ECLI:NL:RBGEL:2026:56

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
11645256
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 6:119a BWArt. 7:750 lid 1 BWArt. 7:755 BWArt. 130 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Contractuele geschil over asbestsanering en klachtplicht bij bouwproject

In deze civiele zaak staat centraal of tussen Twentevis en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen voor het verwijderen van asbesthoudende golfplaten op een perceel. Twentevis betwistte dit, maar de rechtbank oordeelde dat uit de offerte, facturatie en communicatie blijkt dat Twentevis wel degelijk contractspartij is.

Twentevis stelde dat [gedaagde] tekortgeschoten is door het niet isoleren van een ruimte en het veroorzaken van lekkage, en beriep zich op opschorting van betaling. De rechtbank stelde vast dat Twentevis niet tijdig schriftelijk heeft geklaagd over de gebreken binnen de in de algemene voorwaarden gestelde termijn van veertien dagen, waardoor zij haar rechten op dit punt heeft verloren.

De rechtbank veroordeelde Twentevis tot betaling van het openstaande factuurbedrag van € 11.421,75 plus wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, wees de vordering tot herstel van de lekkage af en veroordeelde Twentevis in de proceskosten. Het verstekvonnis werd vernietigd en de zaak werd opnieuw beoordeeld.

Uitkomst: Twentevis wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen en incassokosten, terwijl haar vorderingen tot herstel en terugbetaling worden afgewezen wegens schending van de klachtplicht.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11645256 \ CV EXPL 25-997
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
TWENTEVIS VISKWEEKSYSTEMEN B.V.,
te Groenlo,
eisende partij in verzet,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Twentevis,
gemachtigde: mr. I.M. de Groot,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij in verzet,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. W. van Dijk.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure bij verstek blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 december 2024,
- het verstekvonnis van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Zutphen van 22 januari 2025 (11491816 CV EXPL 25-134).
1.2.
Het verloop van de procedure in verzet en in reconventie blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 april 2025,
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte overleggen producties in conventie,
- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door Twentevis overgelegde aanvullende producties,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 september 2025.
1.3.
Hierna is vonnis bepaald.
1.4.
Op 8 oktober 2025 heeft Twentevis een akte vermeerdering van eis in reconventie ingediend. [gedaagde] heeft daarop bij antwoordakte gereageerd.
2. De feiten
2.1.
[gedaagde] heeft in opdracht en voor rekening van Twentevis diverse werkzaamheden verricht voor een project genaamd ‘circulaire vis’. Partijen zijn in dit verband onder meer overeengekomen dat [gedaagde] een geïsoleerde ruimte op het perceel van Twentevis ( [adres] ) creëert. Twentevis heeft voor de betaling van de kosten van dit project een EU-subsidie aangevraagd.
2.2.
Bij e-mail van 16 juni 2021 heeft [naam 1] van [gedaagde] aan Twentevis bericht:
“Ik mag de oude facturen helaas niet meer aanpassen, dus heb creditnota’s gemaakt (deze stuur ik je nog toe). In de bijlagen heb ik de nieuwe facturen bijgevoegd zoals we vandaag besproken hebben.
Ik heb ze nog niet geaccordeerd, dus kan deze eventueel nog aanpassen.
Ik hoor graag of het zo klopt.
(...)”
2.3.
Bij e-mail van 13 juli 2021 heeft [naam 2] van [gedaagde] een offerte verzonden aan [naam 3] van Twentevis. In de offerte heeft [gedaagde] een bedrag van € 20.780,00 (excl. btw) begroot voor het verwijderen en afvoeren van circa 2.344 m2 asbesthoudende golfplaten op het perceel aan de [adres] . [naam 4] is eigenaar van dit perceel. In de offerte is, voor zover thans relevant, het volgende vermeld:
“(…)
Offerte Azelo
Aan: [naam 3]
(…)Werk nr.: 92227/ [adres]
Offertenummer: OF19-2142
(…)
Totaalprijs asbest:€ 20.080,-
Asbestinventarisatie:€ 700,-
(…)
Op deze offerte zijn onze algemene voorwaarden van toepassing.
