ECLI:NL:RBGEL:2026:5644

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
05/408450-24; 05/341330-24 (gev. ttz); 05/182673-24 (gev. ttz) en 05/182667-24 (gev. ttz)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging tbs met dwangverpleging na steekincident en bedreigingen in zorginstelling

Op 29 december 2024 stak verdachte met een mes zijn ambulante begeleider in de schouder in een zorginstelling te Arnhem, wat leidde tot een snijwond van 2-3 cm breed en 1-2 cm diep. Verdachte bedreigde meerdere personen, waaronder zorgverleners en politieambtenaren, met messen en gebruikte beledigende taal. Verdachte heeft een uitgebreide justitiële voorgeschiedenis met diverse geweldsdelicten en een complexe psychiatrische problematiek, waaronder een verstandelijke beperking, ADHD en verslavingsstoornissen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling, bedreiging met een mes, belediging van ambtenaren en vernieling van goederen. De verdediging voerde noodweer en noodweerexces aan, maar dit werd verworpen omdat verdachte zich aanvallend opstelde. De deskundigen rapporteren een zeer hoog recidiverisico en adviseren tbs met dwangverpleging vanwege de complexiteit en het veiligheidsrisico.

De rechtbank wijst de gevorderde 38z-maatregel af omdat deze onnodig en onwenselijk is in combinatie met tbs. Verdachte wordt veroordeeld tot 11 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en tbs met verpleging van overheidswege opgelegd. Daarnaast wordt het keukenmes verbeurd verklaard. De benadeelde partij krijgt een schadevergoeding van € 712,50 materiële schade en € 1.500,- smartengeld toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot 11 maanden gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging; 38z-maatregel wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05/408450-24; 05/341330-24 (gev. ttz); 05/182673-24 (gev. ttz) en
05/182667-24 (gev. ttz)
Datum uitspraak : 9 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsman: mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van
10 april 2025, 7 juli 2025, 11 september 2025, 4 december 2025, 26 februari 2026, 19 maart 026, 13 mei 2026 en 25 juni 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Ten aanzien van parketnummer 05/408450-24
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging ex artikel 314a Sv , ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 29 december 2024 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] en/of [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes in de schouder, in elk geval in het bovenlichaam, van die [aangever 1] heeft gestoken en/of met (een) mes(sen) in de richting van het gezicht en/of (boven)lichaam van die [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 december 2024 te Arnhem [aangever 1] heeft mishandeld door met een mes in de schouder, in elk geval in het bovenlichaam, van die [aangever 1] te steken.
2.
hij op of omstreeks 29 december 2024 te Arnhem [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (dreigend) met een of meer (twee) mes(sen) in de richting van genoemde personen te steken.
Ten aanzien van parketnummer 05/341330-24
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 27 oktober 2024 te Arnhem [agent 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [agent 1] de woorden toe te voegen "als jullie naar boven komen dan steek ik jullie neer" en/of "ik heb hier een mes en daarmee ga ik het doen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of door een mes, in elk geval een scherp voorwerp, in de hand te nemen en/of daarmee zwaaiende bewegingen te maken, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [agent 1] in diens hoedanigheid van ambtenaar van de politie.
2.
hij op of omstreeks 27 oktober 2024 te Arnhem opzettelijk een ambtenaar, te weten [agent 1] , hoofdagent bij de politie Eenheid Oost-Nederland en/of [agent 2] , agent bij de politie Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen de woorden toe te voegen: "kankerflikkers" en/of "kankerwouten", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Ten aanzien van parketnummer 05/182673-24
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 juli 2023 te Rekken, gemeente Berkelland [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen "ik pak jou nog wel, vandaag
is ze veilig, ik pak [aangever 3] nog wel op een moment dat jullie het niet verwachten"
en/of "ik steek je neer met een pen" en/of "ik maak haar af", althans woorden van
gelijke dreigende aard of strekking.
