ECLI:NL:RBGEL:2026:5528

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25_1416
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12a Wet LBArt. 4.6 Wet IB 2001Art. 3.81 Wet IB 2001
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling gebruikelijk loon DGA en aanslag inkomstenbelasting 2021

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021, waarin de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning had vastgesteld op €109.036, inclusief een correctie voor het gebruikelijk loon van €47.000. Belanghebbende stelde dat het gebruikelijk loon lager moest worden vastgesteld, gezien zijn pensioenstatus en beperkte tijdsbesteding aan de bedrijfsactiviteiten.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld en aannemelijk gemaakt om af te wijken van het normbedrag. De rechtbank benadrukte dat het enkel bereiken van een hogere leeftijd en het stellen van een forfaitaire vergoeding van €12.000 niet volstaan om het gebruikelijk loon te verlagen. Ook ontbrak een nadere toelichting over de aard en tijdsbesteding van de bedrijfsactiviteiten.

De rechtbank handhaafde de aanslag en de belastingrentebeschikking, en wees het beroep ongegrond. Belanghebbende kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak bevatte tevens een toelichting over de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2021 wordt ongegrond verklaard en het normbedrag voor het gebruikelijk loon wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1416

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 februari 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 109.036 (tevens verzamelinkomen).
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 3.901 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] .
Belanghebbende is niet op zitting verschenen. Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 8 mei 2026 belanghebbende via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 8 juni 2026. De rechtbank heeft op 8 mei 2026 om 14.07 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 8 mei 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden.

Feiten

1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1946.
2. Belanghebbende was tot 27 december 2021 houder van alle aandelen in [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ) en in [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ). [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hielden in 2021 belangen in meerdere vennootschappen (de vennootschappen). De belangen in de vennootschappen waren telkens groter dan 5%. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hadden in 2021 een fiscale winst van respectievelijk € 61.510 en
€ 21.068. Het ondernemingsvermogen per 31 december 2021 bedroeg respectievelijk € 200.337 en € 235.389
3. Op 29 maart 2022 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2021 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 45.088. Dit inkomen bestaat uit de volgende aangegeven elementen:
  • Diverse pensioenen € 54.286
  • Resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: ROW) € - 14.997
  • Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen € 6.000
  • Aftrekbare giften
€ 45.088
Het ROW-resultaat is als volgt opgebouwd:
Opbrengsten
Prive gebruik auto vanuit B.V. € 8.603
Kosten
Betaling borgstelling wegens aansprakelijkheidstelling bestuurder B.V.
€ 23.600
Netto ROW € -14.997
4. Bij brief van 22 augustus 2024 heeft de inspecteur belanghebbende om informatie gevraagd.
5. Na (telefonisch) overleg tussen belanghebbende en de inspecteur heeft de inspecteur bij brief van 25 september 2024 het volgende aan belanghebbende laten weten:
“(…)
Ingediende aangiftes inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB)
De reeds uitgekeerde stamrechttermijnen zijn niet verloond en dienen aangegeven te worden in de aangifte IB van het betreffende uitkeringsjaar als periodieke uitkering. Dit is niet juist gebeurd. In de reeds ingediende aangiftes IB 2021 zal daarom een correctie plaatsvinden. De correctie van de aangifte IB 2022 vindt plaats volgens hetgeen wordt afgesproken. Over beide correcties wordt u nog nader geïnformeerd.
Voorts ben ik van plan om een navorderingsaanslag IB 2020 op te leggen. Hierover ontvangt u een separaat schrijven.
(…)”
6. Bij brief van 8 oktober 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een voornemen tot het afwijken van de aangifte IB/PVV 2021 gestuurd. De inspecteur heeft in die brief het volgende vermeld:
“(…)
1. Afwijking(en) per onderdeel van de aangifte

Inkomen uit werk en woning (box 1)

Inkomsten uit loondienst
Uit contact met collega [collega] bleek dat in de BV omzet is gegenereerd. Er zijn geen andere werknemers bekend dan uzelf, dus de omzet moet door u als werknemer zijn behaald. De BV had aan u loon kunnen uitbetalen voor deze activiteiten en dat had ook moeten gebeuren in een normale zakelijke verhouding. Ik stel het gebruikelijk loon vast op € 47.000 waarbij ik rekening houd met het inmiddels aangegeven loon in natura in de vorm van privegebruik auto van de BV. Dit betekent dat het loon uit dienstbetrekking te laag is. Ik heb dan ook besloten op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 35.400.
Inkomsten uit overig werk
Ik heb vragen gesteld over de berekening van het aangegeven bedrag voor prive gebruik auto. Door het ontbreken van een reactie heb ik deze berekening zelf gemaakt op basis van de gegevens die mij ter beschikking staan. Er staan twee auto's op naam van de BV die aan u ter beschikking zijn gesteld.
Audi 1,5 maand op naam BV, € 59.329 x 22% / 1,5 maand = € 1.631
BMW hele jaar op naam, € 45.318 x 22% =
€ 9.969
Totaal € 11.600
Aangegeven was
€ 8.603
Correctie € 2.997
De procedure over de aftrekbaarheid van de aansprakelijkheidsstelling is nog niet afgerond. Ik houd vast aan het eerder ingenomen standpunt dat dit bedrag niet aftrekbaar is. Er is op de aangifte een bedrag als kosten bestuurdersaansprakelijkheid opgevoerd. Dit is een verhaald bedrag uit een gevoerde procedure. Uit de gevoerde procedure blijkt dat u persoonlijk aansprakelijk bent gesteld, het verhaal op u speelt zich af in de prive sfeer en heeft geen fiscale relevantie. Bovendien is de BV op geen enkele wijze betrokken bij deze verhaal kwestie. Het opvoeren als kosten is niet aan de orde. Ik heb dan ook besloten op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 23.600. Dit betekent dat het bedrag als resultaat uit overige werkzaamheden te laag is. Ik heb dan ook besloten op dit punt van de aangifte af te wijken met € 26.597. [€ 23.600 plus € 2.997, toevoeging rechtbank.]
Periodieke uitkeringen
Uit de verstrekte informatie van collega [collega] blijkt dat het aanwezige stamrecht in de BV is afgenomen. Dit had in de heffing betrokken moeten worden als periodieke uitkering. Dit betekent dat periodieke uitkeringen te laag zijn. Ik heb dan ook besloten op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 1.750. Collega [collega] heeft u hiervan medio september 2024 op de hoogte gesteld.
Overzicht afwijking(en) van het inkomen uit werk en woning
- Inkomsten uit loondienst € +35.400
- Inkomsten uit overig werk € +26.597
- Periodieke uitkeringen
€ +1.750
Totaalbedrag van de afwijking(en) € +63.747
Giften
Er is een bedrag aan periodieke giften opgevoerd ad € 201. Door het ontbreken van een reactie op mijn vragenbrief is niet gebleken dat er sprake is van periodieke giften. Voor aftrek van gewone giften is geen ruimte omdat het betaalde bedrag lager is dan de drempel. De aftrek wordt derhalve niet toegelaten.
2. Berekening

Belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1)

Het berekende inkomen uit werk en woning volgens de aangifte € 45.289
Totaalbedrag van de afwijking(en)
€ +63.747
Vast te stellen belastbaar inkomen uit werk en woning € 109.036
(…)”
7. Met dagtekening 15 oktober 2024 heeft de inspecteur overeenkomstig zijn voornemen een aanslag IB/PVV 2021 op naam van belanghebbende vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 109.036. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de inspecteur op 19 november 2024.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2021 en de belastingrentebeschikking tot de juiste hoogte zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Het geschil spitst zich toe op de correctie gebruikelijk loon.
9. Belanghebbende is van mening dat ‘het bijgetelde forfait’ (het gebruikelijk loon) niet in verhouding staat tot de resultaten van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en evenmin in overeenstemming is met het ‘tijdbeslag’ van één dag per maand. Een vergoeding van
€ 12.000 per jaar is billijk. Belanghebbende wijst er verder op dat hij met pensioen is en de bedrijfsactiviteiten zijn afgebouwd.
10. De inspecteur is van mening dat er geen redenen zijn het gebruikelijk loon lager vast te stellen dan het wettelijk normbedrag van € 47.000 (inclusief bijtelling auto van de zaak). Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft geen concrete feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die daartoe nopen, aldus de inspecteur.
11. Artikel 12a, eerste lid, van de Wet op de Loonbelasting 1964 (Wet LB) bepaalt als volgt (wettekst 2021):
“Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, wordt het in het kalenderjaar van dat lichaam genoten loon ten minste gesteld op het hoogste van de volgende bedragen:
a. 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
b. het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam, bedoeld in de aanhef, of met het lichaam verbonden lichamen;
c. € 47.000.”
Ingevolge het zevende lid van genoemd artikel wordt onder ‘aanmerkelijk belang’ verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).
12. Artikel 4.6 van de Wet IB 2001 bepaalt als volgt (wettekst 2021):
“De belastingplichtige heeft een aanmerkelijk belang indien hij, al dan niet tezamen met zijn
partner, direct of indirect:
a. voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;
b. rechten heeft om direct of indirect aandelen te verwerven tot ten minste 5% van het geplaatste kapitaal;
c. winstbewijzen heeft die betrekking hebben op ten minste 5% van de jaarwinst van een vennootschap dan wel op ten minste 5% van wat bij liquidatie wordt uitgekeerd;
d. gerechtigd is om ten minste 5% van de stemmen uit te brengen in de algemene vergadering van een in artikel 4.5a bedoelde rechtspersoon.”
13. Artikel 3.81 van de Wet IB 2001 bepaalt dat onder loon wordt verstaan hetgeen op grond van de Wet LB ook onder loon wordt verstaan.
14. De rechtbank is van oordeel dat de aandelen die belanghebbende houdt in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben te gelden als een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet IB 2001. Dat geldt ook voor de indirect door belanghebbende gehouden belangen in de vennootschappen ‘onder’ [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Ook de aandelen in die vennootschappen hebben dus te gelden als een (indirect gehouden) aanmerkelijk belang.
15. De rechtbank is verder van oordeel dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat met een lager gebruikelijk loon dan het normbedrag van € 47.000 kan worden volstaan, laat staan dat hij die feiten en omstandigheden tegenover de betwisting door de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt. Dat belanghebbende in het in geschil zijnde jaar de leeftijd van 74/75 had bereikt kan een indicatie zijn dat hij in dat jaar niet meer in voltijd, maar in deeltijd werkte. Zonder nadere toelichting van belanghebbende, die hij niet heeft gegeven, bestaat hierover echter geen duidelijkheid. Bovendien geldt dat áls wel vast zou staan dat belanghebbende in deeltijd werkte, dit niet automatisch betekent dat van het normbedrag moet worden afgeweken in het voordeel van belanghebbende. [1] Verder ontbreekt een toelichting van belanghebbende wat de door de diverse vennootschappen ontplooide bedrijfsactiviteiten in 2021 inhielden, en hoeveel tijd van belanghebbende daarmee (per vennootschap) was gemoeid. Ook daarover verkeert de rechtbank in het ongewisse. Het gelijk is dus aan de inspecteur.
16. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. De aanslag IB/PVV 2021 op naam van belanghebbende houdt dus stand. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 10 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk Hoge Raad 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7206.