ECLI:NL:RBGEL:2026:5452

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
463030
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 RvArt. 6 RvArt. 6 lid 1 EEX-Vo 2012
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich bevoegd in geschil over beheer en investering in bitcoins

Deck Holding B.V. vordert betaling van de waarde van 7,80 bitcoins en verantwoording over het beheer van deze bitcoins door de gedaagde, die voorheen in dienst was bij een dochtervennootschap van Deck Holding en later bij een gelieerde onderneming in Dubai. Deck Holding stelt dat de gedaagde mogelijk de bitcoins heeft verduisterd of niet heeft aangeschaft.

De gedaagde betwist de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en beroept zich op een forumkeuzebeding in zijn arbeidsovereenkomst met de onderneming in Dubai. De rechtbank beoordeelt de internationale bevoegdheid aan de hand van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aangezien de gedaagde niet in de EU woont en er geen toepasselijk verdrag is.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat de verbintenis in Nederland is uitgevoerd en het schadebrengende feit zich mogelijk in Nederland heeft voorgedaan. Het beroep op het forumkeuzebeding faalt omdat dit niet geldt voor de rechtsverhouding tussen Deck Holding en de gedaagde.

De vordering tot onbevoegdheid wordt afgewezen en de gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. De hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst het beroep op onbevoegdheid af.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/463030 / HA ZA 26-77
Vonnis in incident van 1 juli 2026
in de zaak van
DECK HOLDING B.V.,
gevestigd te Oisterwijk,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Deck Holding,
advocaat: mr. A.D. Lindenbergh,
tegen
[naam gedaagde in hoofdzaak],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [de gedaagde in de hoofdzaak] ,
advocaat: mr. R.A.F. Willems.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 oktober 2025,
- de akte overlegging producties en aanvullende producties 1 tot en met 27,
- de incidentele conclusie houdende exceptie van (internationale) onbevoegdheid van de zijde van [de gedaagde in de hoofdzaak] met producties 1 tot en met 16,
- de conclusie van antwoord in het incident van de zijde van Deck Holding met productie 28.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil

