekocht van de heer [de verkoper] die destijds eigenaar was van zowel het perceel dat [de eiser in conventie] kocht als van het buurperceel. [de eiser in conventie] heeft zijn perceel overgedragen gekregen nadat het was gesplitst van het buurperceel, dat eigendom bleef van [de verkoper] . De rechtbank is van oordeel dat uit de leveringsakte niet blijkt dat de haag na de splitsing de erfgrens is gaan vormen tussen het perceel van [de eiser in conventie] en het buurperceel omdat – zoals gedaagden terecht aanvoeren – daarin de haag niet wordt genoemd als erfafscheiding. Door het gebruik van de bewoordingen
“afgepaald gedeelte”in de akte gaat de rechtbank ervan uit dat de erfgrens destijds is gemarkeerd door een daartoe aangebrachte markering (zoals door spijkers, piketpalen, buizen en/of stenen). Niet duidelijk is waar die markering heeft gestaan. [de eiser in conventie] heeft op vragen daarover ter zitting geen duidelijk antwoord gegeven en uit stellingen van partijen of overgelegde foto’s is dat evenmin gebleken. Dat de haag er in 1957 al was en een logische erfgrens was, zoals [de eiser in conventie] stelt en volgens hem blijkt uit de door hem als productie 29 overgelegde foto’s, betekent nog niet dat de haag ook als zodanig is bedoeld en aangewezen bij de splitsing. Op de zitting heeft de advocaat van [de eiser in conventie] zich afgevraagd waarom de haag zou zijn geplant als deze niet als erfafscheiding is bedoeld. De haag – die er kennelijk in 1957 al was – is echter niet als erfafscheiding geplant. In 1957 waren het perceel van [de eiser in conventie] en het buurperceel immers nog niet gesplitst, zodat de haag toen niet als erfafscheiding diende en dat de haag bij splitsing als erfafscheiding is aangewezen wordt zonder deugdelijke onderbouwing – die ontbreekt – niet gevolgd. Dat geldt te meer nu mevrouw [naam 1] , de vorige eigenaresse van het buurperceel en de dochter van hiervoor genoemde [de verkoper] , op 29 maart 2025 het volgende heeft verklaard:
Hierbij verklaar ik (…) dat mijn moeder [naam 2] , de toenmalige eigenaresse van [adres] te [woonplaats] , de heg (afscheiding) heeft laten planten.
Later heeft mijn man [naam 1] via zijn werk (Strukton) een hekwerk verkregen en deze geplaats op eigen terrein om mandeligheid te voorkomen. (…)”(productie 2 van [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] ). De heer [naam 1] heeft op 28 maart 2025 eveneens verklaard dat hij het hek heeft geplaatst
“op eigen terrein om mandeligheid te voorkomen”.Bij verklaring van 16 maart 2026 hebben de heer en mevrouw [naam 1] hier aan toegevoegd dat het hek bewust op eigen grond is geplaatst om zo onderhoud van het eigen terrein en het hek goed te kunnen doen (productie van 17 maart 2026 van [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] ).
4.4.
Nu uit de leveringsakte van 28 december 1977 niet duidelijk blijkt wat destijds als de grens tussen het perceel van [de eiser in conventie] en de buurpercelen is aangewezen, dient op andere wijze te worden beoordeeld tot waar het perceel van [de eiser in conventie] aan de zuidoostzijde loopt. Zo zou uit het in de akte genoemde aantal vierkante meters dat aan [de eiser in conventie] is overgedragen (ongeveer zes aren en vijfendertig centiaren) kunnen worden afgeleid wat de bedoeling van partijen is geweest. Op de zitting is op de vraag van de rechtbank of [de eiser in conventie] zich in het aantal vierkante meters van zijn perceel heeft verdiept namens [de eiser in conventie] echter geantwoord dat hij dat niet heeft gedaan.
4.5.
