ECLI:NL:RBGEL:2026:5653

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
K/5004/12172630
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening wegens te hoge huurbetaling in huurgeschil

In deze zaak vorderen huurders een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro, waarbij zij betaling eisen van € 10.141,69 vermeerderd met wettelijke rente, wegens structureel te hoge huurbetalingen conform een bindende uitspraak van de Huurcommissie.

De kantonrechter stelt vast dat de gevorderde voorziening voldoende samenhangt met de hoofdzaak, waarin verhuurders de aanvangshuurprijs opnieuw willen laten vaststellen. Echter, het dringend belang van huurders bij onmiddellijke betaling is onvoldoende onderbouwd; de enkele stelling van financiële nood wordt niet bevestigd.

De rechter overweegt dat toewijzing van de voorlopige voorziening feitelijk een beslissing in de hoofdzaak zou betekenen, terwijl het procesdebat nog niet volledig is gevoerd. Daarom wordt de vordering afgewezen en worden huurders veroordeeld in de proceskosten.

Voor de hoofdzaak wordt een mondelinge behandeling bevolen om nadere inlichtingen te verkrijgen, stellingen te onderbouwen en te onderzoeken of partijen tot overeenstemming kunnen komen. De zaak wordt aangehouden tot 31 juli 2026, waarna verdere procedurele stappen worden genomen.

Uitkomst: De voorlopige voorziening tot betaling van teveel betaalde huur wordt afgewezen wegens onvoldoende dringend belang.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 12172630 \ CV EXPL 26-1032
Vonnis in het incident van 3 juli 2026
in de zaak van

1.de maatschap [naam eisend maatschap]

gevestigd te [vestigingsplaats] ;
en haar vennoten
2.
[naam vennoot 1]
wonende te [woonplaats]
3.
[naam vennoot 2]
wonende te [woonplaats]
4.
[naam vennoot 3]
wonende te [woonplaats]
eisende partijen in conventie in de hoofdzaak
verwerende partijen in reconventie in de hoofdzaak
verwerende partijen in het incident
hierna samen te noemen: Verhuurders
Procederend in persoon.
tegen

1.[naam huurder 1]

wonende te [woonplaats]
2.
[naam huurder 2]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partijen in conventie in de hoofdzaak
eisende partijen in reconventie in de hoofdzaak
eisende partijen in het incident
hierna samen te noemen: Huurders
gemachtigde: mr. E.E.W. van Kraaij

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure in het incident blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 7;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie en incident voorlopige voorziening met productie 1;
- de conclusie van antwoord in het incident met producties 1 t/m 3.
1.2.
Vervolgens is de datum van het vonnis in het incident bepaald.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
Huurders vorderen dat de kantonrechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding als bedoeld in artikel 223 Rv Pro. Huurders vorderen - samengevat - veroordeling van verhuurders tot betaling van € 10.141,69, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2026, met veroordeling van verhuurders in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
2.2.
Huurders leggen hieraan ten grondslag dat zij financiële problemen ondervinden als gevolg van de structureel te hoge huur die zij maandelijks hebben betaald en nog betalen. Gezien de bindende uitspraak van de Huurcommissie is de vordering in de hoofdzaak, te weten de onverschuldigde betaling van de teveel betaalde huur, voldoende summierlijk onderbouwd. De situatie leidt tot liquiditeitsproblemen bij huurders, waardoor het belang bij onmiddellijke betaling zwaarder weegt dan de belangen van verhuurders om deze betaling uit te stellen.
2.3.
Verhuurders voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van huurders in de proceskosten.
2.4.
Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 223 Rv Pro iedere partij tijdens een geding kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, mits de voorlopige voorziening samenhangt met de vordering in de hoofdzaak. De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde voorlopige voorziening voldoende samenhangt met de vordering in de hoofdzaak. In de hoofdzaak vorderen de verhuurders dat de kantonrechter de aanvangshuurprijs van het gehuurde opnieuw vaststelt overeenkomstig het gestelde puntenaantal en in deze voorlopige voorziening vorderen huurders betaling van hetgeen zij, conform de uitspraak van de Huurcommissie, teveel aan huur hebben betaald. Daarmee is aan de eis van voldoende samenhang voldaan.
2.5.
Voor toewijzing van een provisionele vordering is het algemene vereiste dat een eisende partij belang moet hebben bij haar vordering, gevoegd bij de beperkte werkingsduur van een voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro. Dit leidt ertoe dat het belang bij de gevraagde voorziening dringend moet zijn, in die zin dat van de eisende partij niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de procedure in de hoofdzaak afwacht. Bij de beoordeling of een dergelijk dringend belang in een bepaald geval aanwezig is, gaat het om de omstandigheden zoals deze zich voordoen op het moment van die beoordeling. De kantonrechter dient derhalve te beoordelen of huurders een voldoende dringend belang bij hebben dat voor de duur van deze procedure de door hun geformuleerde voorziening worden getroffen. Daarbij worden het belang van de verhuurders, de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak, en van de proceskosten daarin, meegewogen.
2.6.
Huurders stellen weliswaar dat sprake is van financiële nood, maar zij hebben deze stelling niet nader onderbouwd, zodat de juistheid hiervan niet vastgesteld kan worden. De enkele omstandigheid dat huurders gedurende een langere periode ‘teveel’ huur hebben betaald, hetgeen zij anders voor andere doeleinden zouden hebben aangewend, is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van financiële nood.
Daarnaast geldt dat vordering in het incident zodanig samenhangt met de stellingen in de hoofdzaak, dat het reeds nu toewijzen van de incidentele vordering tot terugbetaling van (een deel van) de huur feitelijk een beslissing in de hoofdzaak zou betekenen zonder dat het processuele debat zich volledig heeft kunnen ontwikkelen.
2.7.
De kantonrechter wijst de vordering in het incident, gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, dan ook af.
2.8.
Huurders worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van verhuurders worden begroot op nihil nu verhuurders in persoon procederen.

3.De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.
De kantonrechter zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
3.2.
De kantonrechter wijst erop dat hij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die hij geraden zal achten.
3.3.
Op de mondelinge behandeling wordt aan de (eventuele) gemachtigden de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.
3.4.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
3.5.
Om organisatorische redenen zal de zaak eerst worden aangehouden tot vrijdag
31 juli 2026. De griffier roept de griffie op om een brief te sturen waarin staat dat partijen voor een bepaalde datum (per brief) hun verhinderdata dienen op te geven voor een nog nader te bepalen mondelinge behandeling.
3.6.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

De kantonrechter
in het incident
4.1.
wijst de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening af;
4.2.
veroordeelt huurders in de proceskosten van verhuurders, vastgesteld op nihil;
in de hoofdzaak
4.3.
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, eventueel bijgestaan door hun gemachtigde(n), voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door mr. M.J.C. van Leeuwen, in het gerechtsgebouw te Nijmegen, Oranjesingel 56, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd;
4.4.
bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn;
4.5.
bepaalt dat de zaak wordt aangehouden tot
31 juli 2026waarna de griffie een brief aan partijen zal sturen met het verzoek hun verhinderdata op te geven voor een nog nader te bepalen mondelinge behandeling;
4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
40140 \ 560