ECLI:NL:RBGEL:2026:5662

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
12078558
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:136 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling parkkosten en vergoedingen recreatiewoning op chaletpark De Scheepsbel

De gedaagden verkregen in 2019 gezamenlijk eigendom van een recreatiewoning op het chaletpark De Scheepsbel. De Scheepsbel vordert betaling van jaarlijkse parkkosten, vastrecht elektra en verbruik van gas, elektra en water, gebaseerd op de leveringsakte en algemene voorwaarden uit 2002.

De gedaagden betwisten de hoogte van de parkkosten en stellen dat het bedrag van € 625,00 uit 2019 geldt zonder verdere indexatie. De kantonrechter oordeelt dat de algemene voorwaarden uit 2002 van toepassing zijn, waardoor het bedrag van € 625,00 vanaf 2002 geïndexeerd mag worden. De gevorderde parkkosten worden daarom grotendeels toegewezen.

De vorderingen voor vastrecht elektra en nutsverbruik worden afgewezen wegens gebrek aan contractuele grondslag en onvoldoende onderbouwing. Het beroep op verrekening door de gedaagden wordt gepasseerd omdat de tegenvordering niet voldoende is aangetoond.

De gedaagden zijn in verzuim en moeten wettelijke rente betalen over het toegewezen bedrag vanaf de vervaldatum van de facturen. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot het wettelijke maximum. De gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het totaalbedrag en de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van geïndexeerde parkkosten, wettelijke rente en proceskosten, terwijl vorderingen voor vastrecht en nutsverbruik worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 12078558 \ CV EXPL 26-263
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
CAMPING "DE SCHEEPSBEL" B.V.,
gevestigd te Doornspijk,
eisende partij,
hierna te noemen: De Scheepsbel,
gemachtigde: Agin Timmermans,
tegen

