ECLI:NL:RBGEL:2026:5663

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/05/457312 / HA ZA 25-402
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:37 BWArt. 6:96 lid 2 onder b BWArt. 6:119 BWArt. 6:162 lid 2 BWArt. 4.107 lid 2 Besluit bouwwerken leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot staken onrechtmatige geluidshinder door buiteninstallatie airco

De eisers, buren van de gedaagde, ervoeren sinds eind 2023 geluidsoverlast van een buiteninstallatie van een airco die de gedaagde in haar tuin had geplaatst. Metingen toonden aan dat het geluidsniveau tot bijna 55 dB reikte, ruim boven de norm van 40 dB uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. De rechtbank oordeelde dat deze overschrijding onrechtmatige hinder oplevert en veroordeelde de gedaagde tot het nemen van maatregelen om het geluidsniveau terug te brengen tot maximaal 40 dB binnen twee maanden.

De eisers vorderden ook verwijdering of verplaatsing van de buiteninstallatie, maar deze vorderingen werden afgewezen omdat minder bezwarende maatregelen mogelijk zijn. Daarnaast vorderden zij verwijdering of aanpassing van een camera in de tuin van de gedaagde wegens privacy-inbreuk, maar de rechtbank oordeelde dat de camera geen onrechtmatige inbreuk maakt omdat deze niet op de woning of tuin van de eisers is gericht.

De rechtbank veroordeelde de gedaagde tevens tot betaling van de kosten van het geluidsrapport, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Een dwangsom werd opgelegd om naleving van het geluidsniveau te waarborgen. Het belang van duurzame verwarming van de woning weegt niet op tegen de onrechtmatige hinder die de buiteninstallatie veroorzaakt.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot het nemen van maatregelen om het geluidsniveau van de buiteninstallatie terug te brengen tot maximaal 40 dB en wijst de vordering tot verwijdering van de camera af.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/457312 / HA ZA 25-402
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van

1.[naam eiser 1] ,2. [naam eiser 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] (Gelderland),
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [de eisers] ,
advocaat: mr. D.E.J. Maes,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats] (Gelderland),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. F. Alberts.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 december 2025,
- de akte wijziging eis van [de eisers] van 27 maart 2026,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 maart 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
[de eisers] en [de gedaagde] zijn buren van elkaar. Eind 2023 heeft [de gedaagde] een buiteninstallatie behorend bij een airco laten installeren die zich direct naast de schutting aan de kant van [de eisers] bevindt. De rechtbank oordeelt dat deze buiteninstallatie dusdanig veel en vaak geluid produceert dat er sprake is van onrechtmatige hinder. [de gedaagde] moet daarom maatregelen nemen die het geluidsniveau van de buiteninstallatie terugbrengen naar maximaal 40 dB.
2.2.
Daarnaast heeft [de gedaagde] een camera in haar tuin geplaatst. [de eisers] vorderen verwijdering of verplaatsing van deze camera, omdat deze volgens hen inbreuk maakt op hun privacy. De rechtbank oordeelt dat de camera geen onrechtmatige inbreuk op hun privacy maakt en wijst deze vordering daarom af.

3.De feiten

3.1.
[de eisers] en [de gedaagde] wonen naast elkaar. Het betreffen tussenwoningen met aangrenzende tuinen, afgescheiden door een houten schutting.
3.2.
Eind 2023 heeft [de gedaagde] een airco laten installeren. De buiteninstallatie van de airco bevindt zich in haar tuin, op de grond tegen haar gevel aan, direct naast de schutting tussen de woningen van partijen.
3.3.
Op 9 februari 2024 hebben [de eisers] in een gesprek aangegeven dat zij overlast van de buiteninstallatie ervaren.
3.4.
Op 17 maart 2024 heeft [de gedaagde] een geluidswerende omkasting om de buiteninstallatie geplaatst.
3.5.
Tussen april 2024 en februari 2026 hebben [de eisers] het volume dat de buiteninstallatie veroorzaakt, gemeten met hun telefoon met de app ‘Decibel X’.
3.6.
In januari 2025 heeft Valersi Geluidbureau in opdracht van [de eisers] een geluidmeting uitgevoerd.
3.7.
Op 20 februari 2025 heeft de rechtsbijstandverlener van [de eisers] [de gedaagde] gesommeerd de geluidsoverlast te staken.
3.8.
Daarnaast heeft [de gedaagde] in januari 2025 een camera in haar tuin opgehangen.

