ECLI:NL:RBGEL:2026:5651

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
ARN 25/3846
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 22.8 OwArt. 7.4 Vfl Epe 2024Art. 3 Beleidsregel uitwegen gemeente Epe
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning aanleg uitrit wegens beperking bruikbaarheid openbare weg

Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het aanleggen van een uitrit naar de openbare weg om op eigen terrein te kunnen parkeren. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe heeft deze aanvraag geweigerd omdat het realiseren van de uitrit ten koste gaat van de bruikbaarheid van de weg, met name door het noodzakelijk maken van een parkeerverbod tegenover de uitrit.

De rechtbank oordeelt dat het college deze weigering in redelijkheid heeft kunnen doen. Het college baseert zich op het advies van de wegbeheerder en een verkeerskundig onderzoek waaruit blijkt dat de rijbaan onvoldoende breed is om veilig in en uit te rijden zonder het trottoir te raken, wat onveilige situaties kan veroorzaken. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een grote parkeerdruk in de wijk of dat er een persoonlijke noodzaak bestaat voor parkeren op eigen terrein.

Daarnaast is het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen omdat de door eiser aangevoerde vergelijkbare situaties feitelijk niet vergelijkbaar zijn. Deze uitritten zijn onder andere onder andere regelgeving en toetsingskaders toegestaan, en de ligging van de uitrit speelt een belangrijke rol. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de vergunning zou worden verleend.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het college de vergunning mag weigeren. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning voor de uitrit vanwege negatieve impact op de bruikbaarheid van de openbare weg en onvoldoende noodzaak.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3846

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser voor een vergunning om een uitrit aan te leggen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Het beroep is ongegrond en eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op het wettelijk kader en de door eiser aangedragen beroepsgronden. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 9 februari 2025 een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een uitrit ingediend. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 10 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn echtgenote en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser woont aan de [adres ] in [woonplaats] . Hij wil de auto graag op het eigen perceel parkeren en heeft daarom een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een uitrit naar de straat ( [straatnaam] ).
3.1.
Het college heeft de aanvraag in het besluit van 10 maart 2025 afgewezen, in het belang van de bruikbaarheid van de weg. [1]
3.2.
In de beslissing van 21 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij die afwijzing gebleven. In navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften heeft het college wel de motivering aangevuld, in die zin dat het bij de vergelijking van de aanvraag met de door eiser gestelde gelijke gevallen (in het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel) de inhoudelijk juridische kaders van de voorheen geldende Algemene plaatselijke verordeningen (hierna: Apv) explicieter heeft betrokken.
Wettelijk kader
4. Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. [2] Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
4.1.
Op grond van artikel 22.8 van de Omgevingswet geldt voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
4.2.
Op grond van artikel 7.4, eerste lid, van de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe (hierna: Vfl Epe 2024) is het verboden om zonder omgevingsvergunning van het college (onder andere) een uitweg te maken naar de weg. In het stelsel van de Ow is dit dus gelijk gesteld aan een verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
4.3.
In artikel 7.4, tweede lid, van de Vfl Epe 2024 is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg kan worden geweigerd in het belang van:
de bruikbaarheid van de weg;
het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
e bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
4.4.
De weigeringsgronden zijn nader uitgewerkt in de Beleidsregel uitwegen gemeente Epe . In artikel 3, aanhef en tweede lid, onder o, van de Beleidsregel uitwegen gemeente Epe staat dat een uitweg niet is toegestaan als deze zonder noodzaak ten koste gaat van de openbare parkeercapaciteit.
Een parkeerplaats in de tuin komt de bruikbaarheid van de weg ten goede
5. Het college stelt zich op het standpunt dat het realiseren van een uitrit (en dus het parkeren op het eigen perceel) ten koste gaat van de bruikbaarheid van de weg [straatnaam] , omdat het leidt tot een beperking van de openbare parkeercapaciteit. Weliswaar verdwijnt er een auto van de weg, maar ontstaat de noodzaak van een parkeerverbod tegenover de uitrit. Door de beperkte breedte van de weg kan dan namelijk niet meer de noodzakelijke draai naar of vanuit de uitrit gemaakt worden.
5.1.