Ten aanzien van parketnummer 05/182667-24
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 september 2023 te Rekken, gemeente Berkelland opzettelijk en wederrechtelijk een tafel, een radio en/of CD speler, een of meerdere bloempotten, een of meerdere muren, een of meerdere deuren, een veiligheidsglas van een deur, een of meerdere afstandsbedieningen en/of huisraad in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [instelling] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05/408450-24 [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen bewijs in het dossier zit dat er opzettelijk is gestoken door verdachte. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij is aangevallen door aangever [aangever 1] en [aangever 2] en dat hij in de worsteling die daarop is ontstaan een voorwerp van de bank heeft gepakt om zich te verdedigen. Hij wist niet dat het een mes was, omdat de kamer donker was. Dat het kennelijk een mes was en dat hij aangever [aangever 1] daar mee heeft geraakt, heeft hij later pas gezien toen de advocaat hem de foto’s van het letsel heeft getoond. Aangever [aangever 1] is verder de enige die heeft verklaard dat hij is gestoken door verdachte maar die verklaring wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Uit de medische informatie volgt dat sprake is van een snijverwoning en geen steekverwoning. Daarnaast heeft de heer [aangever 2] , die vlakbij stond, het steken in de schouder niet gezien. Het is dus heel goed mogelijk dat aangever [aangever 1] het letsel tijdens de worsteling onbedoeld heeft opgelopen aan zijn schouder.
Voor feit 2 geldt dat de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2] over het maken van stekende bewegingen in hun richting wisselend zijn, niet met elkaar overeenkomen en op een sturende wijze tot stand zijn gekomen.
Zelfs als het maken van stekende bewegingen wel bewezen kan worden geacht, hoeft er wat de verdediging betreft geen sprake te zijn van een bedreiging. Daarvoor is opzet nodig. Het is naar het oordeel van de verdediging veel aannemelijker dat verdachte de aangevers op afstand wilde houden of wilde aansporen om te gaan zoeken naar verdwenen spullen, zoals de aangevers ook hebben verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
Op 29 december 2024 heeft [aangever 1] aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij die dag gebeld werd om naar [instelling] (een zorginstelling met 24-uurs begeleiding) in Arnhem te komen omdat het helemaal mis ging. Toen hij bij de kamer van verdachte aankwam, hoorde hij dat verdachte zijn collega [aangever 2] ervan beschuldigde dat zij zijn speed hadden gebruikt. Hij probeerde vervolgens om verdachte rustig te krijgen. Op een gegeven moment liep verdachte naar de wasbak en pakte hij een mes. Dit was een zwart mes met witte puntjes op het lemmet. Verdachte had in zijn rechterhand een sigaret en in zijn linkerhand het mes vast. Hij gebruikte dit mes om hen te bedreigen. Toen verdachte klaar was met roken, liep hij naar de wasbak om een tweede mes te pakken. Dit was ook een zwart mes. Verdachte bleef maar dreigen en maakte met beide armen met het mes stekende bewegingen in de richting van het gezicht van [aangever 1] en [aangever 2] . Daarbij zei hij; “meer speed of een van jullie gaat eraan” en “als je komt, steek ik je neer”. Toen verdachte die beweging maakte, heeft [aangever 2] zich beschermd met het deurtje van de keukenkast. Toen [aangever 1] zag dat de blik van verdachte niet meer op hen gericht was, pakte hij verdachte van achteren vast. Tijdens dit vastpakken maakte verdachte een stekende beweging met zijn rechterhand en stak hij het mes in de rechter schouder van [aangever 1] . [aangever 1] voelde dat zijn shirt nat was en zag toen dat zijn shirt onder het bloed zat. Hierna heeft [aangever 1] hem bij zijn hoofd gepakt, de messen gecontroleerd en zijn benen vastgeklemd. [aangever 2] heeft vervolgens de politie gebeld. [2]
[aangever 1] is in het ziekenhuis onderzocht. Daarbij is er een snijverwoning in zijn rechter schouder van 2-3 centimeter breed en 1-2 centimeter diep vastgesteld. De wond is gehecht. [3]
[aangever 2] heeft op 29 december 2024 ook aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat [aangever 1] en hij door verdachte werden beschuldigd van het pakken van spullen van de kamer van verdachte. Verdachte begon hen te bedreigen en pakte een zwart mes uit de gootsteen. Daarna pakte verdachte nog eenzelfde mes vast in zijn andere hand. Ter bescherming heeft [aangever 2] een deurtje van de vernielde keukenkast gepakt zodat zij niet door de messen geraakt konden worden. Verdachte probeerde hen te raken met de messen. Hij begon met de messen langs het deurtje te steken, in de richting van het gezicht van [aangever 2] . Dit gebeurde zo’n 3 à 4 keer. Uiteindelijk hebben [aangever 2] en [aangever 1] verdachte kunnen overmeesteren en vast kunnen houden op de bank. [aangever 2] heeft niet gezien op welk moment [aangever 1] geraakt werd door het mes. Hij zag later pas dat het shirt van [aangever 1] rondom zijn rechter schouder onder het bloed zat. [4] In een aanvullend verhoor heeft [aangever 2] verklaard dat verdachte op korte afstand een steekbeweging maakte met het mes in zijn richting. Verdachte raakte hem niet omdat hij net een paar centimeter te kort kwam. Verdachte had [aangever 2] kunnen raken als hij voorover zou buigen. [aangever 2] heeft op dat moment tegen verdachte gezegd: “je bent mij aan het bedreigen”. [5]
De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2] . De verklaringen zijn gedetailleerd, consistent en zij ondersteunen elkaar op essentiële onderdelen. Daarbij komt dat verdachte in eerste instantie meerdere keren (zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris) heeft verklaard dat hij zich niets kon herinneren van wat er was gebeurd en dat hij dit een aantal weken later bij zijn laatste verhoor bij de politie opeens wél wist. Die verklaring is vervolgens weer op een belangrijk onderdeel anders dan de verklaring die hij op zitting heeft afgelegd. Waar hij bij de politie heeft verklaard dat hij een harde knak heeft gehoord alsof er iets afbrak, heeft hij op zitting verklaard daar niks van mee gekregen te hebben.
