ECLI:NL:RBGEL:2026:5448

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
465679
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:162 BWArt. 6:248 BWArt. 3:44 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen in kort geding over nakoming geldleningsovereenkomst en verhuurverbod

Eisers hebben een perceel in Portugal gekocht en een geldleningsovereenkomst gesloten met Embedding Company. Zij vorderen nakoming van betalingsverplichtingen en toestemming tot verhuur van het perceel, alsmede een verbod op vervroegde opeising van de lening.

De rechtbank overweegt dat de voorwaarden voor betaling van de laatste tranches niet zijn vervuld, omdat het perceel nog niet op naam van eisers staat en er geen woonvergunning is. De uitleg van het verhuurverbod in de overeenkomst is onduidelijk en vereist nader onderzoek, zodat in kort geding geen toestemming tot verhuur kan worden opgelegd.

De vorderingen tot verbod op vervroegde opeising en betaling worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. Ook de reconventionele vordering van Embedding Company tot betaling wordt afgewezen. Beide partijen worden veroordeeld in hun proceskosten.

Uitkomst: Alle vorderingen van eisers en Embedding Company worden afgewezen; partijen worden veroordeeld in hun proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/465679 / KG ZA 26-142
Vonnis in kort geding van 16 juni 2026
in de zaak van

1.[naam eiser in conventie 1] ,

2.
[naam eiser in conventie 2],
beiden wonende te [woonplaats] (Portugal),
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie
hierna samen te noemen: [de eisers] ,
advocaat: mr. M.P. Dol,
tegen
THE EMBEDDING COMPANY B.V.,
gevestigd te Culemborg,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Embedding Company,
advocaat: mr. C. van der Mark.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 43,
- de eis in reconventie met producties 1 tot en met 3,
- de aanvullende producties 44 tot en met 48 van [de eisers] ,
- de aanvullende producties 4 tot en met 17 van Embedding Company,
- de wijziging van eis in conventie,
- de aanvullende productie 49 van [de eisers] ,
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens nadere conclusie van eis in reconventie, tevens wijziging van eis in reconventie,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 mei 2026
- de pleitnota van [de eisers] ,
- de pleitnota van Embedding Company.
1.2.
Na afloop van de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen hun geschil in onderling overleg te regelen. Op 8 juni 2026 hebben beide partijen de voorzieningenrechter bericht dat zij er niet in zijn geslaagd om overeenstemming te bereiken en hebben zij verzocht om vonnis te wijzen.

2.De feiten

2.1.
Op 13 september 2021 heeft [de eisers] een perceel grond van ca. 6680 m2 met bebouwing gekocht gelegen te [woonplaats] in Portugal (hierna: het perceel) voor een koopprijs van € 400.000,00, met de bedoeling daar een community te starten gericht op persoonlijke ontwikkeling en spiritualiteit.
2.2.
In verband met de aankoop van het perceel heeft [de eisers] een geldleningsovereenkomst gesloten met Embedding Company. In die overeenkomst staat, voor zover van belang:
Artikel 2: Hoofdsom Pro
De leninggever heeft op 13 september 2021 aan leningnemer een lening verstrekt van € 430.000,00 (…), welk bedrag leningnemer in leen heeft aanvaard. Voornoemd bedrag geldt als maximum van de overeengekomen lening. Zolang door de leningnemer bij de leninggever een lager bedrag is opgenomen dan € 430.000 (…), geldt dat lagere bedrag als de hoofdsom van de lening.