Eiser betoogt dat hij met een parkeerplaats op eigen grond de grote parkeerdruk rondom zijn woning ontlast. Hij betwist dan ook het standpunt van het college dat de uitweg ten koste gaat van de parkeercapaciteit op de openbare weg.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dat hierna toe.
5.3.
Het college heeft met toepassing van artikel 22.8 van de Ow in samenhang met artikel 7.4, tweede lid, onder a, van de Vfl Epe 2024 en artikel 3, aanhef en tweede lid, onder o, van de Beleidsregel uitwegen gemeente Epe geweigerd om een omgevingsvergunning te verlenen voor de door eiser gewenste uitweg. Niet is gebleken noch is gesteld dat de overige weigeringsgronden van toepassing zijn.
5.4.
Zowel in het primaire besluit als in het kader van het verweer in de bezwaarfase heeft het college verwezen naar het advies van de wegbeheerder om de aanvraag te weigeren vanwege de beperking van de bruikbaarheid van de weg omdat tegenover de uitrit niet meer geparkeerd zal mogen worden. Voor de opstelling van het verweerschrift heeft het college de verkeerskundige van de gemeente nogmaals om een nadere motivering gevraagd. Zijn standpunt luidt als volgt:
“In het verweer en de beslissing op bezwaar is aangegeven dat het toekennen van een omgevingsvergunning voor een uitweg niet mogelijk is. Een van de argumenten is de veiligheid. Er wordt tegenover de aangevraagde inrit geparkeerd in de langsrichting. De rijbaan die resteert is onvoldoende breed om binnen de maximaal vergunbare breedte de inrit van 4 m in te rijden zonder met de achterbanden van de auto het trottoir op te rijden. Hiermee wordt de kans op herhaaldelijk manoeuvreren groter, waardoor onveilige verkeerssituaties kunnen ontstaan, alsmede een risico op schade aan het voertuig en het trottoir. In bijlage 15 is de situatie uitgetekend en zijn rijcurves toegevoegd. De rijcurves zijn gemaakt met een maatgevend voertuig van het CROW. […] Uit de rijcurvesimulaties blijkt dat hetgeen gesteld is in het verweer en in de beslissing op bezwaar correct is.”
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met het advies van de wegbeheerder al in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat de uitweg ten koste gaat van de openbare parkeercapaciteit omdat een parkeerverbod tegenover de uitrit noodzakelijk is.
5.5.
Voor zover eiser betoogt dat hij voor het op- of afrijden van zijn inrit geen last heeft van auto’s die aan de overkant van de weg ter hoogte van de uitrit langs het trottoir staan geparkeerd, en wat hem betreft een parkeerverbod op die plek dus niet nodig is, maakt dat het oordeel van de rechtbank niet anders. Het college mag afgaan op het advies van de wegbeheerder. Persoons- of voertuiggebonden factoren spelen in dit geval geen rol.
5.6.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of er noodzaak is om de uitrit ten koste van de openbare parkeercapaciteit toch te realiseren. In dat kader stelt de rechtbank vast dat van de door eiser gestelde grote parkeerdruk rondom zijn woning niet is gebleken. Het college verwijst daarvoor naar een parkeeronderzoek dat in 2023 in opdracht van de gemeente is uitgevoerd en waaruit blijkt dat geen sprake is van hoge parkeerdruk in de wijk. Bovendien heeft het college ook op zitting nog eens toegelicht dat aan de achterzijde van de woning van eiser, parallel aan de [straatnaam] een parkeerplaats is gelegen, waar altijd vrije parkeerplekken beschikbaar zijn. Eiser heeft dit niet weersproken. Daarnaast is van belang dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voor hem een (persoonlijke) noodzaak bestaat voor het parkeren op eigen terrein, direct naast de woning. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat niet gebleken is van een noodzaak om, ten koste van de openbare parkeercapaciteit, toch een parkeerplek op het perceel van eiser met bijbehorende uitrit te realiseren. Het college heeft de omgevingsvergunning dan ook kunnen weigeren.
Heeft het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het verbod op willekeur gehandeld?
