ECLI:NL:RBGEL:2026:5423

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
ARN 25_2341
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 2:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar WOZ-waarden en aanslagen onroerendezaakbelasting

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar die de WOZ-waarden van meerdere onroerende zaken heeft vastgesteld en de aanslagen onroerendezaakbelasting voor 2025 heeft opgelegd. De heffingsambtenaar had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een juiste machtiging van de gemachtigde.

De rechtbank heeft beoordeeld of deze niet-ontvankelijkverklaring terecht was. Op grond van artikel 6:5 Awb Pro moet een bezwaarschrift door een gemachtigde worden ondertekend en moet een schriftelijke machtiging worden overgelegd. Hoewel de gemachtigde had gereageerd op het verzoek om een machtiging, werd deze niet meegestuurd, waardoor de heffingsambtenaar niet kon vaststellen dat het bezwaar rechtsgeldig was ingediend.

De rechtbank oordeelt dat het aan belanghebbende en diens gemachtigde is om te zorgen dat het bezwaarschrift aan de wettelijke eisen voldoet. Omdat dit niet is gebeurd, is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep ongegrond. Tevens wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de termijn minder dan twee jaar bedroeg en geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd.

De rechtbank wijst ook het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter L.Y. Gramsbergen en griffier H. van Huigenbos op 8 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaar en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2341

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),
en

de heffingsambtenaar van Tribuut, de heffingsambtenaar.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 mei 2025.
De heffingsambtenaar heeft de waarden van de onroerende zaken Linie 545, Linie 543, Linie 539, Linie 537, Linie 505, Linie 439, [adres 1] en [adres 2] , alle in [plaats] , op 1 januari 2024 (waardepeildatum) vastgesteld. Met deze waardevaststellingen zijn aan belanghebbende ook de aanslagen onroerendezaakbelastingen van de gemeente [gemeente] voor het jaar 2025 opgelegd. Op het biljet staan daarnaast ook de aanslagen rioolheffing, afvalstoffenheffing en hondenbelasting vermeld.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft belanghebbende op 24 november 2025 verzocht de beroepsgronden en argumenten die zien op de in geschil zijnde onroerende zaak te concretiseren. Belanghebbende heeft daarop gereageerd met een verbijzonderingsbrief.
De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben (via een digitale verbinding) deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [persoon 2] en [persoon 1] .

Feiten

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken. De onroerende zaken zijn woningen.
De WOZ-beschikking en aanslagen zijn gecombineerd op een aanslagbiljet.
3. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een juiste machtiging.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
5. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een bezwaarschrift te worden ondertekend. Wanneer het wordt ingediend door een gemachtigde, wordt het ondertekend door de gemachtigde en kan het bestuursorgaan vragen om een schriftelijke machtiging. [1]
6. Bij brief van 30 april 2025 heeft de heffingsambtenaar gevraagd om een machtiging. Hierop heeft de gemachtigde gereageerd, maar hij heeft geen machtiging meegestuurd.
7. Als gevolg hiervan heeft de heffingsambtenaar niet kunnen vaststellen dat rechtsgeldig bezwaar is gemaakt. De heffingsambtenaar heeft gemachtigde per brief van 11 november 2024 verzocht de bezwaren te verbeteren. In die brief heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat hij eenmalig een brief stuurt met het verzoek om een eventueel verzuim te herstellen. Daarnaast heeft hij er in die brief op gewezen dat de bezwaren niet-ontvankelijk worden verklaard als hij de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn ontvangt. Gelet hierop heeft de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Het is aan belanghebbende en de gemachtigde om te zorgen dat het bezwaarschrift kenbaar voldoet aan de eisen die artikel 6:5 van Pro de Awb stelt. Dat is niet gebeurd.
8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
Vergoeding van immateriële schade
9. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De heffingsambtenaar heeft op 11 april 2025 van belanghebbende een bezwaarschrift ontvangen. De periode tussen de datum van indiening van het bezwaarschrift en de datum van deze uitspraak is minder dan twee jaar. Belanghebbende heeft geen bekorting bepleit van de gebruikelijke termijn van twee jaren voor toekenning van immateriële schadevergoeding en de rechtbank ziet daar ook geen aanleiding toe. Daarom wijst de rechtbank dit verzoek af.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
11. Het voorgaande betekent dat belanghebbende geen proceskostenvergoeding ontvangt. Ook het griffierecht wordt niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken op 8 juli 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2:1, derde lid, van de Awb.