Het geschil in de hoofdzaak
2.1.
Deck Holding vordert in de hoofdzaak – kort samengevat – de veroordeling van [de gedaagde in de hoofdzaak] tot betaling aan haar van een bedrag gelijk aan de waarde van 7,80 bitcoins en om rekening en verantwoording af te leggen over de wijze waarop [de gedaagde in de hoofdzaak] deze bitcoins voor haar heeft aangeschaft, belegd en beheerd, op straffe van een dwangsom.
2.2.
Aan deze vorderingen legt Deck Holding het volgende ten grondslag. De bestuurder en indirect aandeelhouder van Deck Holding is [bestuurder] (hierna te noemen: [bestuurder] ). In augustus 2021 is [de gedaagde in de hoofdzaak] in dienst getreden bij DS Equipment B.V. (hierna: DS Equipment), een inmiddels gefailleerde dochtervennootschap van Deck Holding. Op basis van deze rechtsverhouding heeft [de gedaagde in de hoofdzaak] ten behoeve van DS Equipment gehandeld in crypto. Op enig moment heeft Deck Holding besloten om ook gelden aan [de gedaagde in de hoofdzaak] te verstrekken, waarmee [de gedaagde in de hoofdzaak] ten behoeve van Deck Holding in bitcoins zou beleggen en deze investeringen zou beheren. Dit heeft ertoe geleid dat Deck Holding in de periode van 31 januari t/m 6 februari 2023 in totaal € 230.000,- euro heeft overgemaakt naar [de gedaagde in de hoofdzaak] . Op 3 februari 2023 heeft [bestuurder] een nieuw bedrijf; 11 Yield Holding AG (hierna: 11 Yield), geregistreerd. Na de beëindiging van het dienstverband bij DS Equipment op 31 maart 2023, is [de gedaagde in de hoofdzaak] op 1 april 2023 in dienst getreden bij Eleven Yield Investment L.L.C., een aan 11 Yield gelieerde onderneming die in Dubai gevestigd is. Toen Deck Holding in november 2023 verzocht om de aangeschafte bitcoins over te dragen aan 11 Yield, gaf [de gedaagde in de hoofdzaak] geen gehoor aan dat verzoek. Achteraf is het Deck Holding gebleken dat de financiële overzichten die [de gedaagde in de hoofdzaak] presenteerde zijn vervalst. Deck Holding wil daarom weten of [de gedaagde in de hoofdzaak] de door Deck Holding verstrekte gelden wel in bitcoins heeft geïnvesteerd, of dat [de gedaagde in de hoofdzaak] de bitcoins heeft verduisterd dan wel heeft verkocht en de opbrengst heeft behouden. Deck Holding stelt dat sprake is van onrechtmatig handelen van [de gedaagde in de hoofdzaak] door het aanschaffen en verduisteren, dan wel niet aanschaffen van de bitcoins. Daarnaast stelt Deck Holding dat [de gedaagde in de hoofdzaak] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van een overeenkomst van opdracht door geen rekening en verantwoording af te leggen over de wijze waarop [de gedaagde in de hoofdzaak] de ontvangen geldbedragen heeft besteed.
Het geschil in incident
2.3.
[de gedaagde in de hoofdzaak] vordert dat de rechtbank zich bij vonnis in het incident, uitvoerbaar bij voorraad, onbevoegd verklaart om van de vordering van Deck Holding in de hoofdzaak kennis te nemen, dan wel Deck Holding niet-ontvankelijk verklaart in haar vorderingen, althans deze vorderingen als ongegrond en onbewezen afwijst. Daartoe voert hij het volgende aan.
2.4.
[de gedaagde in de hoofdzaak] stelt dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt, maar de rechter in Dubai (of Zwitserland). [de gedaagde in de hoofdzaak] wijst erop dat in de arbeidsovereenkomst tussen hem en 11 Yield Investment L.L.C een forumkeuze is opgenomen voor de rechter in Dubai . Volgens hem is deze forumkeuze ook van toepassing op de rechtsverhouding tussen [de gedaagde in de hoofdzaak] en Deck Holding. Ook is [de gedaagde in de hoofdzaak] woonachtig in [woonplaats] , zodat artikel 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geen ingang biedt. Ten slotte stelt [de gedaagde in de hoofdzaak] zich op het standpunt dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter evenmin op artikel 6 aanhef Pro en onder a en e Rv kan worden gebaseerd, omdat het afleggen van rekening en verantwoording niet een verbintenis is die in Nederland is uitgevoerd of uitgevoerd moet worden en het vermeende schadebrengende feit zich ook niet in Nederland heeft voorgedaan.
2.5.
Deck Holding voert gemotiveerd verweer.
2.6.
Op de stellingen van partijen zal, voor zover relevant, hierna worden ingegaan.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
Nu [de gedaagde in de hoofdzaak] in het buitenland woonachtig is en de bevoegdheid van de rechtbank wordt betwist (en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt), dient – ook ambtshalve – de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Nu [de gedaagde in de hoofdzaak] niet in een land van de Europese Unie woonachtig is en ook niet in een land waarmee Nederland een rechtmachtsverdrag heeft, is de Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012) niet van toepassing en wordt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordeeld aan de hand van de artikelen 2 tot en met 14 Rv. Ook gelden de exclusieve bevoegdheidsregels genoemd in artikel 6 lid 1 EEX Pro-Vo 2012, maar die spelen in deze zaak geen rol.