6. Eiser betoogt dat het college met de weigering van de omgevingsvergunning in strijd met het gelijkheidsbeginsel en ook willekeurig heeft gehandeld. Daartoe voert eiser aan dat hij in de bezwaarfase meerdere adressen heeft genoemd waarin sprake is van gelijke parkeersituaties en uitritten die wel door het college zijn vergund. Specifiek legt eiser de nadruk op de uitrit van [adres 2] , waar een uitrit zelfs in de bocht van de weg is toegestaan. Daarnaast lijkt volgens eiser sprake te zijn van willekeur omdat een medewerker van de gemeente volgens eiser heeft gezegd dat een vergunning zou worden geweigerd als die heden ten dage aangevraagd zou worden.
6.1.
Het college betwist dat het in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Daartoe heeft het college in de beslissing op bezwaar al aangevoerd waarom hij in de aangedragen situaties anders heeft geoordeeld over een vergunningaanvraag dan in de situatie van eiser. Specifiek met betrekking tot [adres 2] , gelegen op de andere hoek van het huizenblok waar ook de woning van eiser onderdeel van uitmaakt, heeft het college in het verweerschrift en op zitting toegelicht waarom deze ogenschijnlijk gelijke situaties feitelijk niet vergelijkbaar zijn. Ten tijde van de aanvraag voor die uitrit gold de Apv Epe 2008. De bruikbaarheid van de weg maakte toen geen onderdeel uit van het toetsingskader voor de (toen nog) uitwegmelding. Tot slot brengt het college nog naar voren dat het in de Beleidsregel uitwegen gemeente Epe vastgelegde verbod op een uitweg op of nabij een kruising [3] , nog niet geldig was toen de uitrit voor [adres 2] werd toegestaan.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dat hieronder toe.
6.3.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden. De rechtbank volgt het college in zijn betoog dat van gelijke gevallen geen sprake is. Daarvoor is van belang dat de vergunning is geweigerd met toepassing van de Vfl Epe 2024 (als onderdeel van het tijdelijke deel van de Ow), de daarin opgenomen weigeringsgrond ‘bruikbaarheid van de weg’ en de uitwerking ervan in de beleidsregel dat een vergunning geweigerd wordt als de aanleg van de uitweg ten koste gaat van de openbare parkeercapaciteit. Alle veertien toegestane uitritten waar eiser naar verwijst zijn echter (veel) eerder gerealiseerd, namelijk variërend tussen het einde van de jaren zestig tot enkele jaren geleden. Toen was niet de Vfl Epe 2024 maar andere regelgeving van kracht, zodat sprake was van andere toetsingskaders voor het al of niet toestaan van die uitritten.
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de verschillende parkeer- en uitritsituaties waar eiseres naar heeft verwezen, anders kunnen beoordelen. Zo blijkt dat de bruikbaarheid van de weg in de algemene plaatselijke verordeningen van vóór 2006 wel als weigeringsgrond voor een omgevingsvergunning voor een nieuwe uitrit bestaat. In de Apv’s van 2006 en 2008 bestaat deze weigeringsgrond niet en in 2024 dan weer wel. Als deze weigeringsgrond niet bestond ten tijde van de vergunningaanvraag, is al geen sprake van een situatie die met die van eiser vergelijkbaar is. Daarnaast speelt ook de ligging van de uitrit en de uitwerking daarvan op de parkeercapaciteit een grote rol. In geval van een uitrit die op een kruisvlak uitkomt is namelijk meer ruimte voor de in- en uitrijdende auto om te manoeuvreren en zijn parkeerverboden voor het creëren van extra ruimte niet nodig. Dat betekent dat het toestaan van de uitrit niet ten koste gaat van de openbare parkeercapaciteit.
6.5.
Het college heeft in de beslissing op bezwaar uitvoerig stilgestaan bij de uitritten die eiser heeft aangedragen als vergelijkbare situaties waarin het college de uitritten wel heeft toegestaan. Per adres heeft het college toegelicht of de situatie met die van eiser verschilt vanwege het ontbreken van de weigeringsgrond [4] (die voor eiser wel kon worden toegepast), de situering van de uitrit [5] of een combinatie van deze twee [6] . Hierin heeft het college laten zien dat geen van de beschreven adressen een met de situatie van eiser gelijk geval is.
6.6.