Een exemplaar van deze voorwaarden treft u aan als bijlage bij de offerte.”
2.4.
In de door Twentevis gehanteerde Metaalunievoorwaarden (hierna: de algemene voorwaarden) is onder meer het volgende bepaald:
“(…)
Artikel 15: Klachtplicht Pro
15.1
Opdrachtgever kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, als hij hierover niet binnen veertien dagen nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, schriftelijk bij opdrachtnemer heeft geklaagd.
(…)”
2.5.
Bij e-mail van 28 juli 2021 heeft [naam 1] een pro forma factuur aan Twentevis verzonden. In de e-mail heeft zij bericht:
“Dit zou hem moeten zijn, dit is wat ik doorkreeg van [naam 2] .
Als er een andere omschrijving op mag hoor ik dat graag.
(…)”
In de bijgevoegde pro forma factuur van 28 juli 2021 is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
(…)
Referentie : 92227/ [adres]
omschrijving
Asbestsanering aan de [adres] . 20.080,00
B1 daken schuren 2178 m2
B2 ingestorte daken 240 m2
B3 losse golfplaten 6 m2
Asbestinventarisatie, rapport en sloopmelding. 700,00
(…)
Subtotaal € 20.780,00
(…) (…)
Totaal incl BTW € 25.143,80
2.6.
Op 26 augustus 2021 heeft [naam 1] Twentevis per e-mail gevraagd of zij de pro forma factuur van 28 juli 2021 definitief kan maken.
2.7.
Op 27 augustus 2021 heeft Hardeman per e-mail aan Twentevis gevraagd of de forma factuur van 28 juli 2021 akkoord is.
2.8.
Op 31 augustus 2021 heeft [gedaagde] de pro forma factuur van 28 juli 2021 gewijzigd. Bij e-mail van 31 augustus 2021 heeft [naam 1] de gewijzigde (definitieve) factuur aan Twentevis verzonden. In de factuur van 31 augustus 2021 zijn zowel de naam in de referentie als de omschrijving van de factuur gewijzigd. In de factuur is het volgende vermeld:
“(…)
Referentie : 92227/ Project circulaire vis werkpakket 2
omschrijving
Geïsoleerde ruimte luchtwasser rondom dorset testdroger. 20.780,00
(…)
Subtotaal € 20.780,00
(…) (…)
Totaal incl BTW € 25.143,80
(…)”
2.9.
Op 15 september 2021, 27 september 2021 en 18 oktober 2021 heeft [naam 5] van [gedaagde] Twentevis aangemaand tot betaling van het factuurbedrag van € 25.143,80 (incl. btw).
2.10.
Op 16 december 2021 heeft Twentevis een bedrag van € 15.143,80 in mindering op het factuurbedrag van € 25.143,80 aan [gedaagde] betaald.
2.11.
Bij factuur van 14 oktober 2022 (factuurnummer 20222044) heeft [gedaagde] een bedrag van € 1.421,75 (incl. btw) aan Twentevis in rekening gebracht. In de omschrijving van de factuur is vermeld:
“Meerwerk zetwerk levering + arbeid.”Twentevis heeft dit factuurbedrag onbetaald gelaten.
2.12.
[naam 3] en een medewerker van [gedaagde] met de voornaam [naam 5] hebben via WhatsApp met elkaar gesproken over de betaling van de openstaande factuurbedragen. Daarbij hebben zij onder meer de volgende berichten aan elkaar verzonden:
- 11 november 2022
[naam 5] aan [naam 3] :
“Wanneer kunnen wij de betaling nu verwachten ?
Duurt nu wel erg lang he !”
- [naam 3] aan [naam 5] :
“Praat me er niet van
Ben er spuugzat van
We hebben de teugels wat getracht aan te halen en de 29 e een gesprek aldaar
Hoop dat ik je dan duidelijkheid kan geven”
- eind 2022
[naam 5] aan [naam 3] :
“Dus dan hebben wij ons geld ook dan over 14 dagen?”