Al met al acht de rechtbank acht de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs en schuift zij de verklaring van verdachte terzijde.
Conclusie feit 1 – [aangever 1]
De rechtbank stelt vast dat verdachte [aangever 1] heeft gestoken met een mes in zijn schouder en dat dit een wond van 2-3 centimeter breed en 1-2 centimeter diep heeft veroorzaakt.
Aan de rechtbank ligt vervolgens de vraag voor of verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte hier vol opzet op heeft gehad. De rechtbank moet daarom beoordelen of sprake is van voorwaardelijk opzet.
Verdachte heeft [aangever 1] van dichtbij en met kracht met een mes gestoken nadat hij door [aangever 1] was vastgepakt en hij zich los probeerde te maken . Hij heeft daarbij [aangever 1] iets onder zijn sleutelbeen geraakt. Er is dus sprake van een bewust op het bovenlichaam gerichte steekbeweging. Dit is een kwetsbaar deel van het lichaam, waar zich vitale delen bevinden (zoals het hart en/of slagaders). De rechtbank is van oordeel dat het met kracht steken op deze plaats naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert. Dat die kans aanmerkelijk is, is een feit van algemene bekendheid. Iedereen en dus ook verdachte weet dat het steken in een bovenlichaam potentieel gevaarlijk is. Verdachte heeft door zo te handelen, dus bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard. Daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Dit betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [aangever 1] .
Vrijspraak feit 1 - [aangever 2]
De rechtbank stelt vast dat verdachte op korte afstand met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van [aangever 2] . De vraag is of het opzet van verdachte zag op het bedreigen van [aangever 2] of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [aangever 2] .
Uit de verklaring van [aangever 2] volgt dat verdachte hem had kunnen raken als hij voorover gebogen had. Dit vooroverbuigen heeft verdachte niet gedaan terwijl hij dat wel had gekund. Als de opzet van verdachte gericht was geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dan had verdachte op dat moment de mogelijkheid gehad om te kunnen steken maar dat heeft hij niet gedaan. Daarbij komt dat [aangever 2] heeft verklaard dat hij tegen verdachte heeft gezegd “je bent mij aan het bedreigen”. Kennelijk heeft [aangever 2] de situatie dus ook als gericht op bedreigend ingeschat. De rechtbank is daarom van oordeel dat het opzet van verdachte niet gericht was op het raken van [aangever 2] maar op het bedreigen van hem.
De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [aangever 2] , zoals onder feit 1 ten laste is gelegd.
Conclusie feit 2:
De rechtbank stelt vast dat verdachte meermaals opzettelijk dreigend met messen in de richting van [aangever 1] en [aangever 2] heeft gestoken. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 tenlastegelegde.
Ten aanzien van parketnummer 05/341330-24 [6]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat voor feit 1 geldt dat uit de verklaringen van verbalisanten niet blijkt dat verdachte zwaaiende bewegingen heeft gemaakt met het mes zodat verdachte van dat onderdeel moet worden vrijgesproken.