Het onder 2.1 genoemde bedrag wordt beschikbaar gesteld in 2 fasen. Elke fase kent eigen voorwaarden/afspraken:
a. Fase 1: Wel wonen, geen licentie. Voor deze fase is maximaal 400.000 euro nodig, beschikbaar gesteld in een aantal tranches:
i. 200.000 euro per 14 september '21
ii. 50.000 euro beschikbaar 3 maanden na ondertekening van dit contract
iii. 50.000 euro beschikbaar 6 maanden na ondertekening van dit contract
iv. 100.000 euro beschikbaar op een geblokkeerde rekening; deze 100.000 komt vrij bij het verkrijgen van de woonvergunning (en daarmee het definitieve op naam zetten van genoemde woning en perceel op naam van de leningnemer)
b. Fase 2: Woning en perceel staan op naam van de leningnemer. Daarbij wordt rekening gehouden met het beschikbaar stellen van de laatste tranche van 35.000 euro. Dit bedrag is een indicatie van de kosten t.b.v. kosten makelaar, kosten koper, registratie etc inclusief de aanpassingen die nodig zijn om de woonvergunning te verkrijgen. Mocht een deel van deze tranche eerder beschikbaar moeten zijn dan zal dat bedrag eerder ter beschikking worden gesteld.
(…)
Artikel 5: Vervroegde Pro opeising van 50% van de lening door leninggever
We hebben afgesproken dat leninggever vervroegd (gegeven de overeengekomen looptijd van 15 jaar) 50% van de lening kan opeisen. De andere nog resterende 50% loopt dan gewoon door tot einde looptijd van deze overeenkomst. Betaling van de vervroegde opeising dient voldaan te worden binnen 3 maanden. Hiermee geeft leninggever leningnemer de ruimte om funding te zoeken of de financiering voor dit deel te regelen.
Artikel 6: Overwaarde Pro
Ten aanzien van de overwaarde spreken we het volgende af. Het uitgangspunt ten aanzien van de overwaarde is deze fifty/fifty te verdelen (50% leninggever, 50% leningnemer), specifiek geldt
• In geval van vervroegde opeising (artikel 5) dan wel einde looptijd dan wel vervroegde aflossing door leningnemer van deze overeenkomst geldt een gemaximeerde overwaarde op het totaal van 200.000 euro
• In geval van vervroegde opeising (artikel 5) hoeft de hierboven genoemde gemaximeerde overwaarde van 100.000 euro pas voldaan te worden uiterlijk op datum einde van deze overeenkomst (…)
Artikel 7: Zekerheid Pro
Leningnemer verbindt zich om, zolang hij/zij de uit deze overeenkomst voortvloeiende schuld, ter zake van de hoofdsom, rente en kosten niet volledig aan de leninggever heeft afgelost en betaald, de nu aan leningnemer toebehorende onroerende zaak, bestaande uit een woning/perceel met aanbehoren zoals beschreven in artikel 1, niet zonder vooraf verkregen schriftelijke toestemming van de leninggever geheel noch ten dele te zullen vervreemden, met hypotheek of met andere zakelijke rechten te bezwaren, noch deze te zullen verhuren of verpachten of op enige andere wijze in gebruik te geven aan derden, dit alles het aangaan van verplichtingen tot het een en ander strekkende daaronder begrepen (hierna te noemen: 'de verboden handeling'). Indien de leningnemer geen schriftelijke toestemming heeft en evenmin binnen 4 weken nadat de verboden handeling heeft plaatsgehad aan de leninggever conveniërende alternatieve zekerheden heeft aangeboden verbeurt hij/zij een direct opeisbare boete van 10% van het bedrag genoemd in artikel 2 aan Pro de leninggever.
Zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de leninggever mag de hiervoor genoemde onroerende zaak (woning/perceel zoals benoemd in artikel 1) niet worden verhuurd of verpacht, of op andere manieren in gebruik worden afgestaan of worden gedoogd dat derden deze zaak gebruiken.
