ECLI:NL:RBGEL:2026:5656

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
K/5004/11878665
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst administratieve werkzaamheden zonder vaste prijs bevestigd

De eiser heeft administratieve werkzaamheden verricht voor de gedaagde over de boekjaren 2019, 2020 en 2021, waarvoor facturen zijn gestuurd. De gedaagde betaalde de factuur over 2019, maar niet die over 2020 en 2021. De eiser vordert betaling van deze facturen, handelsrente en buitengerechtelijke kosten.

De kern van het geschil betreft de vraag of partijen een vaste prijs van € 250,00 per jaar zijn overeengekomen of dat de werkzaamheden op basis van uurtarief zijn verricht. De rechtbank stelt vast dat de overeenkomst uit 2019 op basis van uurtarief is gesloten en dat de gedaagde onvoldoende heeft onderbouwd dat er nadien een vaste prijs is afgesproken.

De specificaties bij de facturen geven voldoende inzicht in de verrichte werkzaamheden en de tijdsbesteding. De vorderingen worden daarom toegewezen, inclusief wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata en buitengerechtelijke incassokosten conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen, handelsrente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11878665 \ CV EXPL 25-2581
Vonnis van 26 juni 2026
in de zaak van
[naam eiser] , H.O.D.N. [naam eisend bedrijf],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. E. Aartsen,
tegen
[naam gedaagde] , H.O.D.N. R. [naam gedaagd bedrijf],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
gemachtigde: N.G.H. Lentjes.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties
- de conclusie van antwoord, met producties
- de conclusie van repliek, met producties
- de conclusie van dupliek, met productie.
1.2.
[de eiser] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de productie die [de gedaagde] bij dupliek heeft ingebracht, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[de eiser] heeft over 2019 in opdracht van [de gedaagde] administratieve werkzaamheden verricht, bestaande uit:
  • de uitwerking van de administratie van 2019;
  • het opstellen en bespreken van het jaarrapport 2019;
  • het verzorgen van de aangifte IB 2019.
2.2.
Op 14 november 2020 heeft [de eiser] deze werkzaamheden gefactureerd aan [de gedaagde] voor € 719,95 (nr. 20200614), waarbij een specificatie is gevoegd. Deze factuur is door [de gedaagde] betaald.
2.3.
In mei en juni 2021 heeft [de eiser] in opdracht van [de gedaagde] administratieve werkzaamheden verricht, bestaande uit:
  • de uitwerking van de administratie van 2020;
  • het opstellen en bespreken van het jaarrapport 2020;
  • het verzorgen van de aangifte IB 2020.
2.4.
Op 17 juli 2021 heeft [de eiser] deze werkzaamheden gefactureerd aan [de gedaagde] voor
€ 834,90 (nr. 20210528), waarbij een specificatie is gevoegd.
2.5.
Vanaf december 2022 tot en met begin maart 2023 heeft [de eiser] in opdracht van [de gedaagde] administratieve werkzaamheden verricht, bestaande uit:
  • de uitwerking van de administratie van 2021;
  • het opstellen en bespreken van het jaarrapport 2021;
  • het verzorgen van de aangifte IB 2021.
2.6.
Op 2 februari 2024 heeft [de eiser] deze werkzaamheden gefactureerd aan [de gedaagde] voor € 1.349,15 (nr. 20240198), waarbij een specificatie is gevoegd.
2.7.
[de gedaagde] heeft de facturen € 834,90 (20210528) en van € 1.349,15 (20240198) niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert de veroordeling van [de gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 2.184,05, tot betaling van de buitengerechtelijke kosten € 327,60, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 834,90 vanaf 1 augustus 2021 en over
€ 1.349,15 vanaf 16 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en tot betaling van de proces- en nakosten.
3.2.
[de eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in opdracht van [de gedaagde] administratieve werkzaamheden heeft verricht voor [de gedaagde] , waarvoor zij facturen van
€ 834,90 en van € 1.349,15 heeft gestuurd. Omdat [de gedaagde] (ondanks sommaties) niet heeft betaald, is hij wettelijke handelsrente verschuldigd over de respectieve vervaldata van de facturen (1 augustus 2021 en 16 februari 2024), alsook buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 327,60.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , althans deze te matigen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure. Op de inhoud van het verweer zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In deze zaak staat de vraag centraal hoeveel [de gedaagde] moet betalen voor de door [de eiser] verrichte administratieve werkzaamheden over de boekjaren 2020 en 2021.
4.2.
Tussen partijen is eerst in geschil of zij hebben afgesproken dat [de eiser] de werkzaamheden op basis van uurtarief zou verrichten of dat [de gedaagde] een vast bedrag van