3.2.
Geen bevoegdheid kan worden aangenomen op grond van artikel 2 Rv Pro, nu [de gedaagde in de hoofdzaak] zijn woonplaats niet in Nederland heeft. De rechtbank zal haar bevoegdheid daarom moeten beoordelen op basis van de alternatieve bevoegdheidsgrondslagen uit artikel 6 Rv Pro. Artikel 6 aanhef Pro en onder a Rv bepaalt dat de Nederlandse rechter bevoegd is in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Artikel 6 aanhef Pro en onder e Rv bepaalt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen.
3.3.
Niet in geschil is dat Deck Holding in januari en februari 2023 geld heeft overgemaakt naar de bankrekening van [de gedaagde in de hoofdzaak] . Uit de door Deck Holding bij dagvaarding overgelegde productie 2 blijkt dat hij deze op dat moment aanhield bij een Nederlandse bank, hetgeen [de gedaagde in de hoofdzaak] in incident niet heeft betwist. Naar eigen zeggen is [de gedaagde in de hoofdzaak] kort na zijn indiensttreding in april 2023 bij de in Dubai gevestigde onderneming Eleven Yield Investment L.L.C. naar Dubai is verhuisd. Hieruit leidt de rechtbank af dat [de gedaagde in de hoofdzaak] nog woonachtig was in Nederland toen de door Deck Holding gestelde overeenkomst van opdracht werd gesloten en dat de daaruit voortvloeiende verbintenissen, waaronder het inkopen en beheren van bitcoins en het afleggen van rekening en verantwoording, in elk geval vanaf dat moment tot het moment dat [de gedaagde in de hoofdzaak] naar [woonplaats] verhuisde, in Nederland dienden te worden uitgevoerd. De rechtbank acht zich daarom bevoegd op grond van artikel 6 aanhef Pro en onder a Rv.
3.4.
Uit de stellingen van Deck Holding volgt dat er bij haar een vrees bestaat dat [de gedaagde in de hoofdzaak] de door haar overgemaakte geldbedragen nimmer heeft geïnvesteerd in bitcoins, dan wel de bitcoins heeft verduisterd of verkocht en de opbrengst heeft behouden. Vooralsnog maakt dit dat niet exact is vast te stellen waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Niet uit tet sluiten is echter dat het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan. Dit maakt dat de rechtbank zich eveneens bevoegd acht om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen op grond van artikel 6 aanhef Pro en onder e Rv.
3.5.
Het beroep van [de gedaagde in de hoofdzaak] op het forumkeuzebeding in de arbeidsovereenkomst die hij met 11 Yield Investment L.L.C. had en dat die forumkeuze ook van toepassing zou zijn op de rechtsverhouding tussen [de gedaagde in de hoofdzaak] en Deck Holding, slaagt niet. Deze arbeidsovereenkomst staat buiten de rechtsverhouding tussen Deck Holding en [de gedaagde in de hoofdzaak] .
3.6.
Het voorgaande betekent dat de gevorderde verklaring van onbevoegdheid zal worden afgewezen. Dit geldt ook voor de door hem gevorderde opheffing van de beslagen. [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft deze vordering in het geheel niet toegelicht.
3.7.
De rechtbank merkt op dat zij zich in het kader van de beantwoording van de bevoegdheidsvraag heeft uitgelaten over een geschilpunt dat ook in de hoofdzaak een rol speelt, namelijk de vraag of tussen partijen een overeenkomst bestaat en hoe deze moet worden gekwalificeerd. Voor zover de rechtbank die vraag in het kader van het bevoegdheidsincident heeft beantwoord, brengt het karakter van het incident met zich dat dit slechts een voorlopig oordeel is, waaraan de rechtbank bij de beoordeling van de hoofdzaak niet is gebonden (vgl. Hoge Raad 30 juni 1989,
NJ1990/382).
3.8.
[de gedaagde in de hoofdzaak] wordt in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Deck Holding worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.

4.De beoordeling in de hoofdzaak

4.1.
[de gedaagde in de hoofdzaak] heeft in de hoofdzaak nog geen conclusie van antwoord genomen. De rechtbank zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen.
4.2.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst de incidentele vordering af,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde in de hoofdzaak] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde in de hoofdzaak] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in de hoofdzaak
5.3.
verwijst de zaak naar de rol van
[datum] 2026voor het nemen van een conclusie van antwoord door [de gedaagde in de hoofdzaak] ,
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.