De onroerende zaak (woning/perceel zoals benoemd in artikel 1) dient behoorlijk te worden gebruikt en het gebruik mag niet strijden met bij of krachtens de wet daarvoor geldende voorschriften. (…)
Artikel 8: Vervroegde Pro opeising
1. Onverminderd hetgeen partijen zullen overeenkomen omtrent de aflossing op de hoofdsom is al hetgeen de leningnemer aan de leninggever krachtens deze geldlening schuldig is of wordt direct en zonder nadere ingebrekestelling of andere formaliteiten opeisbaar:
a. indien de leningnemer in verzuim is met het nakomen van enige verplichting uit hoofde van deze overeenkomst;
(…)

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[de eisers] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Embedding Company te gebieden om de verplichting bedoeld in artikel 2 lid 2 sub a onder Pro iv na te komen, en aldus om een bedrag van € 100.000,00 te storten op een geblokkeerde rekening buiten de macht van Embedding Company, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,
II. Embedding Company te gebieden om de verplichting bedoeld in artikel 2 lid 2 sub b na Pro te komen, en aldus om een bedrag van € 35.000,00 aan [de eisers] te betalen binnen een dag nadat de onroerende zaak op naam van [de eisers] is gesteld, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,
III. Embedding Compnay te verbieden om binnen een jaar na het te wijzen vonnis het bepaalde in artikel 5 in Pro te roepen strekkende tot terugbetaling van de 50% van de lening, althans voor een duur in goede justitie te bepalen, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,
IV. aan [de eisers] vervangende toestemming te verlenen als bedoeld in artikel 7 van Pro de geldleningsovereenkomst om de onroerende zaak aan derden te mogen verhuren, en/of te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de toestemming van Embedding Company, althans,
Embedding Company te gebieden om aan [de eisers] onherroepelijke toestemming te verlenen als bedoeld in artikel 7 van Pro de geldleningsovereenkomst om de onroerende zaak aan derden te mogen verhuren, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag na de betekening van het te wijzen vonnis met een maximum van € 50.000,00, althans,
Embedding Company te verbieden om verhuur van de onroerende zaak aan derden jegens [de eisers] te frustreren met een beroep op artikel 7, althans de geldleningsovereenkomst en de wet, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag na de betekening van het te wijzen vonnis met een maximum van € 50.000,00, althans,
tot (andere) maatregelen te oordelen om de impasse te doorbreken, in goede justitie te bepalen,
V. Embedding Company te veroordelen in de (reële) kosten van de procedure, waaronder begrepen een bedrag van € 12.500,00 (excl.) aan kosten voor rechtsbijstand, althans een in goede justitie te bepalen bedrag.
3.2.
[de eisers] stelt dat hij dringend inkomsten nodig heeft en dat het niet kunnen/mogen verhuren van (delen van) het perceel hem in financiële problemen brengt. Hij stelt dat partijen met artikel 7 van Pro de geldleningsovereenkomst niet hebben bedoeld om een algeheel huurverbod overeen te komen, maar een verbod op onderhuur van persoonlijke ruimten. Aldus moet die bepaling worden uitgelegd. [de eisers] beroept zich daarnaast op de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW Pro), rechtsverwerking, dwaling en misbruik van recht. Verder maakt [de eisers] aanspraak op nakoming door Embedding Company van de betalingsverplichtingen zoals vastgelegd in artikel 2 lid 2 van Pro de geldleningsovereenkomst. Gelet op de eis in reconventie vordert hij bovendien een verbod voor Embedding Company om binnen een jaar de helft van de geldlening op te eisen.
3.3.