Uit het voorgaande vloeit voort dat [de eiser in conventie] onvoldoende heeft onderbouwd dat de grens door de haag / het hek werd gevormd en dat de strook grond zijn eigendom is. Wél is gebleken dat een landmeter van het kadaster op verzoek van Octro op 16 oktober 2024 een grensreconstructie heeft gemaakt in aanwezigheid van (gemachtigden van) partijen. Bij gebrek aan onderbouwing door [de eiser in conventie] van zijn standpunt gaat de rechtbank ervan uit dat de meting door de landmeter en de op basis daarvan aangewezen kadastrale grenzen in overeenstemming zijn met hetgeen aan [de eiser in conventie] is overgedragen bij akte van levering van 28 december 1977. Kadastrale kaarten, metingen en bijwerkingen daarvan vinden immers plaats op grond van de daaraan ten grondslag liggende, in de openbare registers ingeschreven bescheiden (artikelen 50 en volgende Kadasterwet). Daarbij geldt dat een meting op grond van artikel 57 de Pro Kadasterwet is aan te merken als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waarvoor een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan. Indien deze rechtsgang niet is gebruikt, dient de burgerlijke rechter de betreffende beschikking zowel wat betreft de totstandkoming als wat betreft de inhoud voor juist aan te nemen, behoudens indien de daaraan verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat op dat beginsel een uitzondering moet worden aanvaard (HR 16 mei 1986, NJ 1986,723). [de eiser in conventie] stelt weliswaar dat hij – althans zijn zoon namens hem – bezwaar heeft gemaakt tegen de meting, maar dat heeft hij na betwisting door gedaagden niet onderbouwd (door bijvoorbeeld overlegging van een afschrift van een bezwaarschrift). Bovendien is in een e-mailbericht van het kadaster aan [medewerker Octro] van 15 april 2025 (productie 1 van [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] ) vermeld dat de landmeter die de grensreconstructie op 16 oktober 2024 heeft verricht, heeft verklaard:
“Naar mijn weten hebben de buren niet aangegeven dat ze het er niet mee eens waren, anders had ik dit op het relaas aangegeven.”Dat door of namens [de eiser in conventie] bezwaren zijn geuit tijdens de meting of formeel bezwaar is gemaakt tegen de daaropvolgende kennisgeving van de kadastrale registratie (kaart) heeft [de eiser in conventie] niet onderbouwd, zodat daarvan niet is gebleken. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de kadastrale kaart en constateert op grond daarvan dat [de eiser in conventie] bij de levering van zijn perceel geen eigenaar is geworden van de strook grond.
Verkrijgende en bevrijdende verjaring
4.6.
Omdat [de eiser in conventie] niet bij levering van zijn perceel eigenaar is geworden van de strook grond, zal de rechtbank beoordelen of het beroep van [de eiser in conventie] op verjaring slaagt.
Uitgangspunt is daarbij dat de eigendom op een onroerende zaak – zoals een stuk grond – niet zomaar van de ene persoon overgaat op de ander, alleen omdat er tijd verstrijkt. Daar is meer voor nodig. In de wet en in de rechtspraak is een aantal regels bepaald waarmee kan worden uitgemaakt of eigendom door verjaring is overgegaan van de een naar de ander. In elk geval moet er sprake van zijn dat een ander dan de eigenaar de grond in bezit heeft genomen. Verkrijgende verjaring van een onroerende zaak betekent dat die ander de eigendom verkrijgt door dat bezit gedurende tien jaar voort te zetten. Daarbij moet die ander goede redenen hebben om te denken dat hij daartoe het recht heeft: hij moet bezitter te goeder trouw zijn. Bevrijdende verjaring betekent dat die ander, die de zaak in bezit heeft genomen (of hij nu te goeder trouw is of niet), de eigendom krijgt omdat de oorspronkelijke eigenaar na verloop van 20 jaar zijn (onbelaste) eigendom niet meer kan terugvorderen. In beide gevallen moet die ander, die de zaak in bezit heeft genomen, zich zodanig gedragen dat anderen daaruit moeten afleiden dat die ander vindt dat hij eigenaar is. Dat betekent dat sprake moet zijn van bezitsdaden door die ander. Of er op die manier bezit is uitgeoefend moet per geval worden bekeken. In elk geval is het gebruiken, aanleggen en onderhouden van een stuk grond niet genoeg, er komt meer bij kijken. Het gaat er verder niet om wat zich enkel in het hoofd van de betrokkenen heeft afgespeeld (subjectief) maar om de feitelijke situatie en om wat er allemaal is gedaan en gebeurd. Dat wordt dan met de blik van buiten (dus objectief) uitgelegd: voor een buitenstaander moet uit het gedrag van de ander kenbaar zijn dat hij denkt de eigenaar te zijn (o.a. Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017: 309).