Beoordeling door de rechtbank
Verbalisanten [agent 1] en [agent 2] hebben verklaard dat zij op 27 oktober 2024 naar aanleiding van een melding samen aanwezig waren bij een zorginstelling aan [adres] in Arnhem. Tijdens het uitvragen bij de melder werd door verdachte een raam open gedaan op de eerste etage. Verdachte riep de volgende dingen: “
vieze kanker wouten”, “
ik steek jullie neer”, “
als jullie naar boven komen dan steek ik jullie allebei neer”, “
ik heb hier een mes en daarmee ga ik het doen”. Verdachte had een groot keukenmes in zijn hand en zwaaide hiermee. [7] Verdachte riep dit enorm luid en er liepen meerdere mensen op straat. Verdachte riep meerdere keren dat hij de verbalisanten wat aan zou doen met het mes en hij bleef voortdurend met kanker en flikkers schelden. [8]
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten. Dit geldt ook ten aanzien van het maken van zwaaiende bewegingen met een mes dat onder feit 1 ten laste is gelegd.
Ten aanzien van parketnummer 05/182673-24 [9]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. De verdediging merkt wel op dat verdachte ontkent dat hij “ik steek je neer met een pen” heeft gezegd.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , p. 6 en 7;
- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , p. 10;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 juni 2026.
Aangeefster en getuige [getuige] verklaren allebei dat verdachte bedreigingen heeft geuit tegen aangeefster. Zij verklaren ook allebei dat verdachte onder andere heeft gezegd “
ik steek je neer met een pen”. De rechtbank acht ook deze bedreiging wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van parketnummer 05/182667-24 [10]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , p. 5 en 6;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 juni 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten
ten aanzien van parketnummer 05/408450-24, dat:
1.
hij op
of omstreeks29 december 2024 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1]
en/of [aangever 2]opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes in de schouder
, in elk geval in het bovenlichaam,van die [aangever 1] heeft gestoken
en/of met (een) mes(sen) in de richting van het gezicht en/of (boven)lichaam van die [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op
of omstreeks29 december 2024 te Arnhem [aangever 1] en
/of[aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door (dreigend) met
een of meer(twee) mes(sen) in de richting van genoemde personen te steken.
ten aanzien van parketnummer 05/341330-24, dat:
1.
hij op
of omstreeks27 oktober 2024 te Arnhem [agent 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandelingdoor die [agent 1] de woorden toe te voegen "als jullie naar boven komen dan steek ik jullie neer" en/
of"ik heb hier een mes en daarmee ga ik het doen",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekkingen/
ofdoor een mes,
in elk geval een scherp voorwerp, in de hand te nemen en
/ofdaarmee zwaaiende bewegingen te maken, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [agent 1] in diens hoedanigheid van ambtenaar van de politie.
2.
hij op
of omstreeks27 oktober 2024 te Arnhem opzettelijk een ambtenaar, te weten [agent 1] , hoofdagent bij de politie Eenheid Oost-Nederland en
/of[agent 2] , agent bij de politie Eenheid Oost-Nederland, gedurende
of ter zake vande rechtmatige uitoefening van
zijn/haar/hun bediening, in
zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door
hem/haar/hen de woorden toe te voegen: "kankerflikkers" en
/of"kankerwouten",
althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
ten aanzien van parketnummer 05/182673-24, dat:
hij op
of omstreeks14 juli 2023 te Rekken, gemeente Berkelland [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door die [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen "ik pak jou nog wel, vandaag is ze veilig, ik pak [aangever 3] nog wel op een moment dat jullie het niet verwachten" en
/of"ik steek je neer met een pen" en
/of"ik maak haar af",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
ten aanzien van parketnummer 05/182667-24, dat:
hij op
of omstreeks17 september 2023 te Rekken, gemeente Berkelland opzettelijk en wederrechtelijk een tafel, een radio en
/ofCD speler,
een ofmeerdere bloempotten,
een ofmeerdere muren,
een ofmeerdere deuren, een veiligheidsglas van een deur,
een ofmeerdere afstandsbedieningen en/
ofhuisraad
in elk geval enig goed,
dat/die geheel
of ten deleaan [instelling] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde(n) heeft vernield of beschadigd,
onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover er in de tenlasteleggingen kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 05/408450-24
feit 1 primair:
poging tot zware mishandeling
feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd
Ten aanzien van parketnummer 05/341330-24
feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht terwijl het feit gepleegd wordt tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie
feit 2:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd
Ten aanzien van parketnummer 05/182673-24
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Ten aanzien van parketnummer 05/182667-24
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meermalen gepleegd

5.De strafbaarheid van de feiten

Ten aanzien van parketnummer 05/408450-24 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat dit moet leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. Er was sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Verdachte is aangevallen door [aangever 1] en [aangever 2] en daar mocht hij op reageren. Hij hoefde zich niet in elkaar te laten slaan. Verdachte heeft toen een voorwerp van de bank gepakt om de aanvaller(s) van zich af te houden. Deze reactie is proportioneel en voldoet ook aan de eisen van subsidiariteit. Verdachte kon namelijk geen kant op.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat aan verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Uit het dossier blijkt dat er veel emotie zat bij verdachte. Dat verklaren ook [aangever 1] en [aangever 2] . De verdediging stelt zich op het standpunt dat het eventueel te ver gaan in de verdediging verschoonbaar is. Het werd namelijk veroorzaakt door een hevige gemoedsbeweging.
