ECLI:NL:RBGEL:2026:5317

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
458752
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 719 Oud BWArt. 160 Overgangswet NBWArt. 5:60 BWArt. 5:62 BWArt. 5:64 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt dat plein mandelige zaak is en schutting onrechtmatig is geplaatst

De zaak betreft een geschil tussen buren over de vraag of een plein aan te merken is als buurweg of mandelige zaak. De eiser stelt dat het plein bestemd is voor gemeenschappelijk gebruik en dat de gedaagde onrechtmatig een schutting heeft geplaatst die de toegang belemmert.

De rechtbank stelt vast dat op het plein een erfdienstbaarheid van buurweg rust en dat het plein mede eigendom is van meerdere eigenaren, waaronder de gedaagde. De gedaagde betwist dat het gehele plein toegankelijk moet blijven en stelt dat alleen een smal pad als buurweg geldt.

De rechtbank oordeelt dat de notariële akte uit 1978 en de daaraan gehechte tekening, hoewel niet ingeschreven in de openbare registers, wel degelijk aangeven dat het plein bestemd is tot buurweg of mandelige zaak. Het plein is mandelig omdat het gemeenschappelijk eigendom is en bestemd is tot gemeenschappelijk nut. De plaatsing van de schutting door de gedaagde is onrechtmatig en moet worden verwijderd. De rechtbank legt een dwangsom op en veroordeelt de gedaagde in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot verwijdering van de schutting en herstel van het plein omdat het plein mandelige zaak is en de afsluiting onrechtmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/458752 / HZ ZA 25-306
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van

1.[naam eiser 1] ,2. [naam eiser 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. M. Smit,
tegen

1.[naam gedaagde 1] ,

2.
[naam gedaagde 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. W. Leistra.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 april 2026
- de mondelinge behandeling van 18 maart 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[de eiser] is sinds 5 september 2008 eigenaar van de woning op het perceel aan de [adres 1] te [woonplaats] ter grootte van 171 m², kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , [kadasterkenmerken adres 1] (productie 1 van [de eiser] ).
2.2.
[de gedaagde] is sinds 29 april 2022 eigenaar van de woning op het perceel aan de [adres 2] te [woonplaats] ter grootte van 332 m², kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , [kadasterkenmerken adres 2] (productie 2 van [de eiser] ).
2.3.
De percelen van [de eiser] en [de gedaagde] grenzen aan de achterzijde aan elkaar. De ligging van de percelen blijkt uit de volgende luchtfoto met kadastrale grenzen:
[ Afbeelding geanonimiseerd.]
Het achterste deel van het perceel van [de gedaagde] ligt op een plein, met een (deel van een) pad.
2.4.
In de leveringsakte van 29 april 2022 (productie 14 van [de eiser] ) die is opgesteld ten behoeve van de overdracht van het perceel aan [de gedaagde] is in artikel 2, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“(…)
Staat van het registergoed, gebruik.
Artikel 2.
1. Het registergoed wordt aan koper in eigendom overgedragen in de staat waarin het zich bij het tot stand komen van de koopovereenkomst bevond, met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, zichtbare en onzichtbare gebreken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan.
2. Koper aanvaardt uitdrukkelijk alle lijdende erfdienstbaarheden, bijzondere lasten en beperkingen, afzonderlijke zakelijke rechten, kettingbedingen en kwalitatieve verplichtingen, blijkend en/of voortvloeiend uit de laatste en voorgaande akten van eigendomsoverdracht, waarvan aan partijen bekend is voormelde titel van aankomst, in welke akte onder meer het navolgende staat vermeld, woordelijk luidende:
“VERPLICHTINGEN/KETTINGBEDINGEN
Met betrekking tot de verplichtingen/kettingbedingen jegens na te noemen vroegere rechthebbenden en/of derden die ter zake van het verkochte op verkoper rusten en die laatstgenoemde verplicht is aan de opvolgende eigenaren/rechthebbenden op te leggen, wordt ten deze verwezen naar:
- een akte van verkoop en koop, tevens vaststellende verkoopvoorwaarden en erfdienstbaarheden – hierna ook te noemen: “de Algemene Akte”- op (…januari 1978 verleden, rb
), welke bepalingen aan partijen volkomen bekend zijn en geacht worden letterlijk en onverkort in deze akte te zijn opgenomen.