4.7.
Ook voor de verjaring geldt dat [de eiser in conventie] , die zich daar op beroept, de bezitsdaden en het voortdurend bezit moet stellen en, in geval van betwisting, bewijzen.
[de eiser in conventie] heeft zijn stelling dat er al meer dan 20 jaar sprake is van een erfafscheiding waaruit duidelijk (naar buiten toe kenbaar) is dat hij, [de eiser in conventie] , pretendeerde eigenaar te zijn van de strook grond, onderbouwd met foto’s uit het verleden waarop de heg zichtbaar is. Daarbij heeft hij gesteld dat de strook grond – aan zijn kant van de haag / het hek – door hem werd onderhouden doordat hij deze van grind en bestrating voorzag, de haag daar snoeide en op een deel van de strook een moestuin had. Verder heeft [de eiser in conventie] verklaringen overgelegd van zijn zoons die (onder meer) verklaren dat zij in hun jeugd gebruik maakten van de strook grond om met de fiets van en naar de achtertuin naar de openbare weg te komen en gaan.
4.8.
Gedaagden betwisten dat sprake is van ondubbelzinnig bezit van de strook grond door [de eiser in conventie] omdat de haag en het hek niet door hem zijn geplaatst maar door (voormalige) de eigenaren van het buurperceel en de verjaringstermijn dus nooit is aangevangen. Ter onderbouwing hebben gedaagden verwezen naar de in r.o. 4.3 reeds genoemde verklaringen van de vorige eigenaren van het buurperceel, de heer en mevrouw [naam 1] waaruit blijkt dat [de verkoper] de haag heeft laten planten en de heer [naam 1] het hek heeft geplaatst. Gedaagden betwisten bovendien dat de voor verjaring vereiste termijn is voltooid omdat de strook grond, gelet op woekerende planten die op de foto’s zichtbaar zijn, al een tijd niet meer in gebruik was en dus geen sprake was van openbaar en ondubbelzinnig bezit.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van daadwerkelijke bezitsdaden van [de eiser in conventie] op de strook grond. Dat hij de strook grond heeft voorzien van grind/bestrating, er (zijn kant van) de heg snoeide en een moestuin aanlegde en de strook door zijn kinderen werd gebuikt als pad om van/naar de achtertuin te gaan is daarvoor niet voldoende. Feitelijk gebruik leidt immers nog niet tot verjaring. Zoals in r.o. 4.6 is overwogen is daarvoor nodig dat sprake is van een dusdanige machtsuitoefening dat de oorspronkelijke eigenaar daaruit niet anders heeft kunnen afleiden dan dat de gebruiker van de grond pretendeert eigenaar te zijn. Dat de strook grond feitelijk door de haag, en later door het hek, werd afgescheiden van het buurperceel maakt ook nog niet dat [de eiser in conventie] als bezitter van de strook kon worden aangemerkt. Van belang is bovendien dat [de eiser in conventie] die afscheiding niet heeft geplaatst. Voor de haag geldt immers dat deze er al was toen [de eiser in conventie] zijn perceel in 1977 overgedragen kreeg. Over het hek heeft [de eiser in conventie] in de dagvaarding weliswaar gesteld dat hij dat heeft geplaatst, maar nadat gedaagden die stelling onderbouwd hebben betwist met eerder genoemde verklaringen de heer en mevrouw [naam 1] . [de eiser in conventie] heeft