€ 250,00 verschuldigd was voor het gehele jaar. De kantonrechter stelt vast dat [de eiser] al sinds boekjaar 2019 de financiële administratie van [de gedaagde] verzorgt. Destijds is gefactureerd op basis van uurtarief en deze factuur is, zonder protest, door [de gedaagde] voldaan. De kantonrechter stelt daarom op grond van de gedragingen van partijen vast dat de overeenkomst uit 2019 op basis van uurtarief is gesloten. Aangezien partijen niet hebben gesteld dat zij nadien voor ieder boekjaar telkens een nieuwe overeenkomst zijn aangegaan, gaat de kantonrechter ervan uit dat die overeenkomst uit 2019 is doorgelopen. Om die reden ligt het op de weg van [de gedaagde] om voldoende onderbouwd te stellen (en zo nodig te bewijzen) dat partijen voor de boekjaren 2020 en 2021 andersluidende prijsafspraken hebben gemaakt.
4.3.
In dat verband heeft [de gedaagde] gesteld dat partijen een vast bedrag hebben afgesproken van € 250,00, omdat [de gedaagde] zelf een deel van de administratie verzorgde en [de eiser] alleen de controle bij kwartaalafsluiting zou doen. Dit wordt door [de eiser] betwist. Volgens haar hebben partijen dit bedrag niet afgesproken en is dit veel te laag voor de werkzaamheden die zij heeft verricht, zoals het opmaken van de jaarrekening. Hierop stelt [de gedaagde] dat zijn administratie nu door een ander voor € 200,00 (excl. btw) wordt gedaan. Naar het oordeel van de kantonrechter vormt een overeenkomst met een andere partij echter geen onderbouwing voor de door hem gestelde afspraak met [de eiser] . Gelet op de betwisting van [de eiser] , had het op de weg van [de gedaagde] gelegen om zijn stelling nader (met andere stukken) te onderbouwen. Dat heeft hij nagelaten, waardoor niet vast komt te staan dat partijen een prijs van € 250,00 voor boekjaar 2020 en 2021 hebben afgesproken. Het verweer van [de gedaagde] faalt.
4.4.
[de gedaagde] heeft verder aangevoerd dat de facturen onvoldoende inzicht geven in de werkzaamheden, wanneer deze zijn verricht en hoeveel tijd daaraan is besteed. Daarnaast heeft [de eiser] niet onderbouwd waarom de werkzaamheden noodzakelijk waren en waarom vooraf geen overleg is gevoerd over de oplopende kosten, aldus [de gedaagde] . De kantonrechter overweegt dat de bij de factuur bijgevoegde specificaties wel degelijk inzicht geven in welke werkzaamheden zijn verricht, hoeveel uur daaraan is besteed, wie dit heeft uitgevoerd, op welke datum en welk uurtarief daarvoor in rekening is gebracht. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [de gedaagde] niet gemotiveerd welke in rekening gebrachte werkzaamheden niet onder de opdracht vallen, en waarom. Verder is niet gebleken dat partijen hebben afgesproken dat [de eiser] [de gedaagde] op de hoogte zou houden als de kosten zouden oplopen. De verweren van [de gedaagde] falen.
4.5.
Aangezien de verweren tegen de verschuldigdheid van de gevorderde facturen falen, zal de hoofdsom van € 2.184,05 worden toegewezen. Ook de gevorderde handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW zal als gegrond op de wet worden toegewezen, vanaf de respectieve vervaldata van de facturen (voor € 834,90 vanaf 1 augustus 2021 en voor € 1.349,15 vanaf 16 februari 2024).
4.6.
De kantonrechter stelt vast dat [de eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit), omdat deze tarieven redelijk worden geacht. De gevorderde vergoeding van € 327,60 is in overeenstemming met het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom van € 2.184,05. De kantonrechter zal de gevorderde vergoeding van € 327,60 daarom toewijzen.
4.7.
[de gedaagde] voert tot slot aan dat het na correspondentie van [de gedaagde] lang stil is geweest aan de zijde van [de eiser] en dat later pas is gedagvaard, wat onnodig escalatie heeft veroorzaakt. Op grond van artikel 237 Rv Pro geldt dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de proceskosten wordt veroordeeld. Niettemin kan de rechter nodeloos aangewende of veroorzaakte kosten voor rekening laten van de partij die deze heeft aangewend of veroorzaakt. De kantonrechter oordeelt dat de door [de gedaagde] gestelde omstandigheden niet leiden tot het oordeel dat [de eiser] de procedure onnodig is gestart. [de eiser] heeft [de gedaagde] na het verstrijken van de vervaldata van de facturen aangemaand tot betaling van de facturen. Dit heeft [de gedaagde] nagelaten. Het stond [de eiser] daarom vrij om incassomaatregelen te nemen en een procedure te starten, omdat [de gedaagde] niet voldeed aan zijn betalingsverplichting.
4.8.
[de gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,40
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.037,90

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 2.184,05, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over:
- het bedrag van € 834,90, met ingang van 1 augustus 2021,
- het bedrag van € 1.349,15,met ingang van 16 februari 2024,
telkens tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 327,60 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.037,90, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.
67756/560