De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of sprake is van een noodweersituatie allereerst zal moeten worden vastgesteld of het scenario dat verdachte schetst voldoende aannemelijk is geworden. Pas dan komt de rechtbank toe aan een toetsing daarvan. Zoals blijkt uit de bewezenverklaring gaat de rechtbank uit van de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2] . In dat geval is het juist verdachte geweest die zich aanvallend heeft opgesteld. Dit betekent dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt en daarmee ook geen beroep op noodweerexces.
De feiten zijn dus strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege en een 38z maatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de gevangenisstraf voor alle feiten bij elkaar maximaal 1 jaar zou moeten zijn. Verdachte zit al 1,5 jaar in voorarrest. Daarbij komt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard en dit werkt straf verlagend. Een tbs-maatregel is verder niet geïndiceerd omdat er geen sprake is van ernstige gewelds- of zedendelicten. Als wel zou worden overgegaan tot het opleggen van een tbs-maatregel, dan moet er terughoudend worden omgegaan met het opleggen van een tbs-maatregel met dwang gelet op het vastgelopen tbs-systeem. In ieder geval moet deze gemaximeerd worden tot 4 jaar. Voor de tbs-maatregel met voorwaarden geldt dat het een probleem is dat er tot nu toe geen enkele kliniek is die verdachte in dit kader wil plaatsen. Maar daar mag verdachte de dupe niet van worden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten waaronder een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door zijn ambulante begeleider met een mes in zijn schouder te steken. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bij hem pijn en letsel veroorzaakt. Het incident heeft daarnaast een grote impact gehad op het veiligheidsgevoel van het slachtoffer, met name als hij aan het werk is omdat verdachte hem in die setting heeft neergestoken. Dat verdachte zonder enige aanleiding juist degene die er was om hem te helpen, dit heeft aangedaan, is ernstig. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreigingen, een belediging en een vernieling. Deze feiten zijn geuit in de richting van zorgverleners en de politie. Dit is zeer hinderlijk gedrag. De politieambtenaren en zorgverleners moeten in staat zijn om hun werk te doen zonder dat zij hiermee worden geconfronteerd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de uitgebreide justitiële documentatie van verdachte van
20 oktober 2025. Verdachte is op zijn 13e voor het eerst veroordeeld, voor mishandeling. Daarna volgden diverse veroordelingen voor verschillende delicten, waaronder mishandeling, bedreiging, wapenbezit, openlijk geweld, geweld tegen beroepsbeoefenaren en vernieling. Daarvoor werden aan verdachte gevangenisstraffen, taakstraffen en voorwaardelijke straffen opgelegd, met daarbij onder meer reclasseringstoezicht, opname en behandeling in een forensisch kader en wonen bij een zorginstelling opgenomen. In 2019 voor het eerst, in 2023 voor het laatst. Er zijn verschillende behandelingen en opnames geweest in verschillende settingen waarbij het een patroon is dat verdachte ook gewelddadig is tegenover de zorgverleners in de klinieken. Al deze voorwaardelijk opgelegde straffen zijn uiteindelijk tenuitvoergelegd omdat het verdachte niet lukte zich aan de voorwaarden te houden. Ook in onderhavige zaak was sprake van wonen met 24-uurs begeleiding, waarbij verdachte uiteindelijk zijn zorgverlener met een mes heeft gestoken.
