ECLI:NL:RBGEL:2026:5646

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
05.216876.24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens geslaagd beroep op noodweer bij poging tot doodslag

Op 3 juli 2024 stak verdachte in Arnhem met een mes meerdere keren op aangever, met de bedoeling hem van het leven te beroven, maar het misdrijf werd niet voltooid. Verdachte bekende het feit, maar voerde een beroep op noodweer aan.

De rechtbank baseerde zich op het proces-verbaal van aangifte, een forensisch medisch rapport en de verklaring van verdachte tijdens de terechtzitting. Camerabeelden toonden dat aangever de confrontatie opzocht, verdachte aanviel met een mes en dat verdachte zich verdedigde met steekbewegingen en een trap.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door aangever, waartegen verdachte zich noodzakelijk en proportioneel verdedigde. De verdediging was subsidiariteit en proportioneel, gezien de actieve en dreigende houding van aangever.

De officier van justitie stelde dat het beroep op noodweer niet slaagde omdat verdachte na een korte rust alsnog aanviel, maar de rechtbank verwierp dit. De beelden toonden dat aangever tot na de tweede steekbeweging van verdachte een actieve dreiging bleef vormen.

Daarom werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer, ondanks bewezen poging tot doodslag.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer bij poging tot doodslag.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/216876-24
Datum uitspraak : 14 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2005 op [geboorteplaats] ,
wonend aan [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. in [verblijfplaats] .
Raadsvrouw: mr. C.H.J. van Dooijeweert, advocaat in Barneveld.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 3 juli 2024 te Arnhem, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever]
opzettelijk van het leven te beroven,
een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de
nek, hals en/of keel, althans in het lichaam, van die [aangever] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij op of omstreeks 3 juli 2024 te Arnhem
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
een of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de
nek, hals en/of keel, althans in het lichaam, van die [aangever] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Overwegingen over het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw is van mening dat kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Zij heeft bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege een geslaagd beroep op noodweer.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 29-35;
  • de forensisch medische letselrapportage d.d. 29 december 2024 opgesteld door drs. [arts] , forensisch arts;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 30 juni 2026.

3.De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:
hij op
of omstreeks3 juli 2024 te Arnhem,
althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever]
opzettelijk van het leven te beroven,
een of meermalenmet een mes,
althans een scherp en/of puntig voorwerp,in de
nek,hals
en/of keel, althans in het lichaam,van die [aangever] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde (primair) levert op:
poging tot doodslag.