(…)
BESTAANDE ERFDIENSTBAARHEDEN
Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden en/of kwalitatieve bedingen wordt verwezen naar een akte van transport, op (…31 januari 1978 verleden, Rb
) waarin woordelijk staat vermeld:
2. Ten deze worden gevestigd de volgende erfdienstbaarheden over en weer ten behoeve en ten laste van de bij deze akte overgedragen kavel en de daaraan grenzende kavels, alle deel uitmakende van het voormelde kadastrale perceel:
a. licht, b. uitzicht, c. inbalking, inankering en overbouw, d. waterloop en drop, zoals nader omschreven in de Algemene Akte.
5. Het tot pad geprojecteerde gedeelte van het gekochte wordt bij deze bestemd tot buurweg; het eventueel meerdere tot gemeenschappelijk gebruik bestemde gedeelte van het gekochte wordt bestemd tot mandelige zaak; beide gedeelten zijn met blauw gearceerde lijnen op voormelde tekening aangegeven.””
De bepalingen van genoemde Algemene Akte worden geacht letterlijk en onverkort in deze akte te zijn opgenomen, partijen verklaren hiermee volledig bekend te zijn, koper verklaart hiervan een kopie te hebben ontvangen
.
(…)”
In de notariële akte van 9 januari 1978, waarnaar in de akte van levering aan [de gedaagde] wordt verwezen (hierna: de Algemene Akte, productie 16 van [de eiser] ) hebben de gemeente [woonplaats] en de projectontwikkelaar destijds de koopovereenkomst vastgelegd met betrekking tot de grond voor het bouwplan waartoe de percelen van partijen behoren. In de Algemene Akte is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
De op voormelde tekening met blauw gearceerde lijnen aangegeven gedeelten worden door de betreffende eigenaren van de kavels bij de overdracht bestemd tot buurwegen casu quo mandelige zaken, op welke gedeelten van toepassing zijn de bepalingen uit het burenrecht (de artikelen 672 en verder Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek).
(…)”
Over de tekening waarnaar in de Algemene Akte is verwezen is verder opgenomen dat deze aan de akte wordt gehecht maar niet is bestemd voor overschrijving in de openbare registers. Die tekening (uit 1977 van Gemeentewerken [woonplaats] afdeling Grondbeheer) ziet er, voor wat betreft de percelen van partijen, als volgt uit (productie 17 van [de eiser] ):
[ Afbeelding geanonimiseerd.]
Het perceel van [de eiser] is in de tekening het perceel met nummer [nummer] , het perceel van [de gedaagde] is het perceel met nummer [nummer] .
2.5.
Tot 2025 was het plein geheel toegankelijk vanuit paden die tussen de achtertuinen van omwonenden lopen en die de achtertuinen ontsluiten op de openbare weg.
2.6.
Op 25 augustus 2022 heeft [de gedaagde] een kadastrale erfgrensconstructie laten maken, waarna hij met [de eiser] in gesprek is gegaan over zijn plan om een schutting op het plein te plaatsen en een groot deel van het plein zo bij zijn tuin te trekken.
2.7.
In het contact tussen partijen in de periode daarna heeft [de eiser] zich op het standpunt gesteld dat [de gedaagde] niet gerechtigd is om de schutting te plaatsen omdat de bewoners van de aangrenzende percelen dan geen toegang meer hebben tot een groot deel van het plein.
2.8.
Bij brief van 29 juni 2023 (productie 6 van [de eiser] ) heeft notaris mr. [notaris] [de eiser] onder meer als volgt bericht over het plein:
“(…)
Dit pleintje of achterommetje is bij de bouw van de woningen eind jaren zeventig van de vorige eeuw ontstaan doordat alle eigenaren van de woningen destijds een strookje van hun eigen grond beschikbaar stelden.
Er werd op die beschikbaar gestelde stukjes grond een erfdienstbaarheid van buurweg gevestigd en daar waar het beschikbaar gestelde stukje grond niet van een bewoner was maar van bijvoorbeeld de gemeente of de (…) projectontwikkelaar kwam een mandelige zaak tot stand (alle eigenaren van de woningen werden eigenaar van een deze zaak.
Om onduidelijkheid in de toekomst te voorkomen werden de paden en pleintjes op een tekening aangegeven, deze tekening werd gehecht aan de “Algemene Akte” toen u de woning kocht heeft u van deze akte en de tekening een kopie ontvangen van de makelaar en de notaris waar u de leveringsakte hebt ondertekend heeft de verwijzing naar de paden en pleintjes als het goed is opgenomen in de akte van levering en u gewezen op de gevolgen van het feit dat er sprake is van een erfdienstbaarheid van buurweg.