ter zitting verklaard dat hij akkoord ging met verwijdering van de haag en de plaatsing van het hek door Helwegen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het hek is geplaatst door de (toenmalige) eigenaar van het buurperceel en dus geen bezitsdaad van [de eiser in conventie] was. Doordat [de eiser in conventie] niet zelf het hek heeft geplaatst, heeft hij zichzelf immers niet de feitelijke macht over de strook grond verschaft (ook zo: Hoge Raad 30 juni 2023, ECLI:NL: HR:2023:1010). Dat [de eiser in conventie] de strook grond van grind heeft voorzien en heeft onderhouden en zijn kinderen de strook gebruikten om met de fiets naar/van de achtertuin te komen, maakt dat niet anders. Dergelijke, op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn voor inbezitneming onvoldoende en leiden niet tot bezitsverlies van de (eerdere) bezitter /de eigenaar. Dat geldt te meer nu de heer en mevrouw [naam 1] op 16 maart 2026 hebben verklaard dat zij het hekwerk bewust op eigen grond hebben geplaatst om zo onderhoud van het eigen terrein en het hek goed te kunnen doen. Dat zij het bezit van de strook grond hebben prijsgegeven, is niet gebleken.
4.10.
Omdat gelet op het voorgaande geen sprake is geweest van het vereiste bezit van de strook grond door [de eiser in conventie] , is hij geen eigenaar van de strook grond geworden door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring.
Rechtsverwerking
4.11.
[de eiser in conventie] beroept zich uiterst subsidiair op rechtsverwerking. Hij legt daaraan ten grondslag dat zijn rechtsvoorganger, die destijds eigenaar was van zowel het buurperceel als het perceel van [de eiser in conventie] , de percelen feitelijk heeft gesplitst door het planten van de haag. [de eiser in conventie] stelt dat hij daarmee altijd gerechtvaardigd in de veronderstelling heeft verkeerd dat de haag de erfafscheiding en de juridische grens was. Hij stelt dat een en ander een bijzondere omstandigheid is op grond waarvan bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechtsvoorganger van gedaagden zijn recht niet (meer) zou uitoefenen en/of waardoor [de eiser in conventie] onredelijk in zijn positie zou worden benadeeld of verzwaard als gedaagden alsnog hun bevoegdheden zouden uitoefenen.
Gedaagden betwisten dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan gerechtvaardigd vertrouwen bij [de eiser in conventie] is gewekt en voeren aan dat [de eiser in conventie] van de door hem gestelde benadeling niet heeft onderbouwd waaruit die bestaat.
4.12.
Het beroep van [de eiser in conventie] op rechtsverwerking is gegrond op artikel 6:2 lid 2 BW Pro. Daarin is bepaald dat een tussen schuldeiser en schuldenaar krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De door de wetgever gekozen formulering duidt erop dat de rechter bij toepassing van de bepaling de nodige terughoudendheid moet betrachten. Om rechtsverwerking op grond van deze bepaling aan te nemen moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt (o.a.Hoge Raad 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016: 2574).