1.[naam gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[naam gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [de gedaagden] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[de gedaagden] hebben op 19 september 2019 ieder voor de onverdeelde helft het recht van eigendom verkregen met betrekking tot de recreatiewoning (met ondergrond, erf, tuin en verder toebehoren) aan de [adres] te Doornspijk (hierna: de woning). De woning is gelegen op het chaletpark van De Scheepsbel.
2.2.
In de akte van levering van 19 september 2019 staat, voor zover relevant, het volgende:
BIJZONDERE LASTEN EN BEPERKINGEN / ERFDIENSTBAARHEDEN
Ten aanzien van met betrekking tot het verkochte bestaande bijzondere lasten en beperkingen van civielrechtelijke aard en erfdienstbaarheden wordt verwezen naar voormelde akte van levering de dato dertig mei tweeduizend twee, waarin onder meer het volgende voorkomt, woordelijk luidende:
(begin citaat)
“Algemene Voorwaarden Chaletpark “Bakboord”
Artikel 4
De levering vindt plaats onder al die voorwaarden en bepalingen, zoals deze zijn vervat in een akte op zevenentwintig mei tweeduizendtwee verleden voor (…).
De inhoud van de algemene voorwaarden wordt geacht van deze akte van levering deel uit te maken.
(…).
Reglement/werkzaamheden en diensten
Artikel 8
De koper is gehouden tot naleving van het parkreglement, dat regels bevat voor de eigenaren en de gebruikers van het chaletpark, waarvan het verkochte deel uitmaakt. De verkoper zal ten behoeve van de koper (die terzake rechthebbende is) werkzaamheden en diensten verrichten met betrekking tot het chaletpark en het gebruik van het verkochte; welke werkzaamheden en diensten verricht dienen te worden door de verkoper of door deze aan te wijzen vertegenwoordiger.
Deze werkzaamheden en diensten bestaan uit het ophalen van vuilnis op de centrale verzamelplaatsen in het park, het zorgdragen voor ontvangst van televisiesignalen, het schoon- en vrijhouden van de wegen en paden van het chaletpark, het algemeen toezicht op het park, de verlichting van de wegen en paden van het park en het gebruik van de faciliteiten van het chaletpark.
Als tegenprestatie voor het verrichten van die werkzaamheden en diensten zal de koper per kalenderjaar een vergoeding verschuldigd zijn aan de verkoper of een door deze aan te wijzen derde. Deze vergoeding dient te worden betaald voor één januari van elk jaar. Deze vergoeding bedraagt voor het lopende jaar (op jaarbasis) zeshonderdvijfentwintig euro (€ 625,00) exclusief de ter zake van de dienst(en) verschuldigde omzetbelasting nooit minder zal bedragen dan genoemde zeshonderdvijfentwintig euro (€ 625,00).
Jaarlijkse zal de vergoeding door de verkoper opnieuw worden vastgesteld, zulks door de vergoeding te verhogen of te verlagen overeenkomstig de stijging of daling van de “Consumentenprijsindex-Alle huishoudens” in het kalenderjaar, dat eindigde bij aanvang van het kalenderjaar, dat direct voorafgaat aan het jaar van aanpassing,
Noodzakelijke werkzaamheden – zoals onderhoud, herstel en vernieuwing – aan de wegen, paden, de afrastering, de slagboom en andere bij het chaletpark behorende voorzieningen, alsmede al die noodzakelijke werkzaamheden die van overheidswege of van de zijde van nutsbedrijven worden voorgeschreven zullen door de verkoper (of de door hem aan te wijzen vertegenwoordiger) worden uitgevoerd en aan de eigenaren van de percelen in het chaletpark in rekening worden gebracht.”
2.3.
De Scheepsbel heeft de volgende facturen gestuurd waarin de (jaarlijkse) parkkosten, vastrecht voor elektra en geleverde gas-, elektra- en waterleveringen in rekening zijn gebracht:
Factuurnummer Factuurdatum Factuurbedrag
5850 28-08-2023 € 754,90
6560 18-10-2023 € 122,96
243 15-01-2024 € 1.057,87
9127 17-10-2024 € 233,42
668 13-02-2025 € 1.042,43
2.4.
[de gedaagden] hebben de facturen van De Scheepsbel niet betaald.
3. Het geschil
3.1.
De Scheepsbel vordert de hoofdelijke veroordeling van [de gedaagden] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 3.890,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.211,58 vanaf 7 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening en tot betaling van de proceskosten.
3.2.
De Scheepsbel legt aan haar vordering ten grondslag dat zij werkzaamheden en diensten op haar chaletpark heeft verricht uit hoofde van de koopovereenkomst, waarvoor [de gedaagden] een jaarlijkse vergoeding moeten betalen (bestaande uit de kosten voor de jaarplaats en het vastrecht voor elektra). Daarnaast moeten zij de door De Scheepsbel verbruikte gas-, elektra- en waterleveringen betalen. Hiervoor heeft De Scheepsbel facturen gestuurd ter hoogte van in totaal € 3.211,58. Omdat [de gedaagden] (ondanks sommatie) niet hebben betaald, zijn zij wettelijke rente verschuldigd geworden, tot 7 januari 2026 berekend op € 232,51, alsook buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 446,16.
3.3.
[de gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering van De Scheepsbel, met veroordeling van De Scheepsbel in de kosten van deze procedure. Op de inhoud van het verweer zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In deze zaak staat de vraag centraal hoeveel parkkosten [de gedaagden] op grond van de leveringsakte moeten betalen, of zij daarnaast vastrecht voor elektra en voor geleverde gas-, elektra- en waterleveringen moeten betalen, of zij (eventueel) te veel betaalde bedragen kan verrekenen en of zij bijkomende kosten verschuldigd is.
4.2.
[de gedaagden] voeren aan dat De Scheepsbel te hoge jaarlijkse parkkosten in rekening heeft gebracht. Volgens hen is in de notariële leveringsakte van 19 september 2019 in artikel 8 van Pro de algemene voorwaarden (hierna: de AV) vastgelegd dat de jaarlijkse vergoeding € 625,00 bedraagt en dat dit bedrag vanaf die datum moet worden geïndexeerd volgens het CPI. De Scheepsbel stelt daarentegen dat de AV zijn overgenomen uit een eerdere akte uit 2002 en op onderhavige akte van toepassing zijn verklaard. Dat betekent volgens De Scheepsbel dat de parkkosten in 2002 € 625,00 bedroegen en het bedrag sindsdien jaarlijks geïndexeerd mag worden met het CPI.