U bekend zijn twee kaartjes (…). Op de eerste kaart kunt zien dat de achtergrenzen van alle percelen naadloos op elkaar aansluiten op de tweede kaart kunt u zien dat vanaf de achterkant van de diverse schuurtjes een buurweg (paden en pleintjes) geldt. Deze grond mag u niet gebruiken als tuin of afsluiten voor de buren, ze hebben het recht om die grond van u te gebruiken, net zoals u het recht heeft om de buurweg (paden en pleintjes) te gebruiken voor zover die over de grond van de buren loopt.
(…)
Ik heb een brief met gelijke strekking als deze verzonden aan uw achter buren.
(…)”
2.9.
Bij brief van 9 december 2024 (productie 7 van [de eiser] ) heeft [de gedaagde] informatie van zijn advocaat gekregen over het recht van buurweg in de zin van artikel 719 Oud Pro BW en artikel 160 van Pro de Overgangswet nieuw BW, waarin is bepaald dat de inwerkingtreding van het (nieuw) BW geen wijziging brengt in buurwegen die vóór 1992 zijn ontstaan. [de gedaagde] is medegedeeld dat volgens de openbare registers in 1978 een recht van buurweg is gevestigd, op een gedeelte op de achterzijde van zijn perceel, op de luchtfoto rood omlijnd, dat de wijze van het gebruik niet in de leveringsakte is genoemd en dus wordt bepaald door de stilzwijgende bestemming die omwonende eigenaren daar destijds aan hebben gegeven. De advocaat van [de gedaagde] stelt zich daarbij op het volgende standpunt:
“In dit geval gaat het om een smal pad dat uitkomt op een klein plein. Het pad is naar uiterlijke toestand overduidelijk bestemd als een achterom voor voetgangers en fietsers. Zo wordt het pad ook sinds jaar en dag gebruikt door de verschillende eigenaren. De verschillende eigenaren kunnen vanuit hun tuin deze achterom van en naar de openbare weg komen. (…)
Een recht van buurweg moet beantwoorden aan de bestemming die aan het recht van buurweg is gegeven. Een belemmering waardoor de bestemming wordt beperkt, is dus niet zomaar toegestaan. Daarvoor heeft eigenaar toestemming nodig van zijn buren. (…)
In dit geval zou de buurweg mogen worden versmald tot de breedte van het pad. Immers door die versmalling wordt er
geenafbreuk gedaan aan de bestemming van de buurweg: een achterom voor voetgangers en fietsers. (…)”
2.10.
Op 10 januari 2025 heeft [de gedaagde] [de eiser] op de hoogte gesteld van de brief van zijn advocaat en op 14 januari 2025 heeft hij de schutting om een groot deel van het plein geplaatst (op de plek van de witte lijn in de afbeelding in r.o. 2.3).
2.11.
Bij brief van 21 januari 2025 (productie 9 van [de eiser] ) heeft de advocaat van [de eiser] aan [de gedaagde] bericht dat hij door de plaatsing van de schutting onrechtmatig handelt en is [de gedaagde] gesommeerd om de schutting binnen vier weken te verwijderen en verwijderd te houden.
2.12.
[de gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [de gedaagde] te veroordelen tot het verwijderen en verwijderd houden van de schutting en alle roerende en onroerende zaken, voor zover deze op de tot gemeenschappelijk bestemde grond staan en het gemeenschappelijke pleintje te herstellen in de oorspronkelijke staat;
II Vorenstaande binnen zes weken na betekening van dit vonnis, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 500,00 per dag(deel) dat hieraan niet wordt voldaan, met een maximum van € 30.000,00 en hieraan toe te voegen dat [de eiser] het recht toekomt om zodra [de gedaagde] alle dwangsommen mocht hebben laten verbeuren, de werkzaamheden zelf te laten uitvoeren om de schutting en alle overige zaken van de tot gemeenschappelijk bestemde grond te verwijderen en af te voeren op kosten van [de gedaagde] ;
III. [de gedaagde] te veroordelen in de kosten en de nakosten van deze procedure met wettelijke rente daarover indien hij deze kosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis heeft voldaan.