4.Het geschil

4.1.
[de eisers] vorderen - na wijziging van eis en samengevat - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair veroordeling van [de gedaagde] om de buiteninstallatie in de tuin te verwijderen en verwijderd te houden,
subsidiair de buiteninstallatie te verplaatsen naar de andere zijde van de tuin, dan wel op minstens twee meter van de erfgrens te plaatsen en daar te houden en tevens maatregelen te nemen die het gemeten geluidsniveau van de buiteninstallatie in de tuin en de woning terugbrengen naar maximaal 40 decibel en aldus de geluidsoverlast van de buiteninstallatie te staken en gestaakt te houden,
meer subsidiair maatregelen te nemen die het gemeten geluidsniveau van de buiteninstallatie in de tuin en woning terugbrengen naar maximaal 40 decibel en aldus de geluidsoverlast te staken en gestaakt te houden,
alle binnen twee weken na betekening van het vonnis en op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel tot een maximum van € 15.000,00.
Daarnaast vorderen [de eisers] dat [de gedaagde] wordt veroordeeld binnen 48 uur na betekening van het vonnis de camera te verwijderen, althans 30 centimeter lager te hangen, althans op een zodanige positie dat deze op geen enkele manier over de schutting heen kan filmen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel tot een maximum van € 15.000,00.
Ten slotte vorderen [de eisers] dat [de gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van het rapport van Valersi van € 1.936,00 binnen twee weken na betekening van het vonnis, de buitengerechtelijke incassokosten van € 750,00 en de proceskosten te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede de nakosten.
4.2.
[de gedaagde] voert verweer en vordert - samengevat - de vorderingen van [de eisers] af te wijzen met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eisers] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien [de eisers] de proceskoten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis hebben voldaan. Op de verweren wordt bij de beoordeling verder ingegaan.