4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de eiser in conventie] onvoldoende gesteld om aan te nemen dat sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden dat hij op grond daarvan gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen dat hij eigenaar is geworden van de strook grond. De aanwezigheid van de haag is op zichzelf niet voldoende om er gerechtvaardigd op te kunnen vertrouwen dat de erfgrens op de plek van de haag was. Omdat de haag niet is genoemd in de akte van 28 december 1977 en evenmin is gesteld of gebleken dat [de eiser in conventie] bij de eigenaar van het buurperceel – die het perceel aan [de eiser in conventie] heeft verkocht – navraag heeft gedaan over de precieze plek van de erfgrens en/of de vraag of de haag op de erfgrens stond of nog bij de grond van het buurperceel hoorde, heeft hij er niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de haag (en later het hek) de erfgrens vormde. Dat de positie van [de eiser in conventie] onredelijk wordt verzwaard of benadeeld heeft [de eiser in conventie] na betwisting door gedaagden niet onderbouwd. Ter zitting heeft [de eiser in conventie] gesteld dat hij er belang bij heeft om langs zijn pand te kunnen lopen in verband met onderhoud en dat zijn pand minder waard is als er tegenaan gebouwd wordt. Naar het oordeel van de rechtbank is van deze belangen niet gebleken dat die zo zwaarwegend zijn dat deze kunnen leiden tot rechtsverwerking in de zin van artikel 6:2 lid 2 BW Pro. Voor het onderhouden van het pand is immers niet noodzakelijk dat [de eiser in conventie] eigenaar van de strook grond is. De stelling dat de schuur van [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] vrijwel tegen bebouwing van [de eiser in conventie] – die kennelijk ook (nagenoeg) tegen de erfgrens staat – waardevermindering tot gevolg heeft, is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, onvoldoende om aan te nemen dat [de eiser in conventie] daardoor onredelijk wordt benadeeld. Mede gelet op de bij de beoordeling door de rechter te betrachten terughoudendheid kan het beroep op rechtsverwerking daarom niet slagen.
4.14.
Uit het voorgaande vloeit voor dat [de eiser in conventie] geen eigenaar van de strook grond is geworden. Zijn primaire vordering onder I zal daarom worden afgewezen.
Erfdienstbaarheid
4.15.
[de eiser in conventie] vordert, voor zover de rechtbank oordeelt dat de haag en het hekwerk niet door hem zijn geplaatst, voor recht te verklaren dat hij door verkrijgende of bevrijdende verjaring een recht van erfdienstbaarheid heeft om te komen en te gaan naar de achterzijde van zijn woning over de strook grond. Omdat de primaire vordering niet toewijsbaar is en de rechtbank ervan uitgaat dat de haag en het hekwerk niet door [de eiser in conventie] zijn geplaatst overweegt de rechtbank als volgt over het recht van erfdienstbaarheid.
4.16.
Voor het ontstaan van een ander zakelijk recht dan eigendom (zoals een recht van erfdienstbaarheid) door verkrijgende of bevrijdende verjaring geldt in beginsels hetzelfde als voor het ontstaan van een eigendomsrecht op grond verjaring. Zowel in geval van verkrijgende, als van bevrijdende verjaring moet degene die de zaak in bezit heeft genomen zich zodanig gedragen dat anderen daaruit moeten afleiden dat die ander vindt dat hij zakelijk rechthebbende is (dat hij gebruik maakt van een recht van erfdienstbaarheid). Ook voor het ontstaan van een recht van erfdienstbaarheid door verjaring moet dus sprake zijn van bezitsdaden van die ander waaruit het voor buitenstaanders duidelijk moet zijn dat die ander denkt dat recht te hebben. Daarvoor is nodig dat een ander dan de eigenaar gedurende een onafgebroken periode van 10 jaar (in geval van een bezitter te goeder trouw) of 20 jaar (in geval van een bezitter die niet te goeder trouw is) het recht van erfdienstbaarheid op die manier in bezit heeft gehad door ongestoorde uitoefening van dat recht.
4.17.
De rechtbank stelt voorop dat [de eiser in conventie] niet als bezitter te goeder trouw is aan te merken van een recht van erfdienstbaarheid nu niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een daartoe opgemaakte en in de openbare registers ingeschreven akte van vestiging. Het beroep van [de eiser in conventie] op verkrijgende verjaring kan daarom niet slagen.