3.2.
[de eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat uit de Algemene Akte blijkt dat op de plek van het plein sprake is van een buurweg of van een mandelige zaak. In de akte staat duidelijk dat de blauw gearceerde grond bestemd is tot buurweg casu quo mandelige zaak, zodat dat gebied bestemd is tot gebruik door de omwonenden. De exacte bestemming en wijze van het toegestane gebruik ervan staan niet in de akte beschreven en moeten daarom zo breed mogelijk uitgelegd worden. Het plein dient voor omwonenden dan ook altijd en volledig toegankelijk te zijn, althans omwonenden hebben het recht het plein te gebruiken zoals het in het verleden is gebruikt. [de eiser] stelt dat het plein niet alleen is gebruikt als uitweg maar bijvoorbeeld ook voor spel, sport, klussen en sociale activiteiten. Voor zover het plein geen buurweg is, is het plein mandelig of gemeenschappelijke grond. Het plein strekt zich immers uit over meerdere percelen die aan verschillende eigenaren toebehoren. Belemmering van het gebruik van het plein door plaatsing van de schutting zonder instemming van de omwonenden is niet toegestaan en daarom onrechtmatig, aldus [de eiser] .
3.3.
[de gedaagde] voert als verweer dat niet het gehele plein maar alleen “de brandgang” (een smalle strook in het verlengde van de paden tussen de achtertuinen, hierna te noemen: het pad) dient voor de ontsluiting van percelen tot de openbare weg. Op het pad rust een recht van buurweg. [de gedaagde] stelt dat hij 60 centimeter van zijn perceel heeft vrijgelaten ten behoeve van het pad en betwist dat het pad smaller is geworden. Er is daarom geen nut en noodzaak van een uitweg over het gehele plein. Het recht dat [de eiser] stelt te hebben op (gebruik van) het gehele plein is onvoldoende bepaalbaar om het bestaan van dat recht vast te stellen. Volgens [de gedaagde] is het plein niet geheel aan te merken als buurweg en is het evenmin mandelig omdat het niet strekt tot uitweg of gemeenschappelijk nut. Dat gemeenschappelijk nut is volgens [de gedaagde] ook niet ingeschreven in de openbare registers. [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Niet in geschil is dat op de percelen van partijen een erfdienstbaarheid van buurweg rust ten behoeve van omliggende percelen. Partijen erkennen dat op grond daarvan een deel van hun perceel voor omwonenden toegankelijk dient te zijn om van hun achtertuinen te komen en te gaan naar de openbare weg. Partijen zijn echter verdeeld over de vraag of alleen een strook aan de achterzijde toegankelijk moet blijven of het gehele plein.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat uit de kaart met kadastrale grenzen (weergegeven in r.o. 2.3) blijkt dat het perceel van [de gedaagde] mede een deel van het plein omvat en dat [de gedaagde] aldus mede eigenaar is van de grond waarop het plein gelegen is. [de gedaagde] stelt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het pad (door hem aangeduid als brandgang) en de rest van het plein en dat hij als enig eigenaar van de rest van het plein het exclusieve recht heeft om de rest van het plein te gebruiken en het af te sluiten met de door hem geplaatste schutting. [de eiser] stelt dat afsluiting van het plein door [de gedaagde] onrechtmatig is. Zij beroept zich op artikel 719 oud Pro BW (buurweg), althans op 5:64 BW (mandeligheid). Volgens haar strekt het plein zich over meerdere percelen uit en is het gemeenschappelijk eigendom, zodat iedere deelgenoot bevoegd is tot gebruik van het plein.
4.3.
De rechtbank stelt op grond van de overgelegde foto’s die zijn voorzien van kadastrale grenzen (productie 3 van [de eiser] en de foto’s in de conclusie van antwoord van [de gedaagde] ) vast dat de paden tussen de percelen en het plein zich uitstrekken over meerdere percelen van verschillende eigenaren. In het licht van die foto’s en de door [de eiser] (als productie 19) van het plein overgelegde foto’s, waaruit niet blijkt van een onderscheid tussen het plein en (een daaromheen gelegen) pad, heeft [de gedaagde] zijn stelling dat het plein geheel van hem is onvoldoende onderbouwd. Daarvan uitgaande overweegt de rechtbank als volgt over de vraag of de plaatsing van de schutting door [de gedaagde] als onrechtmatig is aan te merken.
4.4.