5.De beoordeling

De buiteninstallatie produceert aanzienlijk meer dan 40 dB
5.1.
[de eisers] stellen dat voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van het geluid dat de buiteninstallatie produceert, onder andere moet worden aangeknoopt bij de in artikel 4.107 lid 2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gestelde grens, namelijk 40 dB. Dat deze grens ruim wordt overschreden onderbouwen zij ten eerste met het rapport van Valersi. Valersi concludeert in haar rapport namelijk dat het hoogste gemiddelde geluidsniveau van de buiteninstallatie gedurende vijf minuten op de onderzochte dagen 54,7 dB is geweest. Het gaat dan om de volgende metingen.
5.2.
Daarnaast hebben [de eisers] zelf geluidsmetingen uitgevoerd, waaruit blijkt dat het geluidsniveau in de periode van april 2024 tot en met februari 2026 veelvuldig en ruim de norm van 40 dB heeft overschreden.
5.3.
[de gedaagde] betwist de betrouwbaarheid van het rapport van Valersi. Valersi heeft gerapporteerd dat de meting volledig zuiver is en niet hoeft te worden gecorrigeerd voor omgevingsgeluiden (de zogenoemde stoorcorrectie). Dat kan volgens [de gedaagde] niet kloppen, omdat op het moment van meten van de omgevingsgeluiden de buiteninstallatie ingeschakeld in plaats van uitgeschakeld was, en Valersi van een uitgeschakelde buiteninstallatie is uitgegaan. De stoorcorrectie die Valersi heeft gehanteerd, klopt daarom niet en dit tast ook de betrouwbaarheid van het rapport aan, aldus [de gedaagde] .
5.4.
Daarnaast betwist [de gedaagde] de betrouwbaarheid van de metingen die [de eisers] zelf hebben uitgevoerd. Volgens haar is het enkele feit dat deze meting op één moment enigszins overeenkomst met de meting van Valersi onvoldoende om deze als betrouwbaar aan te merken. Verder betwist zij dat deze app dergelijke metingen betrouwbaar kan uitvoeren, omdat het geen professionele meting is.
5.5.
Ten slotte kunnen beide metingen hoe dan ook niet betrouwbaar zijn, omdat de buiteninstallatie volgens de door haar in het geding gebrachte productspecificatie maximaal 47 dB in de
silent-mode en 49 dB in de standaard modus produceert, aldus [de gedaagde] . Daarnaast heeft [de gedaagde] zelf met behulp van een rekentool van de rijksoverheid berekend dat de geluidsinstallatie maximaal 42 dB overdag en 40 dB in de nacht produceert. Gelet hierop kunnen de metingen van Valersi en [de eisers] zelf niet kloppen, aldus [de gedaagde] .
5.6.
Volgens [de eisers] zijn hun eigen metingen betrouwbaar, omdat de meting van Valersi op 18 januari om 09:31 uur namelijk op 54,7 dB uitkomt, terwijl het op datzelfde moment door [de eisers] gemeten geluidsniveau op 52,6 dB uitkomt. Daarnaast moet volgens [de eisers] aan de productspecificatie en de rekentool geen waarde worden gehecht, omdat dit theoretische prognoses zijn die niet gelijkgesteld kunnen worden met de feitelijke situatie. Ook is de rekentool door [de gedaagde] zelf ingevuld en is deze niet onafhankelijk.
5.7.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de metingen van Valersi en de eigen metingen van [de eisers] betrouwbaar. Ten aanzien van het rapport van Valersi heeft [de gedaagde] niet onderbouwd wat volgens haar een juiste stoorcorrectie is en wat dit voor effect heeft op het gemeten geluidsniveau. Daarbij komt dat als Valersi het omgevingsgeluid zou hebben gemeten op een moment dat de buiteninstallatie daadwerkelijk uit stond, het gemeten aantal dB aan omgevingsgeluid niet hoger kan zijn geweest dan nu gemeten. De buiteninstallatie stond in dat geval immers uit. Gelet op de conclusie van Valersi in haar rapport dat het gemeten geluidsniveau van de buiteninstallatie dusdanig veel hoger ligt dan het niveau van het omgevingsgeluid en er daarom een stoorcorrectie van 0 dB geldt, zal een lager omgevingsgeluid dus niet leiden tot een hogere stoorcorrectie. Ook betekent het eventueel onjuist vastgesteld hebben van het omgevingsgeluid niet dat de rest van het rapport van Valersi niet betrouwbaar is. Het lag op de weg van [de gedaagde] om, bijvoorbeeld middels een contra-expertise of eigen metingen, de betrouwbaarheid van het rapport van Valersi op concrete punten te betwisten en dat heeft zij niet gedaan.
5.8.