4.3.
Het geschil tussen partijen ziet daarmee op de vraag hoe de bepaling in de overeenkomst met betrekking tot de parkkosten moet worden uitgelegd. De kantonrechter overweegt dat het, bij de uitleg van een overeenkomst tussen partijen, aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol. Dit geldt dus voor de leveringsakte en onderliggende koopovereenkomst. Wat betreft de in de leveringsakte genoemde eerder bedingen geldt de objectieve uitlegmaatstaf.
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat uit de notariële leveringsakte volgt dat een aantal AV uit een eerdere leveringsakte van 30 mei 2002 van toepassing zijn. Deze voorwaarden zijn woordelijk (met een citaat) opgenomen in de akte. In artikel 8 van Pro de AV is de vergoeding voor de jaarlijkse parkkosten vastgesteld op € 625,00, een bedrag dat jaarlijks wordt geïndexeerd met de CPI. De kantonrechter oordeelt dat de bepaling zo moet worden uitgelegd dat het bedrag van € 625,00 vanaf 2002 mag worden geïndexeerd. Daaraan ligt ten grondslag dat in de onderhavige akte is vastgelegd dat de voorwaarden uit de eerdere akte van 2002 met betrekking tot de ‘bestaande’ bijzondere lasten en beperkingen van toepassing zijn. Partijen mochten daarom verwachten dat de reeds bestaande verplichtingen, ook in de nieuwe rechtsverhouding, zouden blijven gelden. Daarnaast ziet artikel 8 van Pro de AV op de indexatie van de parkkosten. Het doel van deze bepaling is het aanpassen van de vergoeding aan de inflatie, zodat de reële waarde van de vergoeding door de jaren heen gelijk blijft. Het ligt dan ook niet voor de hand dat de vergoeding na jarenlange indexatie in 2019 weer zou worden teruggebracht naar het oorspronkelijke bedrag (uit 2002). Dat maakt dat artikel 8 van Pro de AV in de context van die eerdere akte moet worden uitgelegd. Het voorgaande betekent dat het bedrag van € 625,00 vanaf 2002 mocht worden geïndexeerd. Het verweer van [de gedaagden] slaagt daarom niet. De volgende gevorderde factuurbedragen hebben betrekking op parkkosten: € 728,23 (factuurnr. 5850), € 1.007,87 (factuurnr. 243) en € 1.042,43 (factuurnr. 668). Deze bedragen zijn, gelet op het vorenstaande, toewijsbaar. Dat betekent dat in totaal € 2.778,53 aan parkkosten zal worden toegewezen.
4.5.
De overige door De Scheepsbel gevorderde kosten zien op kosten voor het vastrecht voor elektra en voor het verbruik van gas-, water en elektra. Daartegen hebben [de gedaagden] aangevoerd dat er geen contractuele grondslag is voor de vergoeding van deze kosten. De kantonrechter stelt vast dat in de leveringsakte geen bepaling staat, althans daar heeft De Scheepsbel niet expliciet naar verwezen, waarin een vergoeding voor deze kosten is overeengekomen. Voor zover De Scheepsbel de vergoeding van de kosten vordert op grond van ongerechtvaardigde verrijking, geldt dat zij onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan de kantonrechter de rechtsgronden kan aanvullen. Daarbij geldt dat de precieze hoogte van de kosten niet voldoende is toegelicht waarbij het enkel overleggen van lijsten niet volstaat. Gelet op het voorgaande zullen de gevorderde kosten voor het vastrecht voor elektra en voor het verbruik van gas-, water en elektra worden afgewezen.
4.6.
Verder doen [de gedaagden] een beroep op verrekening. Zij willen de verschuldigde parkkosten verrekenen met een tegenvordering op De Scheepsbel, wegens te veel betaalde parkkosten, vastrecht en milieuheffing. De Scheepsbel heeft – onder andere met een beroep op verjaring – gemotiveerd betwist dat [de gedaagden] een opeisbare vordering op haar heeft. De kantonrechter oordeelt dat de gegrondheid van het verrekeningsverweer daarom niet op eenvoudige wijze is vast te stellen, waardoor het op grond van artikel 6:136 BW Pro wordt gepasseerd. Dat betekent dat het verweer faalt.
4.7.
De Scheepsbel heeft in het kader van de wettelijke rente (onweersproken) gesteld dat partijen een (fatale) betalingstermijn van 30 dagen na factuurdatum zijn overeengekomen. De kantonrechter oordeelt dat [de gedaagden] niet binnen die termijn hebben betaald en daarom in verzuim zijn. Zij zijn daarom wettelijke rente verschuldigd. Aangezien de hoofdsom gedeeltelijk is toegewezen, zal de door De Scheepsbel berekende verschenen rente worden afgewezen. In plaats daarvan wijst de kantonrechter de wettelijke rente toe over de resterende hoofdsom van € 2.778,53 vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen tot er is betaald.
4.8.
De Scheepsbel vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 446,16. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [de gedaagden] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De Scheepsbel heeft aan [de gedaagden] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief van € 402,85 dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom van € 2.778,53. De kantonrechter zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 402,85 worden toegewezen.
4.9.
[de gedaagden] worden (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Scheepsbel worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
128,49
- griffierecht
529,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.289,99
4.10.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [de gedaagden] hoofdelijk om aan De Scheepsbel te betalen een bedrag van € 3.181,38, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 2.778,53, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [de gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.289,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
67756/560