[de eiser] heeft ter onderbouwing van haar stellingen gewezen op de Algemene Akte waarnaar is verwezen in de akte van levering aan [de gedaagde] van 29 april 2022. In die leveringsakte is opgenomen dat de bepalingen in de Algemene Akte voor wat betreft de op het perceel rustende erfdienstbaarheden, bijzondere lasten en beperkingen en afzonderlijke zakelijke rechten geacht worden letterlijk en onverkort in de leveringsakte te zijn opgenomen en heeft [de gedaagde] verklaard daarmee volledig bekend te zijn en er een kopie van te hebben ontvangen. [de eiser] heeft daarbij als productie 17 een tekening overgelegd (waarvan het gedeelte dat betrekking heeft op de percelen van partijen is opgenomen in r.o. 2.4) en gesteld dat daaruit blijkt dat het gehele plein tot buurweg of mandelige zaak is bestemd en niet slechts een deel ervan.
[de gedaagde] erkent dat zijn perceel is belast met een erfdienstbaarheid in verband met een buurweg/uitweg ten behoeve van percelen van omwonenden, maar hij betwist dat het door hem omheinde deel van het plein toegankelijk moet blijven voor omwonenden. De schutting is volgens [de gedaagde] zo gepositioneerd dat de ruimte erachter (door hem aangeduid als brandgang) is te gebruiken als buurweg en omwonenden voldoende ruimte biedt voor toegang tot de openbare weg. Het door hem omheinde gedeelte van het plein is daarvoor niet nodig en uit de tekst van de aktes blijkt volgens hem ook niet (voldoende bepaald) dat op het plein een gebruiksrecht rust en wat het gemeenschappelijk nut ervan is. De door [de eiser] overgelegde tekening is niet ingeschreven in de openbare registers en kan daarom geen rol spelen bij het objectief vaststellen van het bestaan en de omvang van een recht van buurweg. [de gedaagde] betwist dan ook dat [de eiser] enig recht heeft op het door hem omheinde gedeelte van het plein. [de gedaagde] betwist verder dat sprake is van een mandeligheid omdat niet is voldaan aan in artikel 5:60 BW Pro gestelde voorwaarden.
4.5.
Vast staat dat de door [de eiser] overgelegde tekening, waarop het plein als blauw gearceerd is aangewezen als buurweg of mandelige zaak, niet is ingeschreven in de openbare registers. Dat dit ook niet de bedoeling was, blijkt uit de Algemene Akte zelf waarin de tekening op de eerste bladzijde is genoemd als
“nader op de aan deze akte te hechten, niet voor overschrijving in de openbare registers bestemde, situatietekening met kenmerk G 77 – 246 a”. De tekening is kennelijk wél aan de Algemene Akte gehecht, maar niet ingeschreven in de openbare registers. Hoewel die inschrijving in de openbare registers niet heeft plaatsgevonden, dient de tekening naar het oordeel van de rechtbank in dit geval toch in aanmerking te worden genomen bij de vraag of het plein als buurweg dient of een mandelige zaak is. Uit de Algemene Akte blijkt immers (naar objectieve maatstaven) duidelijk dat het in 1978 de bedoeling van partijen was om een deel van de percelen van partijen te bestemmen tot buurweg of mandelige zaak en dat die betreffende delen zijn aangegeven met blauw gearceerde lijnen op die tekening. De (met kenmerk aangeduide) tekening is aan de Algemene Akte gehecht en maakt aldus deel uit van die notariële akte. Hoewel de tekening zelf niet kenbaar is uit openbare registers, is de tekening wél voor derden kenbaar
aan de hand vande in openbare registers ingeschreven stukken (door de concrete verwijzing daarnaar in de Algemene Akte die wél is ingeschreven). Die tekening is als onderdeel van een notariële akte op te vragen bij het notariskantoor dat de Algemene Akte heeft opgemaakt, zoals namens [de eiser] op de zitting onbetwist is gesteld. Op die manier was het ook voor [de gedaagde] mogelijk om
aan de hand vande Algemene Akte en de verwijzing daarin naar de tekening te bepalen wat de bedoeling van partijen destijds was bij van het vestigen van het recht van buurweg/het aanwijzen als mandelige zaak. Nu [de gedaagde] bij de overdracht van zijn woning heeft verklaard volledig bekend te zijn met de Algemene Akte en de inhoud daarvan letterlijk en onverkort geacht wordt te zijn overgenomen in de akte van levering van 29 april 2022, gaat de rechtbank ervan uit dat [de gedaagde] ook bekend was, althans bekend heeft moeten en kunnen zijn met de tekening waarnaar in de Algemene Akte is verwezen. Uit die tekening blijkt ondubbelzinnig dat het plein is bestemd tot
“buurwegen casu quo mandelige zaken”.