Uit het rapport van de psychiater van 2 oktober 2025 en het rapport van de psycholoog van 31 oktober 2025 volgt dat verdachte op zijn 10e uit huis is geplaatst en sindsdien in verschillende instellingen verblijft. Bij hem is sprake van een verstandelijke beperking, ADHD, een stoornis in het gebruik van cannabis en amfetamines, een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in de impulscontrole. Deze stoornissen waren steeds aanwezig tijdens het tenlastegelegde en daarop van invloed. Verdachte functioneert vanuit een ziekelijke verslavingsdynamiek, waarbij hij primair gericht is op het verkrijgen van middelen en het bevredigen van zijn directe behoeften. Tegelijkertijd verdraagt hij tegenwerking zeer slecht. Bij frustratie raakt hij geprikkeld, wat zich uit in verbale agressie. Wanneer iemand hem in zijn ogen tegenwerkt, neemt de boosheid toe en kan dit escaleren naar fysiek agressief gedrag. Verdachte is niet in staat zijn impulsen te remmen en kan de gevolgen van zijn gedrag niet overzien. Onder invloed van stress en middelen komt het werkgeheugen extra onder druk te staan, waardoor hij situaties slechter kan inschatten en minder adequaat kan handelen. Door de combinatie van verminderde impulsbeheersing en sterke behoefte aan middelen is verdachte beperkt in staat om alternatieve gedragingen te realiseren. De verstandelijke beperking heeft tot gevolg dat verdachte niet in staat is in te zien hoe agressie ontstaat en wat zijn eigen rol daarin is. Beide deskundigen adviseren om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over en gaat bij het bepalen van de strafmaat uit van een verminderde mate van toerekenbaarheid.
Door de psychiater wordt het risico op herhaling als zeer hoog ingeschat. Er worden nauwelijks beschermende factoren gezien. De uitgebreide justitiële voorgeschiedenis, het nagenoeg ontbreken van effect van behandelingen en het mislukken van toezicht door de reclassering wijzen allemaal op een verhoogd risico. Daarnaast toont verdachte geen probleeminzicht en zijn er recent in de PI ook weer incidenten geweest. Dit betekent dat alleen een zeer strikt kader, met de mogelijkheid betrokkene langdurig te volgen, als zinvol wordt gezien. Verdachte is niet in staat zijn agressieve gedrag onder controle te houden en de delicten worden ernstiger. Daarmee is er een aanzienlijk risico voor de maatschappij. Een voorwaardelijk strafdeel is niet werkzaam gebleken. Een zorgmachtiging of rechterlijke machtiging biedt evenmin het kader om verdachte voldoende lang en in een kader het een voldoende hoog beveiligingsniveau te kunnen behandelen. De psychiater adviseert daarom om een tbs-maatregel op te leggen
.Zij schat vooralsnog in dat verdachte zich aan voorwaarden zal kunnen houden. Die inschatting is gebaseerd op het adviesgesprek met verdachte waarin hij heeft aangeven dat hij zich wel voorwaarden zal houden. Indien dit niet het geval is, zal ook tbs met verpleging van overheidswege overwogen moeten worden.
Ook de psycholoog komt ten aanzien van geweldsdelicten tot een hoog recidiverisico. Begeleiding bij en behandeling en van zijn licht verstandelijke beperking, ADHD, persoonlijkheidsproblematiek en verslavingsproblematiek zijn noodzakelijk. Het is van groot belang dat hij voldoende structuur krijgt, omdat dit hem duidelijkheid en houvast biedt . Daarnaast is het essentieel dat verdachte effectieve copingsvaardigheden aanleert om adequaat met stress om te gaan. Hierbij dient hij te leren minder impulsief en opportunistisch te reageren en zijn emoties niet te dempen met middelengebruik. Dit kan worden bereikt door psycho-educatie, vaardigheidstraining en cognitieve gedragstherapie, specifiek aangepast aan lvb-problematiek, bij een (forensische) GGZ-instelling, die gespecialiseerd is in licht verstandelijke beperkingen zoals Trajectum of een vergelijkbare instelling. Professionele begeleiding gericht op lvb-problematiek is wenselijk om verdachte te ondersteunen bij het ontwikkelen en bestendigen van adaptieve vaardigheden en het positief uitbreiden van zijn sociale netwerk. Daarnaast wordt beschermd wonen aanbevolen, zodat verdachte kan werken aan zelfstandigheid met dagelijkse ondersteuning. De psycholoog stelt zich op het standpunt dat dit uitsluitend binnen het kader van een tbs met dwangverpleging gerealiseerd kan worden. Verdachte ontkent zijn agressieproblematiek en legt de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag volledig bij anderen neer. Gezien zijn zeer beperkte ziektebesef en zieke-inzicht wordt verwacht dat hij zich niet langdurig aan voorwaarden zal houden. Het wordt daarom geadviseerd de behandeling te starten op een afdeling met een zeer hoog beveiligingsniveau en een zeer hoge zorgintensiteit.
