ECLI:NL:RBGEL:2026:5369

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
ARN 25/4167
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 4:17 AwbArt. 7:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdig beslissen en afwijzing dwangsom omzetbelasting

Belanghebbende diende een bezwaarschrift in tegen een verzuimboetebeschikking wegens te late aangifte omzetbelasting. De inspecteur deed tijdig uitspraak op bezwaar, waarna belanghebbende beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat de inspecteur al uitspraak op bezwaar had gedaan vóór het beroep.

Daarnaast verzocht belanghebbende om een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen. De inspecteur weigerde dit, maar deed binnen de wettelijke termijn uitspraak op bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de weigering van de dwangsom terecht is omdat de inspecteur binnen de termijn van twee weken na ingebrekestelling heeft beslist.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en het beroep tegen de weigering van de dwangsom ongegrond. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de weigering van de dwangsom is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4167

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 juli 2026

in de zaak tussen

[bedrijf] B.V, uit [vestigingsplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de fictieve weigering van de inspecteur om te beslissen op het bezwaarschrift van belanghebbende ter zake van de verzuimboetebeschikking van 31 maart 2025 ten bedrage van € 82. Daarnaast beoordeelt zij het beroep van belanghebbende tegen de weigering van de inspecteur om aan belanghebbende een dwangsom toe te kennen.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur: [gemachtigde 2] , [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4] .

Feiten

1. Belanghebbende heeft op 19 mei 2025, derhalve niet tijdig, haar aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2025 ingediend.
2. Omdat belanghebbende de aangifte omzetbelasting heeft ingediend voordat een naheffingsaanslag is opgelegd, is enkel een aangifteverzuimboete opgelegd van € 82. De boetebeschikking heeft een dagtekening 31 mei 2025.
3. Na ontvangst van de boetebeschikking heeft belanghebbende op 19 juni 2025 een bezwaarschrift ingediend. Op 19 juni 2025 heeft belanghebbende ook de betaling van de verschuldigde omzetbelasting uitgevoerd.
4. De wettelijke beslistermijn vangt aan op 15 juli 2025 en eindigt op 25 augustus 2025 (6 weken na 15 juli 2025). [1]
5. Op 24 augustus 2025 heeft belanghebbende een schriftelijke ingebrekestelling (formulier dwangsom) aan de inspecteur toegezonden. Deze is op 27 augustus 2025 door de inspecteur ontvangen.
6. Met dagtekening 29 augustus 2025 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan ter zake van het bezwaarschrift van 19 juni 2025. De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de verzuimboetebeschikking gehandhaafd.
7. Op 12 september 2025 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
8. In de beroepsfase (in het verweerschrift van 26 september 2025) heeft de inspecteur de verzuimboetebeschikking alsnog vernietigd.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank zal beoordelen of het beroep van belanghebbende ter zake van de weigering van de inspecteur om te beslissen op het bezwaar ontvankelijk is. De rechtbank beoordeelt vervolgens of de inspecteur terecht heeft geweigerd een dwangsom aan belanghebbende toe te kennen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Is het beroep niet tijdig beslissen van belanghebbende ontvankelijk?
10. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
11. Belanghebbende heeft op 19 juni 2025 een bezwaarschrift ingediend tegen de boetebeschikking van 31 mei 2025. De inspecteur heeft op 27 augustus 2025 een ingebrekestelling van belanghebbende ontvangen.
12. De termijn waarbinnen de inspecteur een beslissing moet nemen begint te lopen wanneer de ingebrekestelling wordt ontvangen. De inspecteur had uiterlijk woensdag 10 september 2025 een beslissing moeten nemen om binnen de termijn van de ingebrekestelling te blijven. De inspecteur heeft reeds met dagtekening 29 augustus 2025 uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij de boetebeschikking is gehandhaafd.
13. Belanghebbende heeft gesteld dat de uitspraak op bezwaar ten onrechte naar het adres van belanghebbende is gestuurd. Het had volgens belanghebbende naar de gemachtigde moeten worden gestuurd, omdat de gemachtigde het bezwaar heeft ingediend. Deze beroepsgrond slaagt niet. Belanghebbende heeft niet betwist dat de uitspraak op bezwaar met dagtekening 29 augustus 2025 aan belanghebbende is verzonden. Dat de uitspraak volgens belanghebbenden ten onrechte niet aan de gemachtigde is verzonden, wat daar verder ook van zij, laat onverlet dat al op 29 augustus 2025 uitspraak op bezwaar is gedaan. Het niet verzenden naar het juiste adres heeft immers slechts invloed op het aanvangen van de bezwaartermijn, maar niet voor de vraag of rechtsgeldig uitspraak op bezwaar is gedaan. [2]
14. Gelet op het voorgaande is het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk, omdat reeds uitspraak op bezwaar was gedaan ten tijde van het indienen van het beroep wegens niet tijdig beslissen.
Heeft de inspecteur terecht geen dwangsom toegekend?
15. Na ontvangst van de ingebrekestelling heeft de inspecteur op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb nog twee weken om een besluit te nemen zonder dat een dwangsom verbeurd wordt. De inspecteur heeft met dagtekening 29 augustus 2025 uitspraak op bezwaar gedaan. [3] Dat is binnen de termijn van twee weken na ontvangst van de schriftelijke ingebrekestelling. De inspecteur heeft daarom terecht geen dwangsom toegekend. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Het beroep is ongegrond voor zover het betrekking heeft op de toekenning van een dwangsom. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep ter zake van de dwangsom ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 8 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 7:10 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vgl. ECLI:NL:HR:2013:969 (https://www.ndfr.nl/content/ECLI_NL_HR_2013_969).
3.Zie punt 13.