Buurweg of mandelige zaak
4.6.
[de eiser] stelt dat uit de aktes niet blijkt welk deel van de blauw gearceerde grond als buurweg en welk deel als mandelige zaak is bestemd. Dat onderscheid is volgens haar ook niet relevant voor de beoordeling van haar vorderingen omdat [de gedaagde] hoe dan ook gehouden is om het gehele plein vrij toegankelijk te houden voor omwonenden. Volgens [de gedaagde] is voor wat betreft het door hem omheinde deel van het plein niet voldaan aan de eisen die golden voor het vestigen van een buurweg en is het evenmin als mandelige zaak te beschouwen nu niet is voldaan aan de vereisten van artikel 5:60 BW Pro omdat het gemeenschappelijk nut niet is ingeschreven in de openbare registers en het recht niet voldoende bepaalbaar is. Hij stelt zich dan ook op het standpunt dat hij het door hem omheinde deel van het plein niet toegankelijk voor anderen hoeft te houden.
Buurweg
4.7.
Een buurweg kan onder het huidige recht niet meer ontstaan. Artikel 719 oud Pro BW is komen te vervallen bij de invoering van het huidige BW. Er is geen vergelijkbare nieuwe bepaling opgenomen in het huidige BW maar de buurwegen die bestonden op het moment van invoering van het huidige BW zijn blijven bestaan op grond van artikel 160 van Pro de Overgangswet NBW. De vraag in deze zaak is dus of onder het oud BW een buurweg is ontstaan op het gehele plein.
4.8.
Artikel 719 oud Pro BW luidde als volgt:
“Voetpaden, dreven of wegen aan verscheidenen geburen gemeen, en welke hun tot eenen uitweg dienen, kunnen niet dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd of tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelve zijn bestemd geweest.”Er was geen bepaling opgenomen over het
ontstaanvan een buurweg. Volgens jurisprudentie ontstond een buurweg door de (subjectieve)
bestemmingdie aan de weg is gegeven door de rechthebbende(n). De bestemming tot buurweg hoeft niet expliciet te zijn gegeven, maar kan ook worden afgeleid uit feitelijke omstandigheden, waarbij de wijze waarop de weg wordt gebruikt van belang kan zijn. Dat neemt niet weg dat de beslissing over het bestaan en de omvang van een recht van buurweg moet worden ontleend aan de aan het betrokken perceel gegeven bestemming. Het enkele gedogen door de eigenaar van een weg van het gebruik ervan door een buurman, brengt nog niet met zich dat de weg tot buurweg wordt bestemd (HR 3 december 1965, ECLI:NL:HR: 1965:AB6780 en HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR: 2006:AX9402).
4.9.
De rechtbank stelt vast dat uit de Algemene Akte niet blijkt of de rechthebbenden (ook) het plein de bestemming buurweg hebben gegeven. Daarin is slechts bepaald dat het blauw gearceerde gedeelte
“tot buurwegen casu quo mandelige zaken”is bestemd, zodat onduidelijk is welk deel daarvan als buurwegen is bestemd en welk deel als mandelige zaken. In de akte van transport van 31 januari 1978, waarnaar in de akte van levering aan [de gedaagde] van 29 april 2022 is verwezen en waaruit bepalingen zijn overgenomen, is over de bestemming van de blauw gearceerde grond bepaald dat “
Het tot pad geprojecteerde gedeelte van het gekochte wordt (…) bestemd tot buurweg; het eventueel meerdere tot gemeenschappelijk gebruik bestemde gedeelte van het gekochte wordt bestemd tot mandelige zaak.” In deze akte is dus een onderscheid gemaakt tussen
“het tot pad geprojecteerde”en
“het eventueel meerdere”. Hoewel niet precies is bepaald wat
“het tot pad geprojecteerde”is en wat het
“meerdere”is, gaat de rechtbank ervan uit dat met het pad de smallere gedeelten ter plaatse van de erfgrenzen tussen de percelen is bedoeld omdat dat eruit ziet en gebruikt wordt als voet/fietspad om te komen en gaan van en naar de openbare weg. Voor het bredere stuk – het plein – is voor die doorgang niet geheel nodig. Zoals hiervoor in r.o. 4.3 is overwogen is ter hoogte van het plein ook geen pad te onderscheiden van het plein. Overigens heeft [de gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat het recht van buurweg is beperkt tot een smaller deel van het plein waarover omwonenden van/naar hun achtertuinen kunnen gaan het komen naar/van de openbare weg. Om te komen en gaan is immers niet de gehele breedte van het plein nodig. In het midden kan echter worden gelaten of een deel van het plein – en zo ja welk deel – is aan te merken als buurweg omdat, het plein – voor zover het plein niet is aan te merken als buurweg – een mandelige zaak is. De rechtbank overweegt daarover als hierna volgend.
