ECLI:NL:RBGEL:2026:5625

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
12096864 \ CV EXPL 26-1404
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 lid 1 BWArt. 7:17 lid 2 BWArt. 7:18 lid 2 BWArt. 7:21 lid 1 BWArt. 7:21 lid 2 BW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consumentenkoop non-conforme armband: terugbetaling aankoopbedrag en kosten

De eiser kocht op 8 mei 2025 een zilveren tennisarmband bij de gedaagden, die na meerdere reparaties en vervangingen steeds op dezelfde plek kapot ging. De gedaagden voerden aan dat de schade door ruw gebruik kwam, maar konden dit niet overtuigend bewijzen.

De kantonrechter stelde vast dat de armband non-conform was op grond van het wettelijk bewijsvermoeden uit artikel 7:18 lid 2 BW Pro, omdat het gebrek zich binnen een jaar na aflevering openbaarde. Herstel en vervanging hadden niet tot een oplossing geleid, waardoor ontbinding van de koopovereenkomst gerechtvaardigd was.

De gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot terugbetaling van de koopprijs van € 99,00, betaling van wettelijke rente vanaf 25 november 2025, buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 en proceskosten van € 359,66. De veroordelingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De juwelier wordt veroordeeld tot terugbetaling van het aankoopbedrag, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten wegens non-conforme armband.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12096864 \ CV EXPL 26-1404
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[naam eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: Smits Legal Bedrijfsjuristen,
tegen

