ECLI:NL:RBGEL:2026:5484

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
ARN 25/3206
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23a Wet MRB 1994Art. 23 Wet MRB 1994Art. 5aa Uitvoeringsbesluit MRB 1994Art. 6:7 AwbArt. 6:9 Awb
Verwijzingen
16 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toekenning kampeerautotarief motorrijtuigenbelasting vanaf verzoekdatum

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de inspecteur die het bijzonder tarief motorrijtuigenbelasting (MRB) voor een kampeerauto heeft toegekend met ingang van 24 augustus 2024. De rechtbank beoordeelt eerst de ontvankelijkheid van het beroep en stelt vast dat het beroepschrift te laat is ingediend, maar dat de termijn niet is aangevangen omdat de uitspraak op bezwaar niet tijdig is bekendgemaakt aan belanghebbende.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op de voorgeschreven wijze is verzonden, waardoor de beroepstermijn pas begon bij ontvangst van de uitspraak op bezwaar op 3 juli 2025. Het beroep is daarmee ontvankelijk.

Inhoudelijk stelt belanghebbende dat het kampeerautotarief MRB met ingang van 24 februari 2024 moet gelden, omdat hij niet op de mogelijkheid van het tarief was gewezen. De inspecteur heeft het tarief toegekend vanaf 24 augustus 2024, de datum van het begin van het tijdvak waarin het verzoek is ontvangen.

De rechtbank bevestigt dat het tarief terecht is toegekend vanaf die datum, omdat de wet en beleidsregels geen verdere terugwerkende kracht toestaan. Belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor tijdige indiening van het verzoek. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het kampeerautotarief MRB is terecht toegekend vanaf het begin van het tijdvak waarin het verzoek is gedaan.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3206

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen,de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 april 2025.
De inspecteur heeft het verzoek om toepassing van het bijzonder tarief motorrijtuigenbelasting (MRB) voor een kampeerauto, bij beschikking toegewezen met ingang van 24 augustus 2024.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] .

