Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.[naam eiser 1] ,2. [naam eiser 2] ,
1.[naam gedaagde 1] ,
[naam gedaagde 2],
1.De procedure
2.De feiten
), welke bepalingen aan partijen volkomen bekend zijn en geacht worden letterlijk en onverkort in deze akte te zijn opgenomen.
) waarin woordelijk staat vermeld:
.
geenafbreuk gedaan aan de bestemming van de buurweg: een achterom voor voetgangers en fietsers. (…)”
3.Het geschil
4.De beoordeling
“nader op de aan deze akte te hechten, niet voor overschrijving in de openbare registers bestemde, situatietekening met kenmerk G 77 – 246 a”. De tekening is kennelijk wél aan de Algemene Akte gehecht, maar niet ingeschreven in de openbare registers. Hoewel die inschrijving in de openbare registers niet heeft plaatsgevonden, dient de tekening naar het oordeel van de rechtbank in dit geval toch in aanmerking te worden genomen bij de vraag of het plein als buurweg dient of een mandelige zaak is. Uit de Algemene Akte blijkt immers (naar objectieve maatstaven) duidelijk dat het in 1978 de bedoeling van partijen was om een deel van de percelen van partijen te bestemmen tot buurweg of mandelige zaak en dat die betreffende delen zijn aangegeven met blauw gearceerde lijnen op die tekening. De (met kenmerk aangeduide) tekening is aan de Algemene Akte gehecht en maakt aldus deel uit van die notariële akte. Hoewel de tekening zelf niet kenbaar is uit openbare registers, is de tekening wél voor derden kenbaar
aan de hand vande in openbare registers ingeschreven stukken (door de concrete verwijzing daarnaar in de Algemene Akte die wél is ingeschreven). Die tekening is als onderdeel van een notariële akte op te vragen bij het notariskantoor dat de Algemene Akte heeft opgemaakt, zoals namens [de eiser] op de zitting onbetwist is gesteld. Op die manier was het ook voor [de gedaagde] mogelijk om
aan de hand vande Algemene Akte en de verwijzing daarin naar de tekening te bepalen wat de bedoeling van partijen destijds was bij van het vestigen van het recht van buurweg/het aanwijzen als mandelige zaak. Nu [de gedaagde] bij de overdracht van zijn woning heeft verklaard volledig bekend te zijn met de Algemene Akte en de inhoud daarvan letterlijk en onverkort geacht wordt te zijn overgenomen in de akte van levering van 29 april 2022, gaat de rechtbank ervan uit dat [de gedaagde] ook bekend was, althans bekend heeft moeten en kunnen zijn met de tekening waarnaar in de Algemene Akte is verwezen. Uit die tekening blijkt ondubbelzinnig dat het plein is bestemd tot
“buurwegen casu quo mandelige zaken”.
“Voetpaden, dreven of wegen aan verscheidenen geburen gemeen, en welke hun tot eenen uitweg dienen, kunnen niet dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd of tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelve zijn bestemd geweest.”Er was geen bepaling opgenomen over het
ontstaanvan een buurweg. Volgens jurisprudentie ontstond een buurweg door de (subjectieve)
bestemmingdie aan de weg is gegeven door de rechthebbende(n). De bestemming tot buurweg hoeft niet expliciet te zijn gegeven, maar kan ook worden afgeleid uit feitelijke omstandigheden, waarbij de wijze waarop de weg wordt gebruikt van belang kan zijn. Dat neemt niet weg dat de beslissing over het bestaan en de omvang van een recht van buurweg moet worden ontleend aan de aan het betrokken perceel gegeven bestemming. Het enkele gedogen door de eigenaar van een weg van het gebruik ervan door een buurman, brengt nog niet met zich dat de weg tot buurweg wordt bestemd (HR 3 december 1965, ECLI:NL:HR: 1965:AB6780 en HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR: 2006:AX9402).
“tot buurwegen casu quo mandelige zaken”is bestemd, zodat onduidelijk is welk deel daarvan als buurwegen is bestemd en welk deel als mandelige zaken. In de akte van transport van 31 januari 1978, waarnaar in de akte van levering aan [de gedaagde] van 29 april 2022 is verwezen en waaruit bepalingen zijn overgenomen, is over de bestemming van de blauw gearceerde grond bepaald dat “
Het tot pad geprojecteerde gedeelte van het gekochte wordt (…) bestemd tot buurweg; het eventueel meerdere tot gemeenschappelijk gebruik bestemde gedeelte van het gekochte wordt bestemd tot mandelige zaak.” In deze akte is dus een onderscheid gemaakt tussen
“het tot pad geprojecteerde”en
“het eventueel meerdere”. Hoewel niet precies is bepaald wat
“het tot pad geprojecteerde”is en wat het
“meerdere”is, gaat de rechtbank ervan uit dat met het pad de smallere gedeelten ter plaatse van de erfgrenzen tussen de percelen is bedoeld omdat dat eruit ziet en gebruikt wordt als voet/fietspad om te komen en gaan van en naar de openbare weg. Voor het bredere stuk – het plein – is voor die doorgang niet geheel nodig. Zoals hiervoor in r.o. 4.3 is overwogen is ter hoogte van het plein ook geen pad te onderscheiden van het plein. Overigens heeft [de gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat het recht van buurweg is beperkt tot een smaller deel van het plein waarover omwonenden van/naar hun achtertuinen kunnen gaan het komen naar/van de openbare weg. Om te komen en gaan is immers niet de gehele breedte van het plein nodig. In het midden kan echter worden gelaten of een deel van het plein – en zo ja welk deel – is aan te merken als buurweg omdat, het plein – voor zover het plein niet is aan te merken als buurweg – een mandelige zaak is. De rechtbank overweegt daarover als hierna volgend.
Het tot pad geprojecteerde gedeelte van het gekochte wordt (…) bestemd tot buurweg; het eventueel meerdere tot gemeenschappelijk gebruik bestemde gedeelte van het gekochte wordt bestemd tot mandelige zaak.” Voor zover het plein als “het meerdere” niet is aan te merken als buurweg, geldt dus dat het als eigendom van meerdere eigenaren is bestemd tot gemeenschappelijk gebruik en dus tot gemeenschappelijk nut is bestemd. Dat gemeenschappelijk nut van (dat deel van) het plein is in 1978 vastgelegd in een notariële akte tussen de destijds betrokken eigenaren en ingeschreven in de openbare registers. Het plein maakt immers deel uit van het blauw gearceerde gebied. Dat betekent dat aan de hand van de openbare registers kenbaar is dat het plein bestemd is voor gemeenschappelijk gebruik. Anders dan [de gedaagde] stelt is het gemeenschappelijk nut wél omschreven in de aktes. Daarbij heeft [de eiser] met verklaringen van omwonenden onderbouwd gesteld dat en hoe het plein in de periode van 1978 tot 2025 door omwonenden ook daadwerkelijk is gebruikt voor diverse doeleinden. Voor zover [de gedaagde] betoogt dat uit de openbare registers moet blijken welke precieze invulling aan dat gemeenschappelijke nut moet worden gegeven, slaagt dat betoog niet. In het onderhavige geval, waarin het gemeenschappelijke nut van het plein (feitelijk) voldoende duidelijk is, is het plein mandelig geworden doordat het in de akte van 1978 zo is bestemd. [de gedaagde] dient de overige mede-eigenaars van het blauw gearceerde gebied daarom toegang te geven tot het plein (artikel 5:64 BW Pro).