Embedding Company voert aan dat [de eisers] nog geen (juridisch) eigenaar is van het onroerend goed, omdat er nog geen goedgekeurd gebiedsbestemmingsplan is dat wonen op het perceel moet toestaan en er nog geen woonvergunning is verleend. Bij de huidige stand van zaken is verhuur niet toegestaan. De woning staat ook nog niet op naam van [de eisers] , zodat betaling van respectievelijk € 100.000,00 en € 35.000,00 nog niet aan de orde is. Verder lenen de vorderingen van [de eisers] zich niet voor een beoordeling in kort geding. Embedding Company concludeert dan ook tot niet-ontvankelijkheid van [de eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eisers] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
Embedding Company vordert, na wijziging van eis (deels voorwaardelijk), bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [de eisers] hoofdelijk te veroordelen:
tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van € 176.317,04, althans € 108.817,04, althans een (voorschot)bedrag van € 75.000,00,
de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over het onder a) bedoelde bedrag te rekenen vanaf 21 december 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,
de buitengerechtelijke (incasso)kosten ad € 2.538,17, althans € 1.863,17, alsmede,
e wettelijke rente over de onder sub c bedoelde buitengerechtelijke (incasso)kosten te rekenen vanaf de dag van indiening van het onderhavige processtuk tot aan de dag van algehele voldoening,
de kosten van de procedure,
voor het geval betaling van de in sub e bedoelde proceskosten niet binnen 7 dagen na datum vonnis plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede voor het geval niet binnen 7 dagen na datum vonnis volledig aan de inhoud ervan is voldaan, onder afgifte van een bevelschrift ex artikel 237 lid 4 Rv Pro, voor nakosten met een bedrag ad € 296,00, dan wel, indien betekening van het in deze te wijzen vonnis plaatsvindt voor nakosten ad € 385,00,
althans zodanig te oordelen zoals het de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.
3.6.
Embedding Company beroept zich op artikel 5 van Pro de geldleningsovereenkomst, waarin staat dat zij op ieder moment gerechtigd is 50% van het openstaande leningsbedrag op te eisen. Daarnaast maakt zijn aanspraak op een aandeel in de overwaarde (artikel 6 van Pro de geldleningsovereenkomst).
3.7.
[de eisers] betwist dat Embedding Company gerechtigd is om 50% van het leningsbedrag op te eisen en beroept zich op opschorting, schuldeisersverzuim, verrekening met zijn schade en misbruik van omstandigheden.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen en de standpunten van partijen in conventie en in reconventie, zullen deze hierna gezamenlijk worden besproken.
4.2.
Vooropgesteld wordt dat het hier gaat om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Artikel 2 lid 2 van Pro de geldleningsovereenkomst
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat ten tijde van de mondelinge behandeling in kort geding nog geen notariële overdracht van het perceel aan [de eisers] heeft plaatsgevonden en dat het perceel niet op naam van [de eisers] staat. Verder is er geen gewijzigd (gebieds)bestemmingsplan voorhanden en is er (nog) geen woonvergunning aan [de eisers] verleend. De stelling van [de eisers] dat met ingang van 1 januari 2025 de zogenoemde Simplex-regelgeving in Portugal van kracht is geworden, als gevolg waarvan het “binnen enkele weken” tot overdracht van het perceel kan komen, waarbij de woonvergunning “een voldongen feit” is, onder verwijzing naar een e-mail van zijn makelaar, maakt dat niet anders. Deze mededelingen zijn een verwachting, waaraan geen rechten kunnen worden ontleend, en veranderen niets aan de juridische status van [de eisers] met betrekking tot het perceel, waarvan in dit kort geding moet worden uitgegaan. Dat betekent dat aan de voorwaarde voor de door Embedding Company te verrichten betaling (4e tranche) van € 100.000,00 (nog) niet is voldaan. Dat het geld niet op een geblokkeerde rekening staat, doet daaraan niet af. Bovendien volgt uit de door Embedding Company als producties 9 en 11 overgelegde e-mailberichten dat [de eisers] daarmee eerder zelf akkoord is gegaan. Ook de door Embedding Company ter beschikbaar te stellen laatste tranche van € 35.000,00 is niet aan de orde, nu noch het perceel noch de woning op naam van [de eisers] staan. Bij die stand van zaken bestaat voor de door [de eisers] gevorderde veroordelingen tot nakoming van artikel 2 lid 2 onder Pro a en onder b dan ook geen grond. Dat betekent dat de vorderingen onder I. en II. zullen worden afgewezen.