5.De strafbaarheid van het feit

Namens verdachte is een beroep op noodweer gedaan. Op grond van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht moet voor een geslaagd beroep op noodweer sprake zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs mocht verdedigen.
Het beroep op noodweer slaagt. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte waartegen verdediging noodzakelijk was. Op camerabeelden is te zien dat aangever (hierna: [aangever] ) de straat oversteekt. Aan de overkant van de straat lopen verdachte en zijn vriendin. [aangever] loopt naar hen toe. Verdachte loopt rustig op [aangever] af en de twee geven elkaar een boks (groet). Vrij snel daarna grijpt [aangever] de jas van verdachte vast. Te zien is dat verdachte [aangever] van zich af duwt. Verdachte en [aangever] lijken daarna kort in gesprek te zijn. Dan is te zien dat verdachte met zijn linkerarm uithaalt naar [aangever] , waardoor [aangever] naar achteren beweegt en zijn petje op de grond valt. Hierop grijpt [aangever] met zijn rechterhand naar zijn rechterheup en haalt een mes tevoorschijn. [aangever] dreigt met het mes richting verdachte. [aangever] zet een aantal stappen richting verdachte en maakt een voorwaartse steekbeweging in de richting van de buik van verdachte. Vervolgens springt [aangever] naar achteren en is te zien dat verdachte met een steekvoorwerp in zijn rechterhand een stekende beweging maakt in de richting van [aangever] . [aangever] gaat vervolgens nog iets verder naar achteren, maar blijft in een actieve houding staan gericht op verdachte. Dan springt verdachte met een voorwaartse trap richting [aangever] , waardoor [aangever] even uit beeld verdwijnt. Op het moment dat verdachte met beide voeten weer op de grond staat, is te zien dat hij weer een steekbeweging richting [aangever] maakt. Verdachte stapt vervolgens iets naar achteren met het mes in zijn rechterhand en het mes naar beneden gericht, waarna hij uit beeld verdwijnt. [aangever] neemt een andere houding aan (geen actieve/ gevechtshouding) en loopt richting café Arnhem Noord en gooit zijn mes nog in de richting van verdachte.
Deze feitelijke situatie is naar het oordeel van de rechtbank een wederrechtelijke aanranding van verdachte waartegen hij zich mocht verdedigen. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat deze wijze van verdediging onder de gegeven omstandigheden noodzakelijk was. Het was [aangever] die de confrontatie opzocht met verdachte. Dit deed hij door in eerste instantie de straat over te steken en het gesprek met verdachte aan te gaan. Daarna pakte hij verdachte vast en vervolgens toonde hij hem een mes. Daarna trok hij het mes daadwerkelijk en stak daarmee op verdachte in.
De door verdachte gehanteerde methode van verdediging (het steken met een mes tegen een aanvaller die hem zojuist in de buik heeft gestoken met een mes) vindt de rechtbank in de hiervoor omschreven omstandigheden ook proportioneel. [aangever] was namelijk degene die na het duwen als eerste een mes toonde. De klap die verdachte hem gaf om het dreigende gevaar af te wenden resulteerde in gestoken worden door [aangever] . Daardoor voldoet de wijze van verdedigen aan de eis van subsidiariteit, omdat het voor verdachte niet mogelijk was om op een veilige manier afstand te nemen en weg te lopen in een situatie waarin [aangever] in een actief dreigende (gevechts)houding tegenover verdachte stond en steeds opschaalde in geweldshandelingen. Deze actieve dreigende houding van [aangever] is op de beelden zichtbaar, tot verdachte de tweede steekbeweging richting [aangever] heeft gemaakt. Pas nadat [aangever] werd geraakt door het mes van verdachte, veranderde de houding van [aangever] . Verdachte nam vervolgens ook direct afstand door de situatie achteruitlopend te verlaten.
De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt, omdat verdachte zelf na enkele seconden van rust alsnog op [aangever] afspringt waarbij [aangever] wordt geraakt met het mes. De rechtbank volgt dat standpunt van de officier van justitie niet. Naar het oordeel van de rechtbank is op de beelden duidelijk te zien dat [aangever] een actieve en dreigende houding blijft aannemen richting verdachte tot na de tweede steekbeweging van verdachte; het moment waarop [aangever] is geraakt met het mes van verdachte. Verdachte heeft tijdens de zitting onder andere verklaard dat hij geen mogelijkheid zag om uit de situatie weg te komen en dat hij bang was dat als hij weg zou lopen of weg zou rennen, [aangever] achter hem aan zou komen. De rechtbank vindt die verklaring, gelet op het procesdossier en de camerabeelden die tijdens de zitting zijn bekeken, niet onaannemelijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat tot en met het moment dat [aangever] door verdachte wordt geraakt met het mes er nog steeds sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door [aangever] waartegen hij zich mocht verdedigen.
Omdat het beroep op noodweer van verdachte slaagt en de wederrechtelijkheid van zijn handelen daarmee is komen te vervallen, zal hij worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van de tenlastegelegde poging tot doodslag.

6.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart het bewezenverklaarde feit niet strafbaar en ontslaat verdachte voor dit feit van alle rechtsvervolging.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter), mr. A. Bril en mr. T.M.A. Arts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juli 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024307486 (Onderzoek Santiago, onderzoeksnummer ON4R024080), gesloten op 11 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.