Uit de rapporten van de reclassering van 29 november 2025 en 20 februari 2026 volgt dat de reclassering vanwege de complexe problematiek en daaruit vloeiende agressie een maatregel tbs met voorwaarden niet haalbaar acht. Verdachte heeft geen probleembesef en er is onvoldoende betrouwbare motivatie voor het meewerken aan bijzondere voorwaarden. Bovendien heeft verdachte door de jaren heen laten zien dat hij niet in staat is zich te conformeren aan voorwaarden; reclasseringstoezichten zijn herhaaldelijk voortijdig negatief geretourneerd. Vanwege de agressieproblematiek is bovendien de verwachting dat er verplichte zorg nodig zal zijn op basis van een civielrechtelijk kader, zoals het insluiten in een extra beveiligde kamer. Tenslotte is het van belang dat verdachte verblijft op een behandelafdeling waar hij langdurig behandeld kan worden en waar de zorg niet beëindigd zal worden vanwege grensoverschrijdend gedrag. Op verzoek van de rechtbank is onderzocht of en waar verdachte in het kader van een tbs met voorwaarden zou kunnen worden opgenomen maar er is geen kliniek geschikt gevonden verdachte op te nemen. Een tbs met voorwaarden is dus ook om die reden niet uitvoerbaar. Al met al adviseert de reclassering om een tbs maatregel met dwangverpleging op te leggen.
De rechtbank stelt vast dat een deel van de bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, waarvoor een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege mogelijk is. Bij verdachte was tijdens het begaan van het misdrijf sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis. Het recidiverisico op gewelddadig gedrag wordt door de deskundigen ingeschat als zeer hoog. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dan ook de oplegging van de tbs-maatregel.
Vervolgens is het de vraag wat in dit geval passend is; een tbs met voorwaarden of een tbs met verpleging van overheidswege.
Zowel de psycholoog als de reclassering zijn van oordeel dat een tbs met voorwaarden een onvoldoende stevig kader is. Dit wordt ook onderschreven door de klinieken die zijn benaderd in het kader van het onderzoek naar de mogelijkheid van een tbs met voorwaarden. Zij hebben allemaal kenbaar gemaakt dat zij geen passend behandelaanbod kunnen doen omdat de complexe problematiek hun zorgintensiteit en beveiligingsniveau overstijgt. Behandeling binnen een ander kader dan tbs met dwangverpleging wordt door deze klinieken onuitvoerbaar geacht.
Uit de rapporten valt ook af te leiden dat aan verdachte drie keer een reclasseringstoezicht opgelegd is in 2019, 2022 en 2023 waarbij ook sprake is geweest van een klinische opname. In alle gevallen is de voorwaardelijke straf wegens niet naleven van de voorwaarden tenuitvoergelegd. Hoewel verdachte over een aantal voorwaarden heeft aangegeven zich daaraan te willen houden, blijft hij over het gehele pakket wisselend in zijn motivatie. Daarbij komt dat de psycholoog op de zitting heeft verklaard dat zelfs als verdachte zou aangeven dat hij zich aan alle voorwaarden wil conformeren, het de vraag is of hij gelet op zijn problematiek daartoe in staat is. Verder speelt ook een rol dat de gevaarzetting voor de mensen met wie hij in aanraking komt, de zorgverleners in de klinieken en de woonvormen, groot is en ook hun veiligheid gewaarborgd moet kunnen worden.
Al met al ziet de rechtbank dat bij verdachte sprake is van complexe problematiek in combinatie met een hoog risico op geweldsdelicten waarbij behandeling noodzakelijk is. Een andere behandeling dan binnen een tbs met dwangverpleging is vanwege die complexiteit en risico’s niet haalbaar. Dat blijkt ook uit het behandelverleden van verdachte, waarin van alles al is geprobeerd, en wordt nog eens bevestigd door het feit dat alle aangeschreven klinieken te kennen hebben gegeven verdachte vanwege de complexiteit en de risico’s niet op te kunnen nemen.
De rechtbank zal daarom een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege opleggen. De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.
De officier van justitie heeft gevorderd dat een 38z maatregel wordt opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is het opleggen van een dergelijke maatregel in combinatie met het opleggen van een ongemaximeerde tbs met dwangverpleging overbodig en zou het tbs-systeem op onaanvaardbare wijze doorkruizen. Deze maatregel wordt immers pas beëindigd op het moment dat de veiligheid van personen of goederen verlenging niet meer eist. In dat geval is ook een 38z maatregel niet aan de orde. De rechtbank zal aan verdachte daarom geen 38z maatregel opleggen.