Ook de eigen metingen van [de eisers] zijn betrouwbaar. [de eisers] hebben de app namelijk gebruikt op het moment dat Valersi een meting met professionele apparatuur heeft uitgevoerd. Toen zat het gemeten aantal dB dicht bij elkaar. Waarom specifiek deze app niet betrouwbaar is, onderbouwt [de gedaagde] niet. Ook hier had het op haar weg gelegen de metingen van [de eisers] concreter te betwisten dan zij nu heeft gedaan.
5.9.
Ten slotte betekent het feit dat het geluidsniveau in theorie volgens de productspecificatie maximaal 49 dB en volgens de rekentool maximaal 42 dB kan zijn, niet dat dit in de praktijk niet hoger kan uitvallen.
5.10.
Gelet op bovenstaande staat vast dat de buiteninstallatie in de periode van april 2024 tot en met februari 2026 aanzienlijk meer geluid heeft geproduceerd dan 40 dB, tot aan een niveau van bijna 55 dB. De rechtbank oordeelt hierna of dit geluidsniveau onrechtmatige hinder oplevert.
Het gemeten geluidsniveau is onrechtmatig
5.11.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad hangt het antwoord op de vraag of er sprake is van onrechtmatige hinder af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen. [1]
5.12.
Volgens [de eisers] moet er bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van de gestelde hinder rekening worden gehouden met de volgende omstandigheden. Ten eerste de ernst van de hinder. Deze blijkt volgens [de eisers] uit de overschrijding tot 15 dB van de norm in het Bbl. De duur van de hinder is volgens [de eisers] lang. Uit hun eigen metingen blijkt dat het geluidsniveau van 40 dB tussen april 2024 en februari 2026 op vele dagen, zowel in de ochtend als de avond en geregeld voor meerdere uren achter elkaar, wordt overschreden. Daarbij stellen zij dat zij de hinder naar zijn aard niet kunnen vermijden, omdat de buiteninstallatie nu eenmaal in de tuin staat. Verder stellen [de eisers] dat zij schade in de vorm van gederfd woongenot lijden als gevolg van de hinder van de buiteninstallatie. Zij, en mensen die bij hen op bezoek komen, kunnen namelijk niet ongestoord gebruikmaken van de tuin, in het bijzonder niet op de plek waar de buiteninstallatie staat, terwijl dat de enige schaduwrijke plek in de tuin is. Ten slotte speelt volgens [de eisers] mee dat de geplaatste omkasting geen vermindering van het geluidsniveau teweeg heeft gebracht en [de gedaagde] niet bereid is geweest aanvullende maatregelen te treffen, zoals het verplaatsen van de buiteninstallatie of het neerzetten van een geluidswerende schutting.
5.13.
Volgens [de gedaagde] veroorzaakt haar buiteninstallatie geen onrechtmatige hinder. Ten aanzien van de ernst van de hinder is het volgens [de gedaagde] niet voldoende dat een norm uit het Bbl wordt overschreden. Hierbij is volgens haar van belang in hoeverre de buiteninstallatie het maximaal toegestane geluidsniveau op de erfgrens in de praktijk daadwerkelijk overschrijdt en dat de frequentie van de ervaren geluidshinder in koude wintermaanden waarschijnlijk hoger zal zijn doordat de buiteninstallatie dan harder moet draaien dan andere perioden van het jaar. Zij verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 april 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:2643). In dit geval betekent dit volgens [de gedaagde] dat de metingen van Valersi - die zijn gedaan op koude dagen in januari 2025 - niet representatief zijn voor het beoordelen van de ernst van de hinder. Daarnaast is de duur van de hinder volgens haar beperkt sinds zij de buiteninstallatie alleen nog aanzet in de
silent-mode (die maximaal 47 dB produceert) tussen 07:00 en 14:00 en 16:00 en 21:00 uur, met uitzondering van extreem warme of extreem koude dagen. Daarnaast heeft [de gedaagde] al verschillende maatregelen genomen om het geluidsniveau te verminderen, waaronder het plaatsen van een omkasting en rubbers onder de omkasting zodat deze niet langer met de grond resoneert. Ook kan de buiteninstallatie niet worden verplaatst, omdat aan de andere kant van de tuin grenzend aan huisnummer [huisnummer] geen ruimte is vanwege een regenton en regenpijp. Plaatsing achterin de tuin is niet mogelijk, omdat de kabels dan teveel ruis zullen geven voor een goede werking van de buiteninstallatie. Verder moet volgens [de gedaagde] het positieve belang dat de buiteninstallatie dient, namelijk het duurzaam verwarmen van de woning, worden betrokken bij de beoordeling of er sprake is van onrechtmatige hinder. Daarnaast heeft [de gedaagde] verklaringen van andere buren overgelegd. Deze buren verklaren dat zij geen overlast van de buiteninstallatie ervaren, ook niet als zij [de gedaagde] bezoeken.