Daarnaast heeft het college toegelicht dat het voor vier van de twaalf adressen niet heeft kunnen achterhalen of daarvoor wel of geen vergunning of toestemming voor de aanwezige uitrit is verleend. Deze huizen dateren echter uit de jaren 1969 en 1970, en zijn gerealiseerd met een bouwvergunning die tevens de verplichting omvatte tot het aanbrengen van een uitrit. [7] Deze verplichting en het destijds toepasselijke toetsingskader maken dat ook voor deze adressen geen sprake is van gelijke gevallen waarin anders zou zijn geoordeeld.
6.7.
De rechtbank volgt ook het betoog van het college dat de ogenschijnlijk vergelijkbare situaties van [adres ] en [adres 2] feitelijk niet vergelijkbaar zijn. Hoewel beide huizen hoekpanden zijn aan de uiteinden van hetzelfde huizenblok, zijn de
uitritten anders gelegen. De uitrit van [adres 2] is gericht op het kruisvlak van wegen waardoor er meer manoeuvreerruimte voor een auto is en de bruikbaarheid van de weg niet in het geding komt. De uitrit bij [adres ] is echter niet op het kruisingsvlak maar dwars op de [straatnaam] gericht. In combinatie met de breedte van deze weg is de manoeuvreerruimte hier zodanig beperkt dat de bruikbaarheid van de weg hier wel degelijk in het geding is. Bovendien was de bruikbaarheid van de weg ten tijde van de toestemmingverlening voor de uitrit aan de [adres 2] nog geen weigeringsgrond. Voor zover eiser betoogt dat uitritten gericht op kruisingsvlakken van wegen verboden zijn, stelt het college zich terecht op het standpunt dat dit verbod met ingang van 4 juni 2021 in werking is getreden. De aanvraag voor de uitrit aan de [adres 2] dateert van daarvóór, zodat dat geen reden had kunnen zijn om deze te verbieden.
6.8.
Omdat sprake is van verschillende toetsingskaders en dus van ongelijke gevallen, is niet gebleken dat het college bij de beoordeling van aanvragen bewust anders heeft gehandeld en geoordeeld dan in eerdere aanvragen. Van willekeur is daarom ook geen sprake.
Vertrouwensbeginsel
7. Voor zover eiser betoogt dat het college in strijd met vertrouwensbeginsel heeft gehandeld, slaagt dit beroep niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat eiser aannemelijk maakt dat het college toezeggingen of andere uitlatingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht waaruit eiser redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het college de aangevraagde omgevingsvergunning zou verlenen. Tussen partijen is niet in geschil dat een gemeentemedewerker een bezoek aan eiser heeft gebracht in de veronderstelling dat er een vergunning was verleend voor het maken van een uitrit. Naar het oordeel van de rechtbank is de vraag van eiser naar de precieze locatie van de uitrit echter niet aan te merken als een toezegging door een bestuursorgaan, die bij eiser het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de vergunning verleend zou worden. Gelet op het moment van het bezoek, een paar weken voorafgaand aan de hoorzitting bij de commissie bezwaarschriften, lag een plotselinge toezegging van de vergunningaanvraag door het college zonder voorafgaande communicatie niet voor de hand. Dat blijkt ook uit de verraste reactie van de vrouw van eiser. Bovendien bleek al snel, na een telefoontje van de medewerker met de gemeente, dat sprake was van een vergissing. Dat heeft het college ook bevestigd in de bezwaarfase en in het verweerschrift. De bij eiser gewekte hoop door de komst van de gemeentemedewerker, was van korte duur en onvoldoende om te concluderen dat bij eiser een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de omgevingsvergunning zou worden verleend.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 22.8 en artikel 5.1 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 7.4, tweede lid, van de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024 en de uitwerking daarvan in de Beleidsregel uitwegen gemeente Epe .
2.Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.
3.Zie artikel 3, eerste lid, onder f. van de Beleidsregel uitwegen gemeente Epe .
4.Dit geldt voor de adressen [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] .
5.Dit geldt voor de adressen [adres 6] , [adres 7] en [adres 8]
6.Dit geldt voor de adressen [adres 2] en [adres 9] .
7.Dit geldt voor de adressen [adres 10] , [adres 11] , [adres 12] en [adres 13] .