[naam 3] aan [naam 5] :
“Zodra ik het heb
Hebben jullie het ook
Geen dag later”
[naam 5] aan [naam 3] :
“Ja dat snap ik [naam 3] , maar we willen nu toch wel een keer een harde datum hebben wanneer het betaald wordt”
[naam 3] aan [naam 5] :
“Dat snap ik [naam 5]
Maar zij moeten eerst op de knop drukken voordat ik dat kan doen
Ben van hun afhankelijk”
[naam 5] aan [naam 3] :
“Het werk is al lang afgerond, wij willen dus echt dit jaar de betaling binnen hebben. Anders zullen we het echt uit handen moeten geven.”
- 19 juni 2023
[naam 3] aan [naam 5] :
“Eindelijk beweging (…)
Als het goed is hebben keren ze deze week een kwart uit
Dan binnen 4 weken de rest”
[naam 5] aan [naam 3] :
“Oke , dus deze week heben we het dan binnen?
[naam 3] aan [naam 5]
“Een kwart
De rest binnen 4 weken”
- 11 juli 2023
[naam 5] aan [naam 3] :
“Al nieuws over de betaling?”
- 5 augustus 2023
[naam 3] aan [naam 5] :
Nieuws is dat behalve de kwart de rest ook is goedgekeurd
Maar ze houden de betaling aan vanwege een ingediend bezwaar tegen dit besluit
We gaan zsm weer met hun om tafel om te zien of we beweging kunnen krijgen
(…)”
2.13.
In de periode van 30 januari 2024 tot en met 11 mei 2025 heeft de incassogemachtigde van [gedaagde] Twentevis herhaaldelijk gesommeerd om over te gaan tot betaling van de openstaande factuurbedragen van € 10.000,00 en € 1.421,75.
2.14.
Bij e-mail van 8 februari 2024 heeft [naam 3] aan de incassogemachtigde van Twentevis bericht:
“(…)
Het lijkt erop dat u niet alle informatie heeft ontvangen van uw cliënt.
(…)Indien uw cliënt kan aangeven hoe zij de lekkages aan dak en gevelbeplating kunnen oplossen.
Dan horen wij graag van hun.”
2.15
In een e-mail van 16 september 2025 schrijft [naam 4] aan Twentevis onder meer:
“dank voor uw mail en bijlagen indien blijkt dat deze werkzaam heden en factuur betrekking hebben op mijn erf dat moet de factuur die daaruit voorkomt ook naar mij ik zie de uitleg van de aannemer hierom trend met belangstelling tegemoet”

3.Het geschil

in conventie
bij verstek
3.1.
[gedaagde] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Twentevis zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 16.423,84, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 11.421,75 vanaf 23 december 2024 tot en met de dag van volledige betaling en Twentevis zal veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Bij voornoemd verstekvonnis heeft de kantonrechter de vordering van [gedaagde] toegewezen.
in verzet
3.3.
Twentevis vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. het verstekvonnis van 22 januari 2025 met zaaknummer 11491816 CV EXPL
25-134 zal vernietigen,
2. [gedaagde] in haar oorspronkelijke vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze (alsnog) af te wijzen,
3. [gedaagde] zal veroordelen om de bedragen die op grond van de beslaglegging zijn afgedragen, terug te betalen,
en [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van de proceskosten.
in reconventie
3.4.
Twentevis vordert, na vermeerdering van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 15.143,80, vermeerderd met de wettelijke rente daarover per datum vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
2. voor recht zal verklaren dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van onderhavige overeenkomst,
3. [gedaagde] zal veroordelen om binnen 30 dagen na betekening van het vonnis onderzoek te doen naar de lekkage en de lekkage te verhelpen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met een maximum van € 15.000,00,
en [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.
3.5.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot afwijzing van de onderscheiden vorderingen, met veroordeling van Twentevis in de proceskosten.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Vooropgesteld wordt dat niet in geschil is dat [gedaagde] tijdig en op de juiste wijze in verzet is gekomen, zodat zij daarin ontvankelijk is.
4.2.