Artikel 7 van Pro de geldleningsovereenkomst
4.4.
Partijen verschillen verder van mening over de vraag hoe artikel 7 lid 2 van Pro de definitieve versie van de geldleningsovereenkomst, waarin -voor zover van belang- staat dat zonder uitdrukkelijke toestemming van de leninggever het perceel niet mag worden verhuurd, moet worden uitgelegd. Vaststaat dat er voorafgaand aan de definitieve, ondertekende versie van de geldleningsovereenkomst diverse conceptversies zijn geweest en dat deze bepaling ook al in een van de eerdere conceptversies stond. Dat in een eerder stadium wellicht (ook) over onderhuur is gesproken, heeft Embedding Company niet ontkend, maar zij betwist dat in de definitieve versie van de geldleningsovereenkomst met “huur” bedoeld is dat het alleen zou gaan om “onderhuur”. Volgens haar kan verhuur een obstakel vormen voor de instanties die beslissen over het bestemmingsplan en de woonvergunning en is daarom deze bepaling opgenomen. Het voorgaande betekent dat binnen het bestek van dit kort geding niet kan worden vastgesteld of partijen met “huur” hebben bedoeld overeen te komen dat dat alleen (specifiek) geldt voor “onderhuur”, zoals [de eisers] stelt. Daarvoor is gelet op het gemotiveerde verweer van Embedding Company nader onderzoek nodig naar de feiten en mogelijk bewijslevering. Daarvoor leent een kortgedingprocedure zich niet. Dat ten tijde van de aankoop van het perceel door [de eisers] al huurders op het perceel verbleven, maakt het voorgaande niet anders. Embedding Company heeft onweersproken aangevoerd dat de eigenaresse van het perceel bepaalde ruimtes illegaal verhuurde en dat zij de huurovereenkomsten bij de verkoop van het perceel heeft opgezegd. Gelet op de opzegtermijn hebben de huurders daarna nog enige tijd op het perceel verbleven. Een recht van [de eisers] om te mogen verhuren volgt daar niet uit en ook niet dat [de eisers] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat dat toegestaan zou zijn. Dat sprake is van dwaling aan de zijde van [de eisers] is vooralsnog dus niet aannemelijk geworden. Dat Embedding Company haar toestemming voor verhuur aan [de eisers] onthoudt om de bedrijfsvoering van [de eisers] te frustreren en daarmee in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid, dan wel op die bepaling geen beroep meer kan doen in verband met rechtswerking, of anderszins misbruik maakt van recht, is evenmin aannemelijk geworden en aan de vereisten voor een beroep op deze grondslagen is niet voldaan. Dat betekent dat er geen grond bestaat voor een veroordeling van Embedding Company om onherroepelijk toestemming te verlenen voor verhuur, dan wel het verlenen van vervangende toestemming daarvoor aan [de eisers] of een verbod voor Embedding Company om de verhuur aan derden te frustreren, zoals [de eisers] vordert onder IV. Deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen. Voor een andere maatregel “om de impasse te doorbreken” ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, nu gesteld noch gebleken is welke andere maatregel daartoe dan geëigend zou kunnen zijn.
Artikel 5 van Pro de geldleningsovereenkomst
4.5.
De vordering van [de eisers] onder III. in conventie en de reconventionele vordering van Embedding Company hebben betrekking op de vervroegde opeising van de helft van de lening door Embedding Company.
4.5.1.