Gelet op de ernst van de feiten zal de rechtbank daarnaast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Alles afwegende en rekening houdend met het feit dat verdachte een tbs maatregel wordt opgelegd, hetgeen in het geval van verdachte naar alle waarschijnlijk een langdurige wachttijd en behandeling zal betekenen, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 11 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.
De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een schending van de redelijke termijn.
Beide zaken uit 2023 zijn in 2024 voorwaardelijk geseponeerd. Vervolgens heeft verdachte binnen de proeftijd een strafbaar feit gepleegd en is voor die zaken vervolgd. Die zaken zijn vervolgens binnen 16 maanden afgedaan. Van schending is geen sprake.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van
Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met feit 1 onder parketnummer 05/408450-24 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 950,- aan materiële schade en € 1.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij
in het geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het materiële deel van de vordering. Deze schadepost is onvoldoende onderbouwd en wordt uitdrukkelijk betwist. Het bonnetje is geen bewijs dat de jas door de benadeelde partij zelf is aangeschaft en uit de foto’s is niet vast te stellen of het een Moncler jas betreft. Daarnaast wordt vergoeding van de nieuwwaarde verzocht terwijl de jas al drie jaar oud was en er dus sprake is van afschrijving van de waarde daarvan. Omdat het kleding betreft, moet een afschrijvingspercentage van 33% per jaar worden gehanteerd. Tot slot is niet onderbouwd waarom de jas volledig onbruikbaar is geworden en niet gerepareerd had kunnen worden. Meer subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de materiële post gematigd en geschat moet worden op een bedrag van € 50,-.
Het immateriële deel van de vordering dient te worden gematigd tot een bedrag van € 750,-. Enkel de grond van lichamelijk letsel is hier aan de orde. De aantasting in persoon op andere wijze is onvoldoende onderbouwd.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van de benadeelde partij dat hij tijdens het incident de jas droeg waarvan hij het bonnetje heeft overgelegd. Dat wordt ook bevestigd door de foto’s in het dossier. Het is niet van belang of de benadeelde partij de jas zelf heeft gekocht, als deze zijn eigendom is dan lijdt hij schade. Niet in geschil is dat het zijn jas is. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij de jas zo’n drie jaar in bezit heeft gehad. De rechtbank zal daarom 25% van de aanschafwaarde afschrijven. De rechtbank houdt hierbij rekening met het feit dat de (winter)jas en merkproduct is en niet het hele jaar door gedragen wordt, waardoor deze waardevaster is dan ‘gewone kleding’ zoals door de verdediging benoemd. De rechtbank acht daarom een bedrag van € 712,50 toewijsbaar.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door feit 1 heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een steekwond en een blijvend litteken. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.500,- vaststellen.
Verdachte is vanaf 29 december 2024 wettelijke rente over het totale toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

9.De beoordeling van het beslag

In de zaak met parketnummer 05/408450-24 is een keukenmes in beslag genomen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat het keukenmes van verdachte verbeurd moet worden verklaard omdat de tenlastegelegde feiten ermee zijn begaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal het keukenmes, die aan verdachte toebehoort en met behulp waarvan de feiten zijn begaan, verbeurdverklaren.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 266, 267, 285, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 gelast dat verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij
van overheidswegezal worden verpleegd.
Benadeelde partij [aangever 1]
  • veroordeelt verdachte in verband met feit 1 onder parketnummer 05/408450-24 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 712,50 aan materiële schade en € 1.500,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag te betalen van € 2.212,50 aan materiële schade en smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 22 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 wijst de vordering voor het overige af.
Beslag
 verklaart verbeurd: het keukenmes.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Schoo (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en mr. C.J.M. Vijftigschild, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juli 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024607854, gesloten op 16 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 8 en 9 en het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, p. 48 en 49.
3.Een schriftelijk bescheid, te weten: specialistenbericht Rijnstate Ziekenhuis, p. 46.
4.Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 73 en 74.
5.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, p. 76 en 77.
6.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024507245, gesloten op 28 oktober 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
7.Het proces-verbaal van aangifte van [agent 1] , p. 7 en 8 en het proces-verbaal van aangifte van [agent 2] , p. 1 en 2.
8.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 12.
9.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023342330, gesloten op 1 oktober 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
10.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023429971, gesloten op 9 juni 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.