ECLI:NL:RBGEL:2026:5370

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/1348
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 22j AWRArt. 14 WBRArt. 15a WBR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar overdrachtsbelasting en verlaagd tarief

Belanghebbende heeft samen met zijn echtgenote een perceel grond gekocht en daarvoor overdrachtsbelasting betaald. Hij maakte bezwaar tegen de hoogte van de belasting, stellende dat het verlaagde tarief van 2% van toepassing zou moeten zijn. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend.

De rechtbank oordeelt dat de bezwaartermijn van zes weken, die start op de dag na de voldoening van de belasting, is overschreden. Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar was. Het enkele feit dat een verklaring voor het verlaagde tarief was ingediend bij de notaris, betekent niet dat ook tijdig bezwaar is gemaakt bij de inspecteur.

De rechtbank wijst erop dat kennis van de bezwaartermijn en de wijze van bezwaar maken aan belanghebbende kan worden toegerekend, mede omdat hij gebruik heeft gemaakt van een notaris. Het ontbreken van een beschikking of mededeling over de termijn is geen reden voor verschoonbaarheid. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar overdrachtsbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1348

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 februari 2025.
Belanghebbende heeft € 35.880 overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering en hij heeft dat verzoek afgewezen.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote [echtgenote] en namens de inspecteur mr. [gemachtigde 1] en drs. [gemachtigde 2] .