Mandelige zaak
4.10.
Mandeligheid kan van rechtswege ontstaan (zoals bij gemeenschappelijke scheidsmuren, hekken of heggen op de erfgrens, artikel 5:62 BW Pro) of op grond van een rechtshandeling (contractuele mandeligheid, geregeld in artikel 5:60 BW Pro). In het oud BW was geen algemene regeling van mandelige zaken opgenomen, zodat tot 1992 geen duidelijke wettelijke grondslag was voor andere situaties dan die in de wet geregeld. Omdat er wel behoefte was aan een regeling voor gemeenschappelijke wegen, paden, speelplaatsen, plantsoenen en dergelijke is in het huidige BW een regeling getroffen. Daarbij is in artikel 162 van Pro de Overgangsweg NBW bepaald dat mandeligheid op 1 januari 1992 bestond indien op dat moment was voldaan aan de vereisten van 5:60 of 5:62 BW. Dat betekent dat contractuele mandeligheden die onder het oude recht (zonder wettelijke grondslag) bij notariële akte in het leven zijn geroepen en zijn ingeschreven in de openbare registers vanaf de invoering van het nieuwe wetboek (alsnog) een wettelijke grondslag hebben gekregen (Asser/Bartels & Vonck 5, Hoofdstuk 5 nr. 160a).
In artikel 5:60 BW Pro is bepaald dat mandeligheid ontstaat wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van eigenaars van twee of meer erven en door hen tot gemeenschappelijk nut van die erven wordt bestemd bij een tussen hen opgemaakte notariële akte, gevolgd door inschrijving in de openbare registers.
4.11.
De rechtbank volgt [de gedaagde] niet in zijn stelling dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 5:60 BW Pro. Zoals in r.o. 4.9 is overwogen is in de akte van transport van 31 januari 1978 over de bestemming van de blauw gearceerde grond bepaald dat “
Het tot pad geprojecteerde gedeelte van het gekochte wordt (…) bestemd tot buurweg; het eventueel meerdere tot gemeenschappelijk gebruik bestemde gedeelte van het gekochte wordt bestemd tot mandelige zaak.” Voor zover het plein als “het meerdere” niet is aan te merken als buurweg, geldt dus dat het als eigendom van meerdere eigenaren is bestemd tot gemeenschappelijk gebruik en dus tot gemeenschappelijk nut is bestemd. Dat gemeenschappelijk nut van (dat deel van) het plein is in 1978 vastgelegd in een notariële akte tussen de destijds betrokken eigenaren en ingeschreven in de openbare registers. Het plein maakt immers deel uit van het blauw gearceerde gebied. Dat betekent dat aan de hand van de openbare registers kenbaar is dat het plein bestemd is voor gemeenschappelijk gebruik. Anders dan [de gedaagde] stelt is het gemeenschappelijk nut wél omschreven in de aktes. Daarbij heeft [de eiser] met verklaringen van omwonenden onderbouwd gesteld dat en hoe het plein in de periode van 1978 tot 2025 door omwonenden ook daadwerkelijk is gebruikt voor diverse doeleinden. Voor zover [de gedaagde] betoogt dat uit de openbare registers moet blijken welke precieze invulling aan dat gemeenschappelijke nut moet worden gegeven, slaagt dat betoog niet. In het onderhavige geval, waarin het gemeenschappelijke nut van het plein (feitelijk) voldoende duidelijk is, is het plein mandelig geworden doordat het in de akte van 1978 zo is bestemd. [de gedaagde] dient de overige mede-eigenaars van het blauw gearceerde gebied daarom toegang te geven tot het plein (artikel 5:64 BW Pro).