Kern van het geschil is de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde] in opdracht van Twentevis op het perceel aan de [adres] circa 2.344 m2 asbesthoudende golfplaten heeft verwijderd en heeft afgevoerd.
4.3.
Twentevis betwist dat zij met betrekking tot het uitgevoerde werk op het perceel aan de [adres] contractspartij is van [gedaagde] . Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij nimmer aan [gedaagde] opdracht heeft gegeven om voor haar rekening op dit perceel werkzaamheden te verrichten. [naam 4] is eigenaar van dit perceel en de stallen waarvan de asbesthoudende platen zijn verwijderd, behoren aan hem toe. [naam 3] van Twentevis heeft [naam 4] en [gedaagde] slechts met elkaar in contact gebracht en Twentevis heeft verder niets met het perceel van [naam 4] van doen, aldus Twentevis.
4.4.
De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat [gedaagde] de offerte van 13 juli 2021 naar Twentevis heeft verzonden en dat die offerte expliciet op naam is gezet van [naam 3] van Twentevis. Niet in geschil is dat Twentevis de offerte heeft ontvangen en dat zij daartegen niet heeft gereclameerd of in ieder geval kenbaar heeft gemaakt dat de offerte niet aan haar moest worden gericht. Verder staat vast dat [gedaagde] het door haar geoffreerde bedrag van € 25.143,80 aan Twentevis heeft gefactureerd in een pro forma factuur van 28 juli 2021. In deze factuur is hetzelfde referentienummer genoemd als vermeld in de offerte van 13 juli 2021. Daarnaast is in de omschrijving vermeld dat het gaat om de asbestsanering aan de [adres] . [gedaagde] heeft vervolgens twee keer aan Twentevis gevraagd of zij akkoord gaat met de pro forma factuur. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat Twentevis hierop schriftelijk heeft gereageerd maar wel dat [gedaagde] de referentie en de omschrijving in de pro forma factuur op 31 augustus 2021 heeft aangepast. Uit de e-mail van 16 juni 2021 van [gedaagde] blijkt dat deze handelwijze (het aanpassen van facturen) kennelijk wel vaker werd toegepast door partijen. Op 16 december 2021 heeft [gedaagde] na herhaalde aanmaning een deel van het gefactureerde bedrag betaald, namelijk een bedrag van € 15.143,80. [naam 3] heeft vervolgens herhaaldelijk aan [gedaagde] toegezegd tot betaling van het nog openstaande factuurbedrag te zullen overgaan. Niet eerder dan tijdens de mondelinge behandeling in onderhavige procedure heeft Twentevis de verschuldigdheid van de vordering betwist en het standpunt ingenomen dat zij geen contractspartij is van [gedaagde] voor wat betreft de verrichte werkzaamheden op het perceel aan de [adres] .
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat voormelde feiten, in onderling verband en samenhang bezien, niet te rijmen zijn met de betwisting van de stelling dat Twentevis contractspartij is van [gedaagde] . Het had daarom op de weg van Twentevis gelegen deze betwisting verder te onderbouwen. Dat heeft zij echter onvoldoende gedaan. Het overleggen van de schriftelijke verklaring van 16 september 2025 van [naam 4] is daarvoor in elk geval niet genoeg. In die verklaring wordt door [naam 4] niets verklaard over het contact dat [naam 4] zelf met [gedaagde] heeft gehad over de uitvoering van de werkzaamheden op zijn perceel. De enkele algemene verklaring van [naam 4] dat als de werkzaamheden betrekking hebben op zijn erf, de factuur naar hem moet, is dan ook onvoldoende om daaruit af te leiden dat Twentevis geen contractpartij is van [gedaagde] . Door Twentevis zijn ook voor het overige geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht of stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij niet als contractspartij van [gedaagde] kan worden aangemerkt. Als vaststaand wordt daarom aangenomen dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde] in opdracht en voor rekening van Twentevis op het perceel aan de [adres] asbesthoudende golfplaten heeft verwijderd en heeft afgevoerd.
4.6.