Feiten

1. Belanghebbende heeft op 1 mei 2023 samen met zijn echtgenote de eigendom verkregen van een perceel grond dat gebruikt zal worden voor de realisatie van een nieuw te bouwen woning aan de [straatnaam] ongenummerd, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [nummer] . De koopsom bedroeg € 345.000.
2. Ter zake van de verkrijging is op 9 mei 2023 een bedrag van € 35.880 (zijnde 10,4% van € 345.000) aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.
3. Bij brief van 3 december 2024, door de inspecteur ontvangen op 7 december 2024, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het bedrag dat aan overdrachtsbelasting op aangifte is voldaan.
4. Bij uitspraak op bezwaar van 8 februari 2025 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet op tijd is ingediend.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ontvankelijk is, omdat naar zijn mening de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is. Belanghebbende is verder van mening dat hij in aanmerking komt voor het verlaagde tarief van 2%.
Is tijdig bezwaar ingediend?
8. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint in een geval van een belasting die op aangifte moet worden voldaan, zoals de overdrachtsbelasting, op grond van artikel 22j, letter b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) op de dag na die van de voldoening op aangifte. Vaststaat dat de voldoening op aangifte heeft plaatsgevonden op 9 mei 2023. Het bezwaarschrift is op 7 december 2024 ingediend, dus ruim buiten die bezwaartermijn. Het bezwaar is daarom in beginsel niet-ontvankelijk.
Is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding?
9. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener ervan in verzuim is geweest. Het is aan de indiener van het bezwaar om aannemelijk te maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
10. De Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) stelt als voorwaarde voor de toepassing van het verlaagde tarief dat de belastingplichtige een schriftelijke verklaring opstelt [1] . Die schriftelijke verklaring wordt als onderdeel van de aangifte aan de notariële akte gehecht [2] . De aangifte wordt in dit geval gedaan door aanbieding van de akte ter registratie [3] .
11. Belanghebbende ging ervan uit dat na indiening van de “Verklaring Overdrachtsbelasting laag tarief (2%) (hierna: de verklaring) niet (nogmaals) een bezwaarschrift hoefde te worden ingediend. Volgens belanghebbende is nergens aangegeven dat binnen de termijn van zes weken bezwaar zou moeten worden ingediend. Belanghebbende ging ervan uit dat het bezwaar al was ingediend voorafgaand aan de overdracht bij de notaris. Belanghebbende ging ervan uit dat het toevoegen van de verklaring aan het dossier de indruk wekte dat het proces bij de notaris dan wel de Belastingdienst in gang was gezet en verdere actie van de zijde van belanghebbende niet nodig was.
12. De rechtbank is van oordeel dat met het invullen van de verklaring nog geen bezwaarschrift is ingediend. De verklaring is immers slechts een voorwaarde voor het toepassing van het lage tarief. Als de notaris het lage tarief niet toepast, betekent dit echter niet dat enkel door het overleggen van de verklaring aan de notaris automatisch bezwaar bij de inspecteur is gemaakt. Op het formulier is ook niet vermeld dat daarmee bezwaar zou zijn gemaakt.
13. Belanghebbende heeft verder gesteld dat hij geen beschikking of andere mededeling van de inspecteur heeft ontvangen waarin is vermeld dat hij binnen zes weken (nog een keer) actie moest ondernemen. Ook de notaris heeft hem daarover niet geïnformeerd.
14. De Hoge Raad heeft daarover in zijn arrest van 5 december 2014 [4] als volgt geoordeeld:
“Bij belastingen die worden geheven bij wege van voldoening of afdracht op aangifte is - anders dan bij belastingen die bij wege van aanslag worden geheven - geen sprake van een door de inspecteur daadwerkelijk gegeven beschikking. Om die reden is bij belastingen die worden geheven bij wege van voldoening of afdracht op aangifte niet mogelijk een overeenkomstige toepassing van artikel 3:45 Awb Pro waarin is voorgeschreven dat bij de bekendmaking van besluiten waartegen bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld, moet worden vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk bestuursorgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld (hierna: rechtsmiddelenclausule)
(vgl. Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 6, blz. 12).
(…)
Hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.1 is overwogen neemt niet weg dat een belanghebbende bij voldoening of afdracht van belastingen op aangifte zich bij overschrijding van de bezwaartermijn kan beroepen op artikel 6:11 Awb Pro met het verweer dat die overschrijding verschoonbaar is omdat een rechtsmiddelenclausule ontbrak. Dit verweer faalt in gevallen waarin op grond van de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken.
Belanghebbende heeft ter zitting van de Rechtbank verklaard dat de hiervoor in 2.1.1 bedoelde aangifte bpm op haar naam is gedaan door een gemachtigde met verstand van zaken. Van een dergelijke gemachtigde kan redelijkerwijs worden aangenomen dat hij op de hoogte is van de mogelijkheid bij de inspecteur bezwaar te maken tegen het voldoen van bpm op aangifte, en van de termijn die daarvoor geldt. Die kennis kan aan de belastingplichtige worden toegerekend. Een dergelijke belastingplichtige kan derhalve niet met vrucht een beroep doen op het bepaalde in artikel 6:11 Awb Pro op de enkele grond dat de inspecteur hem niet heeft gewezen op de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de voldoening op aangifte.”
15. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van de beschikking daarom geen reden is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Ook heeft in dit geval te gelden dat, omdat belanghebbende voor de overdracht van het perceel grond gebruik heeft gemaakt van de diensten van een notaris, de kennis van de notaris - dat hij bezwaar kan maken en hoe en wanneer dat dient te gebeuren - aan belanghebbende dient te worden toegerekend. [5] Dat belanghebbende geen kennisgeving of beschikking heeft ontvangen, leidt in dit geval dus niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding.
16. Omdat het bezwaar door de inspecteur terecht niet-ontvankelijk is verklaard, komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke argumenten van belanghebbende ter zake van de hoogte van het toepasselijke tarief voor de overdrachtsbelasting op de verkrijging. Desalniettemin wijst de rechtbank belanghebbende voor wat betreft zijn inhoudelijke argumenten enkel en alleen ter informatie op een uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 april 2026. [6]

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 8 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 14 van Pro de WBR.
2.Artikel 15a van de WBR.
3.Artikel 18 van Pro de WBR.
4.ECLI:NL:HR:2014:3441, r.o. 2.3.1 tot en met 2.3.3.
5.Vergelijk Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3403.