[de eisers] vordert in conventie een verbod voor Embedding Company om binnen een jaar artikel 5 te Pro mogen inroepen en beroept zich daarvoor achtereenvolgens op opschorting, schuldeisersverzuim, verrekening en vernietiging in verband met misbruik van omstandigheden. Het beroep van [de eisers] op opschorting omdat Embedding Company niet voldoet aan de betaling van de slottermijn, gaat gelet op hetgeen daarover hiervoor in r.o. 4.3. over artikel 2 lid 2 is Pro overwogen, niet op. Dat sprake is van schuldeisersverzuim omdat [de eisers] de helft van de lening niet kan betalen omdat zij niet kan verhuren, gaat gelet op hetgeen hiervoor in r.o. 4.4. over artikel 7 is Pro overwogen evenmin op. Dat sprake is van schade aan de zijde van [de eisers] is dus niet aannemelijk geworden, zodat een beroep op verrekening reeds om die reden faalt. Dat [de eisers] geen huurinkomsten kan genereren betekent niet dat zij schade lijdt, nu de uitleg van de bepaling ten aanzien van het verhuren zonder toestemming niet vaststaat en een oordeel over de vraag of [de eisers] gebonden is aan die bepaling in dit kort geding niet voorligt. Datzelfde geldt voor de vraag of [de eisers] gebonden is aan artikel 5. Nog daargelaten dat hij pas voor het eerst ter zitting een beroep heeft gedaan op vernietiging van die bepaling, is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat sprake is van misbruik van omstandigheden door Embedding Company. Uit de overgelegde stukken blijkt dat er na de conceptversie van de geldleningsovereenkomst waarin artikel 5 voor Pro het eerst is opgenomen nog drie versies zijn geweest, waarvan de definitieve tekenversie dateert van twee weken nadat [de eisers] de koopovereenkomst heeft gesloten. Dat [de eisers] niet meer terug kon of sprake was van afhankelijkheid in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW Pro door toedoen van Embedding Company is niet aannemelijk geworden. [de eisers] heeft er zelf voor gekozen om de koopovereenkomst met betrekking tot het perceel op 13 september 2021 te ondertekenen, zonder dat er al een definitieve, ondertekende geldleningsovereenkomst lag en zonder in de koopovereenkomst een financieringsvoorbehoud op te laten nemen. Dat komt voor haar rekening en risico.
4.5.2.
Embedding Company vordert in reconventie veroordeling van [de eisers] tot betaling van een (voorschot)bedrag, te vermeerderen met buitengerechtelijke (incasso)kosten en wettelijke (handels)rente.
4.5.3.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.
4.5.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat Embedding Company onvoldoende heeft gesteld waaruit blijkt dat sprake is van een voldoende spoedeisend belang, laat staan van onverwijlde spoed bij haar vordering. Dit volgt niet uit de aard van de vordering en de door Embedding Company aangevoerde vrees dat [de eisers] financieel in zwaar weer verkeert en de reële vrees bestaat dat hij geen verhaal biedt, is onvoldoende. [de eisers] heeft onweersproken gesteld dat de waarde van het perceel beduidend hoger is dan het bedrag van de geldlening en dat hij zijn maandelijkse betalingsverplichtingen (aflossing) jegens Embedding Company nakomt. Dat Embedding Company naar eigen zeggen zelf behoefte heeft aan geld, is door haar niet toegelicht, laat staan onderbouwd. Datzelfde geldt ten aanzien van het restitutierisico. Dat betekent dat de reconventionele vordering van Embedding Company zal worden afgewezen. Voor een andere “in goede justitie” op te leggen maatregel ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, nu gesteld noch gebleken is welke andere maatregel daartoe dan geëigend zou kunnen zijn.
Proceskosten
4.6.
[de eisers] wordt in het ongelijk gesteld in conventie en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Embedding Company worden begroot op:
- griffierecht
7.062,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.428,00
4.7.
Embedding Company wordt in het ongelijk gesteld in reconventie en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eisers] worden begroot op (0,5 x € 1.177,00 =) € 588,50 aan salaris advocaat en € 189,00 aan nakosten, plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [de eisers] af,
5.2.
veroordeelt [de eisers] in de proceskosten van € 8.428,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat voor betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van Embedding Company af,
5.5.
veroordeelt Embedding Company in de proceskosten van € 775,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.