1.[naam gedaagd vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[naam gedaagde vennoot 1] , VENNOOT VAN [gedaagd vennootschap],
wonende te [woonplaats] ,
3.
[naam gedaagde vennoot 2] , VENNOOT VAN [gedaagd vennootschap],
wonende te [woonplaats] ,
4.
[naam gedaagde vennoot 3] , VENNOOT VAN [gedaagd vennootschap],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: gedaagden of [de gedaagden] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 8 mei 2025 heeft [de eiser] bij [de gedaagden] een zilveren tennisarmband gekocht voor een bedrag van € 129,00. De volgende dag heeft zij de armband omgeruild voor een ander model, dat moest worden besteld.
2.2.
Op 16 mei 2025 heeft [de eiser] de bestelde armband opgehaald. De prijs van die armband bedroeg € 99,00. Het prijsverschil van € 30,00 heeft [de gedaagden] aan [de eiser] terugbetaald.
2.3.
Op 13 juni 2025 heeft [de eiser] de armband naar [de gedaagden] gebracht voor reparatie, omdat een schakel direct naast de sluiting was afgebroken. [de gedaagden] heeft de armband gerepareerd. Eerst heeft zij € 15,00 reparatiekosten in rekening gebracht, maar na protest van [de eiser] is zij daarop teruggekomen en hoefde [de eiser] niets te betalen.
2.4.
[de eiser] heeft de armband op 17 juli 2025 opnieuw naar [de gedaagden] gebracht, omdat deze weer op dezelfde plek kapot was gegaan. Na overleg tussen partijen heeft [de eiser] ermee ingestemd dat een nieuwe armband (van hetzelfde type) zou worden besteld. Deze heeft zij op 26 juli 2025 opgehaald.
2.5.
Op 24 oktober 2025 heeft [de eiser] telefonisch contact opgenomen met [de gedaagden] , omdat de armband weer kapot was gegaan op dezelfde plek.
2.6.
[de eiser] heeft vervolgens haar gemachtigde ingeschakeld, die [de gedaagden] per aantekende e-mail van 10 november 2025 in gebreke heeft gesteld en te kennen heeft gegeven dat [de eiser] geen vertrouwen meer had in reparatie of vervanging. De gemachtigde heeft [de gedaagden] gesommeerd binnen veertien dagen over te gaan tot terugbetaling van het aankoopbedrag van de armband van € 99,00. [de gedaagden] heeft hierop 11 november 2025 gereageerd en laten weten dat zij geen reden ziet voor terugbetaling van het aankoopbedrag, maar wel bereid is tot een laatste kosteloze reparatie of een coulancekorting op een ander product, zonder erkenning van aansprakelijkheid.
2.7.
Op 4 december 2025 heeft de gemachtigde van [de eiser] nog een sommatie gestuurd aan [de gedaagden] en te kennen gegeven dat [de eiser] de koopovereenkomst ontbindt en betaling vordert van de koopsom, rente en buitengerechtelijke incassokosten. Vervolgens heeft nadere correspondentie tussen de gemachtigde van [de eiser] en [de gedaagden] plaatsgevonden.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat gedaagden toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van hun verplichtingen tegenover [de eiser] . Daarnaast vordert zij dat de kantonrechter gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [de eiser] van:
  • de koopprijs van € 99,00;
  • de buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00;
  • de wettelijke rente over de hoofdsom van € 99,00 vanaf 25 november 2025;
  • de proceskosten, te vermeerderen met de eventueel daarover verschuldigde rente.
3.2.
Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De armband is non-conform
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat in dit geval sprake is van een consumentenkoop. [de eiser] is de koopovereenkomst aangegaan als consument (natuurlijk persoon, niet handelend in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf), terwijl [de gedaagden] daarbij handelde in de uitoefening van een bedrijf.
4.2.
In de wet is bepaald dat de consumentkoper bevoegd is om de overeenkomst te ontbinden als het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt (non-conformiteit). [1]
Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst als zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. [2]
4.3.
Op grond van het wettelijk bewijsvermoeden [3] wordt vermoed dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, als de afwijking van hetgeen is overeengekomen zich binnen één jaar na aflevering openbaart, tenzij de verkoper anders aantoont of de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat de eerste armband binnen een periode van twee maanden twee keer kapot is gegaan, steeds op dezelfde plek (de schakel naast de sluiting is afgebroken). De vervangende armband is vervolgens na drie maanden weer kapotgegaan op dezelfde plek. Dit betekent dat op basis van het wettelijke vermoeden ervan moet worden uitgegaan dat de armband bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Mede in het licht van Richtlijn 1999/44 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (hierna: Richtlijn 1999/44) volgt dat de verkoper in een dergelijk geval daadwerkelijk bewijs van het tegendeel moet leveren. [4] Het is in dit geval dus aan [de gedaagden] om te bewijzen dat de armband bij aflevering aan de overeenkomst heeft beantwoord, dan wel dat de afwijking het gevolg is van of is veroorzaakt door een zich na de aflevering voorgedaan hebbende omstandigheid.
4.4.
[de gedaagden] stelt dat de armband kapot is gegaan door ruw gebruik door [de eiser] , dan wel mechanische belasting tijdens het dragen of doordat [de eiser] ergens achter is blijven haken met de armband. Hierbij verwijst zij naar twee overgelegde foto’s van de kapotte armband en de verklaring van een onafhankelijke goudsmid. Deze goudsmid heeft verklaard:
“Ik heb de armband voor u nagezien op fabricage fouten en deze niet kunnen vinden.
De armband is op de een of andere manier gewoon afgebroken.
Dat is voor mij als goudsmid duidelijk waarneembaar.
Voor zover mijn bevindingen.”