Voor bevrijdende verjaring van niet-voortdurende erfdienstbaarheden – zoals van overpad – geldt dat de verjaringstermijn pas ingaat als het bezit van deze erfdienstbaarheid bestaat. Daarbij geldt dat het incidenteel over de grond van een ander lopen (zonder bezit van erfdienstbaarheid van weg) nog geen onrechtmatige daad is. Een en ander volgt uit artikel 3:314 BW Pro over de termijn van verjaring van een rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de verjaringstermijn strekkende tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende aanvangt op de dag volgende op die waarop de niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd had kunnen worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting is. De term
“onrechtmatige toestand”impliceert dat sprake moet zijn van een continue inbreuk. Er kan dus pas sprake zijn van bevrijdende verjaring indien blijkt dat gedurende ten minste 20 jaar continue inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht op de strook grond door [de eiser in conventie] .
4.18.
Van belang is verder dat een erfdienstbaarheid van weg op grond van het oud BW niet kon ontstaan door verjaring omdat volgens de definitie van artikel 724 (oud) BW was vereist dat er een voortdurende uitoefening van dat recht was, dat wil zeggen uitoefening zonder dat daartoe telkens aan de zijde van de eigenaar van het heersend erf een handeling nodig is die rechtstreeks tot uitoefening van de erfdienstbaarheid strekt. Voor de uitoefening van een erfdienstbaarheid van weg is naar de aard telkens (hernieuwde) menselijke activiteit vereist, zodat daarbij in beginsel niet is voldaan aan de vereiste van voortdurendheid. De Hoge Raad heeft hierop een beperkte uitzondering geaccepteerd (Hoge Raad 27 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2147) voor – samengevat – gevallen waarin (een deel van) het heersende erf alleen bereikbaar is via het dienende erf. Dat betekent dat onder het oude recht, behoudens genoemde uitzondering, geen erfdienstbaarheid door verjaring kan zijn ontstaan en de verjaring ook niet kan zijn aangevangen voor 1 januari 1992.
4.19.
Voor [de eiser in conventie] , die zich beroept op een erfdienstbaarheid om te komen en gaan (een pad of weg), vloeit uit het voorgaande voort dat de verjaringstermijn pas kan zijn aangevangen op 1 januari 1992. Dat de door de Hoge Raad geaccepteerde uitzondering geldt heeft [de eiser in conventie] niet gesteld en is ook niet gebleken omdat het perceel van [de eiser in conventie] aan de andere (noordwestelijke) zijde langs de bebouwing ruimte biedt voor een doorgang vanaf [adres] naar de achtertuin en de achtertuin bovendien grenst aan [adres] . [de eiser in conventie] kan daarom niet worden gevolgd in zijn stelling dat vanaf 1977 al sprake was van inbezitneming van het erfdienstbaarheidsrecht. [de eiser in conventie] heeft evenmin gesteld dat en vanaf wanneer er (vanaf 1 januari 1992) sprake was van een continue inbreuk op het eigendomsrecht op de strook grond. [gedaagde sub. 6] en [gedaagde sub. 7] hebben in dit verband terecht aangevoerd dat blokkering van het pad door de plaatsing van een fietsenrek – als door [de eiser in conventie] in de dagvaarding genoemd – in de weg staat aan het bezit van een erfdienstbaarheid van weg. Daarbij zijn de door [de eiser in conventie] overgelegde verklaringen van zijn zoons onvoldoende voor een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring. De zoons hebben verklaard dat zij vanaf 1978 gebruik maakten van het pad, maar niet hoe vaak zij dat deden en ook niet of de strook grond na 1 januari 1992 nog in gebruik was als pad. Dat na 1 januari 1992 gedurende 20 jaar sprake is geweest van een pad waarmee bovendien continue inbreuk op het eigendomsrecht op de strook grond werd gemaakt, heeft [de eiser in conventie] niet gesteld of onderbouwd en is dus niet gebleken. Dat geldt te meer nu uit de door [de eiser in conventie] overgelegde foto’s van vóór de verwijdering van het hek (weergegeven in r.o. 2.3) blijkt van begroeiing tussen de bebouwing en het hek. De strook grond was toen kennelijk niet meer in gebruik als pad, zodat [de eiser in conventie] niet wordt gevolgd in zijn stelling dat de inbezitneming heeft voortgeduurd totdat het hek werd verwijderd op 2 juli 2024.