Twentevis beroept zich subsidiair op opschorting. Zij voert daartoe aan dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit de overeenkomst omdat de door [gedaagde] gebouwde ruimte in het project ‘circulaire vis’ niet geïsoleerd is en een lekkage vertoont. In reconventie vordert Twentevis in dit verband een verklaring voor recht dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en vordert zij dat [gedaagde] , kort gezegd, de lekkage herstelt. Zoals hierna uit de beoordeling in reconventie zal blijken, heeft Twentevis niet voldaan aan de op haar rustende klachtplicht als bedoeld in artikel 6:89 BW Pro. Zij heeft daarom alle rechten en bevoegdheden die zij anders naar aanleiding van het gebrek in de prestatie (in dit geval de lekkage) had kunnen uitoefenen, verloren. Dit brengt met zich dat Twentevis zich thans niet op opschorting kan beroepen. Het beroep op opschorting faalt daarom.
4.7.
Twentevis is op grond van de overeenkomst tussen partijen gehouden om het nog openstaande factuurbedrag van € 10.000,00 (incl. btw) aan [gedaagde] te betalen. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden toegewezen. De niet betwiste wettelijke handelsrente daarover is als op de wet gegrond eveneens toewijsbaar zoals hierna in de beslissing is vermeld.
4.8.
[gedaagde] maakt verder aanspraak op betaling van het openstaande factuurbedrag van € 1.421,75. Dit bedrag heeft [gedaagde] aan Twentevis in rekening gebracht voor meerwerk dat zij stelt te hebben verricht in het project ‘circulaire vis’.
4.9.
Vooropgesteld wordt dat de overeenkomst tussen partijen moet worden aangemerkt als een overeenkomst van aanneming van werk als bedoeld in artikel 7:750 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit brengt met zich dat de bepalingen van titel 12 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waaronder artikel 7:755 BW Pro, op onderhavige situatie van toepassing zijn.
4.10.
In artikel 7:755 BW Pro is bepaald in welke situatie en onder welke voorwaarden een aannemer een prijsverhoging kan vorderen. Daarvoor dient in de eerste plaats sprake te zijn van een door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk (meerwerk). Twentevis betwist dat aan dit vereiste is voldaan. Volgens Twentevis is het door [gedaagde] verrichte werk onderdeel van de overeenkomst en is er daarom geen sprake van een toevoeging in het overeengekomen werk. De kantonrechter overweegt dat het gelet op deze betwisting op de weg van [gedaagde] had gelegen de stelling dat de levering en plaatsing van zetwerk als meerwerk moet worden beschouwd, verder toe te lichten en nader te onderbouwen. Dat heeft [gedaagde] echter niet gedaan. Niet gebleken is dan ook dat de levering en plaatsing van het zetwerk een toevoeging of verandering is in het overeengekomen werk. [gedaagde] kan daarom niet met succes een prijsverhoging vorderen. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
4.11.
[gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. Zij is daarom buitengerechtelijk incassokosten verschuldigd. Het door [gedaagde] gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is echter hoger dan het bepaalde tarief in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter zal dit onderdeel van de vordering daarom toewijzen tot het wettelijke tarief, zijnde € 875,00.
4.12.
De slotsom is dat het verzet deels gegrond is. De kantonrechter zal het verstekvonnis daarom vernietigen en opnieuw rechtdoen zoals hierna in de beslissing is vermeld.
4.13.
Twentevis is in de verstek- en verzetprocedure grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de kant van [gedaagde] worden vastgesteld en begroot op:
- explootkosten € 115,22
- griffierecht € 1.461,00
- salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten x € 406,00)
- nakosten
€ 135,00(vermeerderd met de kosten van betekening)
Totaal € 2.523,22
in reconventie
4.14.
Twentevis heeft na de mondelinge behandeling haar eis in reconventie vermeerderd. [gedaagde] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar slaagt niet. Op grond van artikel 130 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het [gedaagde] in elke stand van de procedure toegestaan haar eis in reconventie te vermeerderen, tenzij dat in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Niet gesteld of gebleken is dat de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. [gedaagde] heeft immers de gelegenheid gekregen om bij antwoordakte te reageren op de vermeerdering van eis. Er zal derhalve op de vermeerderde eis worden beslist.