[de eiser] heeft er terecht op gewezen dat de goudsmid zijn conclusie alleen heeft gebaseerd op een foto die hem door [de gedaagden] is toegestuurd. De kantonrechter is van oordeel dat aan deze enkele summiere verklaring niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de armband bij aflevering wel degelijk aan de overeenkomst heeft beantwoord en dat het aan [de eiser] zelf te wijten is dat de armband steeds kapot is gegaan. Hierbij is van belang dat de armband drie keer op dezelfde plek is gebroken. [de gedaagden] heeft dan ook geen bewijs van het tegendeel geleverd. Zij heeft ook geen nader bewijsaanbod gedaan. Op basis van het wettelijk bewijsvermoeden is dan ook sprake van een non-conforme armband.
4.5.
Door een non-conforme armband aan [de eiser] te verkopen is [de gedaagden] tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit de koopovereenkomst. De kantonrechter zal de door [de eiser] gevorderde verklaring voor recht daarom toewijzen.
4.6.
Als het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt, kan de koper eisen [5] , voor zover hier van belang:
a. aflevering van het ontbrekende;
b. herstel van de afgeleverde zaak, mits de verkoper hieraan redelijkerwijs kan voldoen;
c. vervanging van de afgeleverde zaak.
De kosten van nakoming van deze verplichtingen kunnen niet aan de koper in rekening worden gebracht. [6] De verkoper is verplicht om, mede gelet op de aard van de zaak en op het bijzondere gebruik van de zaak dat bij de overeenkomst is voorzien, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de koper, zijn verplichtingen na te komen. [7]
Als het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt, heeft de koper bij een consumentenkoop voorts de bevoegdheid om:
a. de overeenkomst te ontbinden, tenzij de afwijking van het overeengekomene, gezien haar geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt;
b. de prijs te verminderen in evenredigheid met de mate van afwijking van het overeengekomene.
4.7.
Aan [de eiser] komt de bevoegdheid tot ontbinding pas toe wanneer herstel of vervanging van de armband onmogelijk is of van [de gedaagden] niet kan worden gevergd, dan wel wanneer niet binnen redelijke termijn of zonder ernstige overlast tot herstel of vervanging wordt overgegaan, danwel de verkoper tekort is geschoten in een verplichting als bedoeld in artikel 7:21 lid 3 BW Pro. [8]
De eerste keer dat de armband kapot is gegaan heeft [de gedaagden] de armband gerepareerd en de tweede keer heeft zij de armband vervangen door een nieuw exemplaar. De armband is vervolgens nogmaals gebroken op dezelfde plek. Er is dus sprake van eenzelfde gebrek, waarbij herstel en vervanging niet tot een oplossing hebben geleid. Het gebrek aan de armband is ook van dusdanige betekenis dat het ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Een gebroken armband kan immers niet worden gedragen. Naar het oordeel van de kantonrechter was [de eiser] dan ook gerechtigd om tot ontbinding van de koopovereenkomst over te gaan en kan van haar niet meer worden verlangd in te gaan op het aanbod van [de gedaagden] om de armband voor een laatste keer kosteloos te repareren of korting te geven op een ander product.
4.8.
Als gevolg van de ontbinding ontstaat voor partijen de verplichting tot ongedaanmaking van de al door hen ontvangen prestaties. [9] [de gedaagden] moet daarom het door [de eiser] betaalde aankoopbedrag voor de armband terugbetalen, zodat de gevorderde betaling van € 99,00 zal worden toegewezen. Op [de eiser] rust de verbintenis om de armband te retourneren.
4.9.
De kantonrechter zal ook de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom van € 99,00 toewijzen [10] , vanaf 25 november 2025 (de eerstvolgende datum na afloop van de in de ingebrekestelling gegeven veertien dagentermijn) tot de datum van volledige voldoening.
Gedaagden moeten de buitengerechtelijke incassokosten betalen
4.10.
[de eiser] vordert dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00. Gedaagden hebben hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. Nu verder aan alle wettelijke vereisten is voldaan en [de eiser] voldoende heeft onderbouwd dat er buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt, zal de kantonrechter dit deel van de vordering ook toewijzen.
Gedaagden moeten de proceskosten betalen
4.11.
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom als gevorderd (hoofdelijk) de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
159,16
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
86,00
(2 punten × € 43,00)
- nakosten
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
359,66
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Hoofdelijke veroordeling
4.13.
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.14.
De veroordelingen in dit vonnis zullen, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dit betekent dat het meteen mag worden tenuitvoergelegd. [11]

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat gedaagden toerekenbaar tekortschoten zijn in de nakoming van hun verplichtingen tegenover [de eiser] ;
5.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 139,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de hoofdsom van € 99,00, met ingang van 25 november 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 359,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart de onderdelen 5.2., 5.3. en 5.4. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op
24 juni 2026.
41245 \ 498

Voetnoten

1.Artikel 7:22 lid 1 onder Pro a BW.
2.Artikel 7:17 lid 1 en Pro 2 BW.
3.Artikel 7:18 lid 2 BW Pro.
4.Gerechtshof Arnhem 2 mei 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AX6541.
5.Artikel 7:21 lid 1 BW Pro.
6.Artikel 7:21 lid 2 BW Pro.
7.Artikel 7:21 lid 3 BW Pro.
8.Artikelen 7:21 en 7:22 BW.
9.Artikel 6:271 BW Pro.
10.Artikel 6:119 BW Pro.
11.Artikel 233 Rv Pro.