Schutting verwijderen
4.12.
Door plaatsing van de schutting heeft [de gedaagde] in strijd met het bepaalde in artikel 5:64 BW Pro de omwonende mede-eigenaars de toegang tot een deel van het plein ontnomen. De plaatsing en het geplaatst houden van de schutting door [de gedaagde] is dan ook onrechtmatig jegens die omwonende mede-eigenaars. De vordering van [de eiser] tot het verwijderen en verwijderd houden van de schutting en andere roerende en onroerende zaken zal dan ook worden toegewezen (op grond van het bepaalde in artikel 3:296 lid 1 BW Pro). [de gedaagde] heeft bezwaren geuit tegen de gevorderde termijn van zes weken voor de verwijdering omdat hij het door hem omheinde deel van het plein al als zijn tuin heeft ingericht, voor de verwijdering afhankelijk is van een uitvoerder, van de bouwvak en van vorst in de grond. De rechtbank acht een termijn van twee maanden redelijk voor verwijdering van de schutting en overige zaken. Daarbij is in aanmerking genomen dat [de gedaagde] door plaatsing van de schutting en inrichting van het plein als tuin bewust het risico heeft genomen dat hij het plein in de oude staat zou moeten terugbrengen. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt dat [de eiser] (onderbouwd met het advies van notaris mr. [notaris] ) aan [de gedaagde] kenbaar heeft gemaakt waarom plaatsing van de schutting volgens haar niet was toegestaan. Desondanks is [de gedaagde] tot plaatsing van de schutting en inrichting van de tuin overgegaan. Hij zal zich als gevolg daarvan moeten inspannen om het plein voortvarend weer in de oude staat te herstellen.
Dwangsom
4.13.
[de gedaagde] voert verweer tegen de gevorderde dwangsom. Hij voert aan bereid te zijn tot overleg en aan een veroordelend vonnis te zullen voldoen. Dat [de gedaagde] aan een veroordeling zal voldoen is voor de rechtbank geen aanleiding voor afwijzing van de vordering om een dwangsom op te leggen. Indien [de gedaagde] aan de veroordeling voldoet, is oplegging van de dwangsom immers niet bezwaarlijk voor hem. Bovendien is voor overleg al voldoende gelegenheid geweest, zo ook nog tijdens de (schorsing van de) zitting, maar dat heeft kennelijk niet tot een oplossing geleid en kan nu geen reden zijn voor afwijzing van de gevorderde dwangsom. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze én het daaraan te verbinden maximum zal worden beperkt als hierna volgend. Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van de geschonden belangen en de beoogde prikkelende werking van de dwangsomoplegging. De vordering van [de eiser] om de werkzaamheden zelf uit te (laten) voeren op kosten van [de gedaagde] zal worden afgewezen. De rechtbank heeft er begrip voor dat [de gedaagde] zelf wil zorgdragen voor de werkzaamheden op zijn grond. Dit laat onverlet, dat in geval van voortgaande overtreding van dit vonnis, oplegging van hogere dwangsommen kan worden gevorderd dan wel hernieuwde oplegging van dezelfde dwangsommen en/of alsnog kan worden gevorderd dat [de eiser] de verwijdering mag laten uitvoeren op kosten van [de gedaagde]
4.14.
voert verweer tegen de vordering van [de eiser] om het vonnis uitvoerbaar te verklaren. Het uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, indien gevorderd, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd hangende een hogere voorziening. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze beoordeling blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aan te wenden rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing (ECLI:NL:HR:2019:2026). [de gedaagde] heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat hij aanzienlijke kosten moet maken om het plein in oude staat te herstellen. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat het belang van [de gedaagde] bij het behoud van de bestaande toestand zolang dit vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan, zwaarder weegt dan het belang van [de eiser] bij uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis. De vordering van [de eiser] daartoe zal daarom worden afgewezen.
4.15.
[de gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.972,43
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [de gedaagde] tot het verwijderen en verwijderd houden van de schutting en alle roerende en onroerende zaken voor zover die op het plein staan en tot herstel van het plein in de oorspronkelijke staat,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] om nadat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan aan [de eiser] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij na twee maanden na betekening van het vonnis en het in kracht van gewijsde gaan aan de veroordeling in 5.1 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.3.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.972,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
JO/Ma