4.15.
Twentevis vordert in reconventie in de eerste plaats terugbetaling van het door haar op 16 december 2021 aan [gedaagde] betaalde bedrag van € 15.143,80. Volgens Twentevis heeft deze betaling betrekking op werkzaamheden die zijn uitgevoerd door en in opdracht van [naam 4] waarbij Twentevis geen contractspartij is. Zoals echter hiervoor bij de beoordeling in conventie is overwogen, staat vast dat Twentevis partij is bij de overeenkomst op grond waarvan [gedaagde] op het perceel aan de [adres] asbesthoudende golfplaten heeft verwijderd en heeft afgevoerd. Voor de betaling van het bedrag van € 15.143,80 bestaat dus, anders dan Twentevis stelt, wel een rechtsgrond. Van een onverschuldigde betaling is daarom geen sprake. Dit onderdeel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.
4.16.
Twentevis vordert voorts een verklaring voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van (haar verbintenissen uit) de overeenkomst en tevens dat [gedaagde] , kort gezegd, wordt veroordeeld tot herstel van de gestelde lekkage. Twentevis legt aan deze vorderingen ten grondslag dat in de door [gedaagde] gebouwde ruimte in het project ‘circulaire vis’ een lekkage is aangetroffen terwijl partijen juist zijn overeengekomen dat de ruimte geïsoleerd moest zijn.
4.17.
Eerst wordt ingegaan op het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] dat Twentevis niet tijdig heeft geklaagd over de gestelde gebreken in het werk (in dit geval: de lekkage).
4.18.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:89 BW Pro kan een schuldeiser (Twentevis) op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ( [gedaagde] ) ter zake heeft geprotesteerd.
4.19.
De klachtplicht kan door partijen nader worden geconcretiseerd, met name door de termijn waarbinnen moet worden geprotesteerd nader te bepalen. In dit geval is in artikel 15 lid 1 van Pro de algemene voorwaarden de termijn nader bepaald. Als onweersproken staat vast dat deze algemene voorwaarden op de rechtsverhouding van partijen van toepassing zijn. In voormeld artikel is de termijn waarbinnen moet worden geprotesteerd bepaald op veertien dagen nadat de opdrachtgever het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken. Niet in geschil is dat Twentevis niet binnen deze termijn bij [gedaagde] heeft geklaagd. Twentevis heeft tijdens de mondelinge behandeling bij monde van [naam 3] verklaard dat zij in 2023 de lekkage heeft ontdekt. Twentevis heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat zij [gedaagde] eerder dan op 8 februari 2024 op de hoogte heeft gesteld van deze lekkage. Door de lekkage pas op 8 februari 2024 te melden aan (de incassogemachtigde van) [gedaagde] , heeft Twentevis niet tijdig geklaagd en heeft zij de klachtplicht geschonden. Twentevis heeft daarom alle rechten en bevoegdheden die zij anders naar aanleiding van de lekkage had kunnen uitoefenen, verloren. Twentevis kan dus geen beroep doen op de gestelde gebreken in de prestatie van [gedaagde] . De in dit verband gevorderde verklaring voor recht en de vordering die strekt tot herstel van de lekkage, zullen daarom worden afgewezen.
4.20.
Twentevis is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot en vastgesteld op € 339,00 (2 punten x € 339,00 x factor 0,5 in verband met de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie).

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
vernietigt het verstekvonnis van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Zutphen (11491816 CV EXPL 25-134),
en opnieuw rechtdoende:
5.2.
veroordeelt Twentevis om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 11.421,75, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over:
- € 10.000,00 vanaf 15 augustus 2021 tot en met de dag van volledige betaling en
- € 1.421,75 vanaf 29 oktober 2022 tot en met de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt Twentevis om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 875,00 aan buitengerechtelijke kosten,
5.4.
veroordeelt Twentevis in de proceskosten van de verstek- en verzetprocedure van € 2.523,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Twentevis niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.7.
wijst de vordering van Twentevis af,
5.8.
veroordeelt Twentevis in de proceskosten van € 339,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.
lt