4.20.
Het voorgaande brengt met zich dat het beroep van [de eiser in conventie] op een door verjaring verkregen recht van erfdienstbaarheid niet kan slagen. De subsidiair onder I door [de eiser in conventie] gevorderde verklaring voor recht is daarom evenmin toewijsbaar.
Overige vorderingen
4.21.
Omdat [de eiser in conventie] geen eigenaar van de strook grond is en evenmin op grond van een erfdienstbaarheid recht heeft om de strook te gebruiken, is er geen grond voor ontruiming van de strook grond door gedaagden. Ook hoeven gedaagden niet mee te werken aan inschrijving in de openbare registers van die rechten van [de eiser in conventie] op de strook grond. De vorderingen van [de eiser in conventie] onder II, III en IV zijn daarom ook niet toewijsbaar.
4.22.
[de eiser in conventie] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten worden als volgt begroot.
De kosten van [gedaagde sub. 1] , [gedaagde sub. 2] , [gedaagde sub. 4] en [gedaagde sub. 5] , (procederend met dezelfde advocaat en nagenoeg dezelfde standpunten):
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.826,00
De kosten van [gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] :
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.632,50
(2,5 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.152,50
De kosten van [gedaagde sub. 6] en [gedaagde sub. 7] :
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.632,50
(2,5 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.152,50
De kosten van [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] :
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.826,00
De wettelijke rente over de proceskosten wordt, voor zover gevorderd, toegewezen zoals vermeld in de beslissing. [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] hebben bovendien gevorderd aan de proceskostenveroordeling een dwangsom te verbinden. Die vordering is niet toewijsbaar omdat op grond van artikel 611a lid 1, laatste volzin Rv geen dwangsom kan worden verbonden aan een veroordeling tot betaling van een geldsom.
in reconventie
4.23.
[gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] , [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] hebben voorwaardelijk reconventionele vorderingen ingesteld. [gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] heeft aan haar vordering de voorwaarde verbonden dat in conventie wordt geoordeeld dat [de eiser in conventie] door bevrijdende verjaring de strook grond, voor zover die tot haar perceel behoort, in eigendom heeft verkregen. [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] hebben aan hun vordering de voorwaarde verbonden dat in conventie wordt geoordeeld dat [de eiser in conventie] de strook grond geheel of gedeeltelijk heeft verkregen door verjaring of rechtsverwerking. De aan de reconventionele vorderingen verbonden voorwaarden is niet vervuld. Dat betekent dat beoordeling van de reconventionele vorderingen achterwege kan blijven.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [de eiser in conventie] af,
5.2.
veroordeelt [de eiser in conventie] in de proceskosten [gedaagde sub. 1] , [gedaagde sub. 2] , [gedaagde sub. 4] en [gedaagde sub. 5] van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [de eiser in conventie] in de proceskosten van [gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] van € 2.152,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [de eiser in conventie] in de proceskosten van [gedaagde sub. 6] en [gedaagde sub. 7] van € 2.152,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [de eiser in conventie] in de proceskosten van [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] van € 1.826,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [de eiser in conventie] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van [gedaagde sub. 3 / eiser in reconventie 1] , [gedaagde sub. 6] , [gedaagde sub. 7] , [gedaagde sub. 8 / eiser in reconventie 2] en [gedaagde sub. 9 / eiser in reconventie 3] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
JO/PB