5.14.
De rechtbank oordeelt als volgt. Bij het bepalen van de ernst van de hinder, speelt de norm van 40 dB uit artikel 4.107 lid 2 Bbl een rol, ondanks dat deze norm publiekrechtelijk van aard is. Deze norm maakt namelijk duidelijk welk geluidsniveau door de overheid bij het bouwen van nieuwe bouwwerken als acceptabel wordt gevonden. In die zin is deze norm ook richtinggevend voor het antwoord op de vraag welk geluidsniveau buren in het algemeen nog van elkaar moeten accepteren. [2] Zoals vastgesteld produceert de buiteninstallatie aanzienlijk meer geluid dan 40 dB, tot een niveau van bijna 55 dB, wat een ernstige overschrijding van de norm is. Verder is de duur van de overlast aanzienlijk. Uit de metingen van [de eisers] blijkt dat het geluidsniveau van 40 dB in de periode van april 2024 tot in februari 2026 zeer veelvuldig - en vanaf oktober 2025 bijna iedere dag - wordt overschreden. Ook vanaf het moment dat [de gedaagde] de buiteninstallatie stiller stelt te hebben gezet en in andere maanden dan de koudste wintermaanden, zijn er dus geluidsniveaus van ver boven de 40 dB gemeten. Verder bestaan er, ondanks de maatregelen die al zijn genomen, nog altijd mogelijkheden om andere maatregelen te nemen om de onrechtmatige hinder te stoppen. Partijen hebben bijvoorbeeld eerder gesproken over plaatsing van een geluidswerende schutting. Daarnaast gaf [de gedaagde] ter zitting aan dat zij bereid is verdere maatregelen te nemen. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat er geen andere maatregelen meer kunnen worden verlangd van [de gedaagde] om de onrechtmatige hinder te stoppen. Het belang van [de gedaagde] om haar woning duurzaam te verwarmen weegt, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, niet zo zwaar dat dit belang de hinder niet langer onrechtmatig maakt. Daarnaast doet de verklaring van de buren van [de gedaagde] , dat zij geen hinder ervaren, aan het voorgaande niets af, omdat de situaties van haar buren niet vergelijkbaar zijn met de situatie van [de eisers] Immers wonen de buren niet direct naast de buiteninstallatie.
5.15.
Gelet op het voorgaande brengt het geluid dat de buiteninstallatie van [de gedaagde] produceert onrechtmatige hinder toe aan [de eisers] (artikel 5:37 en Pro 6:162 lid 2 BW). [de gedaagde] moet er daarom voor zorgen dat deze hinder stopt.
Veroordeling tot vermindering van geluidsniveau tot maximaal 40 dB binnen twee maanden
5.16.
Volgens [de eisers] is de enige manier waarop de hinder kan worden gestopt verwijdering van de buiteninstallatie. Dit onderbouwen [de eisers] met een in het geding gebrachte e-mail van Valersi van 26 augustus 2025 waarin Valersi volgens [de eisers] aangaf dat het reduceren van het geluidsniveau met minimaal 15 dB niet mogelijk is. Daarnaast moet bij de berekening van het geluid dat de airco produceert volgens [de eisers] een strafcorrectie van 5 dB worden toegepast, omdat dit geluid tonaal van aard is.
5.17.
Volgens [de gedaagde] zijn er nog andere mogelijkheden om de hinder te verminderen, zoals het plaatsen van een extra wand tegen de schutting. Daarnaast betwist zij dat er een strafcorrectie voor tonaal geluid moet worden toegepast. Uit de door haar in het geding gebrachte productspecificatie volgt dat de buiteninstallatie geen tonaal geluid produceert en Valersi heeft dit ook niet bevestigd in haar rapport.
5.18.
De rechtbank zal de primaire vordering tot verwijdering en de subsidiaire vordering tot verplaatsing van de buiteninstallatie afwijzen. Er kunnen immers ook minder bezwarende mogelijkheden tot het staken van de onrechtmatige hinder bestaan voor [de gedaagde] dan het verwijderen van de buiteninstallatie. Daarbij is relevant dat Valersi in haar e-mail - anders dan [de eisers] stellen - aangaf dat het reduceren van het geluidsniveau praktisch onuitvoerbaar lijkt, maar dat nader onderzoek dit zal moeten uitwijzen. Verder hebben [de eisers] niet toegelicht waarom slechts verwijdering of verplaatsing kan leiden tot het stoppen van de hinder. Het is dan ook aan [de gedaagde] te bepalen hoe zij de onrechtmatige hinder stopt.
5.19.