Feiten

1. Belanghebbende is van 24 februari 2024 tot en met 9 juli 2025 houder van een Challenger Graphite 149 met kenteken [kenteken] (het motorrijtuig). Het motorrijtuig heeft als datum eerste toelating 4 december 2013.
2. Met datum 15 oktober 2024 heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor de toepassing van het bijzonder tarief in de zin van artikel 23a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB 1994). Dit verzoek is op 17 oktober 2024 door de inspecteur ontvangen.
3. Met dagtekening 5 december 2024 is de beschikking aan belanghebbende toegezonden, waarin de inspecteur het verzoek tot toepassing van het bijzonder tarief heeft toegekend met ingang van 24 augustus 2024. Belanghebbende heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
4. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 april 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 21 juli 2025.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of het bijzonder tarief (of: kampeerautotarief) in de zin van artikel 23a van de Wet MRB 1994 terecht is verleend met ingang van 24 augustus 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Voordat de rechtbank daaraan toekomt zal zij eerst beoordelen of belanghebbende ontvankelijk is in haar beroep.
Ontvankelijkheid van het beroep
6. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt voor het indienen van een beroepschrift een termijn van zes weken. Deze termijn vangt, zoals is bepaald in artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar aan. Als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar bekend is gemaakt, begint deze termijn op de dag na de dag van bekendmaking. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Indien een beroepschrift te laat is ingediend, verklaart de rechtbank het beroep in beginsel niet-ontvankelijk.
7. De rechtbank stelt vast dat de dagtekening van de bestreden uitspraak op bezwaar 11 april 2025 is, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 23 mei 2025. De rechtbank heeft het beroepschrift op 21 juli 2025 ontvangen. Dit is ruim acht weken na het eindigen van de beroepstermijn, zodat belanghebbende het beroepschrift niet tijdig heeft ingediend.
8. Belanghebbende stelt dat hij de uitspraak op bezwaar pas heeft ontvangen nadat zijn partner op 3 juli 2025 telefonisch contact heeft opgenomen met de Belastingdienst om te melden dat de uitspraak op bezwaar nog niet was ontvangen. In dat telefoongesprek is besproken dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar alsnog zou ontvangen en daartegen alsnog in beroep mocht gaan.
9. De inspecteur vindt de verklaring van belanghebbende over de termijnoverschrijding aannemelijk, omdat zijn administratie dit bevestigt. Daarnaast heeft hij de uitspraak op bezwaar niet aangetekend aan belanghebbende verzonden.
10. De rechtbank overweegt dat indien een uitspraak op bezwaar niet is bekendgemaakt op de in artikel 3:41 van Pro de Awb voorgeschreven wijze, die omstandigheid meebrengt dat de termijn voor het instellen van beroep tegen die uitspraak niet aanvangt. Die termijn vangt dan aan op de dag van ontvangst van de uitspraak op bezwaar of een afschrift daarvan door de belanghebbende. [1]
11. De rechtbank overweegt dat in de stelling van belanghebbende een betwisting van de verzending van de uitspraak op bezwaar ligt besloten. Indien een geadresseerde stelt dat een schriftelijk besluit van de inspecteur hem of haar niet (of pas later) heeft bereikt, is het in beginsel aan de inspecteur om die verzending aannemelijk te maken. In het geval van verzending per post, houdt die bewijslast in dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat het beluit is aangeboden aan een postvervoerbedrijf. Daartoe moet de inspecteur ook aannemelijk maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende besluit is aangeboden. [2]
12. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, op wie in dit geval de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De inspecteur heeft namelijk geen verzendadministratie overgelegd waaruit dat blijkt. Het voorgaande brengt mee dat de beroepstermijn niet is aangevangen op 11 april 2025, maar op het moment dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar of een afschrift daarvan heeft ontvangen.
13. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar of een afschrift daarvan niet eerder heeft ontvangen dan op 3 juli 2025. Met de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 21 juli 2025 is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende het beroepschrift tijdig heeft ingediend.
14. Gezien het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep van belanghebbende ontvankelijk. De rechtbank zal het geschil verder inhoudelijk beoordelen.
Beoordeling van het inhoudelijke geschil
15. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
16. Belanghebbende is van mening dat het kampeerautotarief moet worden toegekend met ingang van 24 februari 2024. Belanghebbende stelt dat het motorrijtuig de eerste camper is die hij heeft aangeschaft en dat hij niet bekend was met de mogelijkheid om het kampeerautotarief te verzoeken. De camperzaak heeft hem daar ook niet op gewezen.
17. De inspecteur is van mening dat het kampeerautotarief terecht is verleend met ingang van 24 augustus 2024. De inspecteur voert aan dat voor de toepassing van het kampeerautotarief een gemotiveerd verzoek moet worden ingediend. Het verzoek moet worden ingediend vóór aanvang van het tijdvak. Met toepassing van artikel 63 van Pro de AWR in samenhang gelezen met paragraaf 4 van het Kaderbesluit MRB [3] heeft de inspecteur het bijzonder tarief toegekend met ingang van het begin van het tijdvak waarin het verzoek is binnengekomen. Volgens de inspecteur laten de wettelijke bepalingen geen ruimte om het bijzonder tarief met verdere terugwerkende kracht te verlenen dan de eerste dag van het tijdvak waarin het verzoek is ingediend.
18. Vooraf overweegt de rechtbank als volgt. De houder van een personenauto is MRB verschuldigd naar het tarief zoals opgenomen in artikel 23 van Pro de Wet MRB 1994. Indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, kan de houder in aanmerking komen voor het bijzonder tarief voor een kampeerauto (een kwart van het normale tarief). Deze voorwaarden staan vermeld in artikel 23a van de Wet MRB 1994, en zijn verder uitgewerkt in artikel 5aa van het daarbij behorende Uitvoeringsbesluit Motorrijtuigenbelasting 1994 (Uitvoeringsbesluit MRB 1994). Artikel 5aa, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit MRB 1994 bepaalt dat de toepassing van artikel 23a van de Wet MRB 1994 op verzoek plaatsvindt.
19. In paragraaf 4 van het Kaderbesluit MRB keurt de staatssecretaris met toepassing van artikel 63 van Pro de AWR (de hardheidsclausule) uit praktische overwegingen goed, dat een verzoek om toepassing van het kampeerautotarief wordt toegekend met ingang van het begin van het tijdvak waarin het verzoek is binnengekomen.
20. Uit het hiervoor beschreven wettelijk systeem vloeit voort dat het verzoek van belanghebbende, dat is binnengekomen op 17 oktober 2024, door de inspecteur is gehonoreerd met ingang van de dag van het begin van het tijdvak waarin het verzoek is ontvangen, dus 24 augustus 2024.
21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het bijzonder tarief voor de MRB overeenkomstig de regelgeving terecht toegepast per 24 augustus 2024. De inspecteur is namelijk niet verplicht om het bijzonder tarief te verlenen met verdergaande terugwerkende kracht dan tot het begin van het tijdvak waarin het verzoek is gedaan. Dit is op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb alleen anders indien toepassing van paragraaf 4 van het Kaderbesluit MRB voor belanghebbende leidt tot nadelige gevolgen die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met die beleidsregel te dienen doelen. [4] Van dat laatste is in dit geval niet gebleken. Er is ook geen sprake van een verkeerd geheven tarief aan MRB dan wel van te veel betaalde MRB, omdat belanghebbende over het tijdvak 24 februari 2024 tot 24 augustus 2024 het tarief moet voldoen voor een personenauto, zoals bedoeld in artikel 23 van Pro de Wet MRB 1994. Toepassing van het kampeerautotarief is een begunstigende uitzondering op de hoofdregel dat een personenauto (ongeacht of deze is ingericht als kampeerauto) wordt belast naar het volle tarief van artikel 23 van Pro de Wet MRB 1994. Belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor de tijdige indiening van het verzoek en kan informatie hieromtrent eenvoudig vinden op de site van de Belastingdienst.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.
Uitgesproken op 10 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875.
2.Zie voetnoot 1.
3.Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 18 oktober 2024, nr. 2024-12840, Stcrt. 2024, 34330.
4.Vergelijk Hoge Raad, 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1124.