Gelet op de werkzaamheden die gemoeid kunnen zijn met het staken van de onrechtmatige hinder, zal de rechtbank [de gedaagde] veroordelen om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis maatregelen te nemen die het gemeten geluidsniveau van de buiteninstallatie in de tuin en woning van [de eisers] terugbrengen naar maximaal 40 dB en aldus de geluidsoverlast te staken en gestaakt te houden. De rechtbank ziet hierbij geen grondslag voor het toepassen van een strafcorrectie van 5 dB bij berekening van het geluidsniveau dat de buiteninstallatie produceert.
Dwangsom
5.20.
[de eisers] vorderen de veroordeling van [de gedaagde] tot het staken van de onrechtmatige hinder op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag (dagdeel daaronder begrepen) tot een maximum van € 15.000,00.
5.21.
Volgens [de gedaagde] hebben [de eisers] onvoldoende belang bij het instellen van deze vordering, omdat zij de eventueel tegen haar uitgesproken veroordeling zal nakomen. De enige reden dat [de gedaagde] op dit moment nog geen aanvullende maatregelen heeft genomen, is omdat [de eisers] de situatie hebben geëscaleerd en niet bereid waren samen te onderzoeken welke maatregelen er konden worden genomen. Subsidiair verzoekt [de gedaagde] tot matiging van de dwangsom.
5.22.
De rechtbank overweegt als volgt. [de eisers] hebben voldoende belang bij hun vordering tot oplegging van een dwangsom. Hoewel [de gedaagde] zich bereid heeft verklaard maatregelen te nemen ter voorkoming van onrechtmatige hinder, ziet de rechtbank in het feit dat nog niet duidelijk is welke maatregelen getroffen gaan worden toch aanleiding om een dwangsom op te leggen. Indien namelijk blijkt dat de onrechtmatige hinder toch niet met isolerende of andere maatregelen gestopt kan worden, dan is ook een scenario dat de buiteninstallatie verplaatst moet worden of in het uiterste geval verwijderd om aan het vonnis te voldoen. Daar heeft [de gedaagde] zich niet bereid toe verklaard. De rechtbank matigt de gevorderde dwangsom in redelijkheid tot een bedrag van € 100,00 per dag (dagdeel daaronder begrepen) tot een maximum van € 10.000,00.
Geen onrechtmatige plaatsing camera
5.23.
Volgens [de eisers] filmt de camera die in de tuin van [de gedaagde] hangt de tuin en de woning van [de eisers] Dit is een inbreuk op hun recht van privacy, aldus [de eisers] Zij hebben dit onderbouwd met onder andere onderstaande foto die is genomen vanaf de achterdeur grenzend aan hun tuin en waarop de camera zichtbaar is. [de gedaagde] kan deze inbreuk niet rechtvaardigen, aldus [de eisers]
[ Afbeelding verwijderd ter anonimisatie.]
5.24.
Volgens [de gedaagde] filmt de camera vooral haar eigen tuin. Zij heeft dit onderbouwd met onderstaande foto. [de gedaagde] geeft aan de camera te hebben opgehangen om haar kattenren en andere eigendommen in de gaten te houden als zij van huis is. Dit belang weegt volgens haar zwaarder dan de ernst van de vermeende privacy-inbreuk.
[ Afbeelding verwijderd ter anonimisatie.]
5.25.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een onrechtmatige inbreuk op het privacyrecht van [de eisers] Tussen partijen is niet in geschil dat de camera filmt zoals hierboven is weergegeven. Op dit beeld wordt de woning van [de eisers] niet gefilmd. Ondanks dat [de eisers] de camera kunnen zien vanaf de plek waarvandaan zij een foto van de camera hebben genomen, worden zij op die plek dus niet gefilmd, omdat de camera naar beneden toe is gericht. Wel is op het beeld een klein gedeelte van de bovenkant van de achterzijde van de tuin zichtbaar. Gesteld noch gebleken is dat hier personen kunnen worden gefilmd. De vorderingen van [de eisers] die betrekking hebben op de camera worden daarom afgewezen.
Veroordeling tot betaling van de kosten voor het rapport, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten
5.26.
De rechtbank zal [de gedaagde] - die tegen dit deel van de vordering van [de eisers] geen verweer heeft gevoerd - veroordelen tot betaling van € 1.936,00 voor de kosten die [de eisers] hebben gemaakt voor het rapport van Valersi ter vaststelling van de aansprakelijkheid van [de gedaagde] (artikel 6:96 lid 2 onder Pro b BW).
5.27.
[de eisers] hebben gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en hebben vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen.
5.28.
[de gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.015,14
5.29.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt [de gedaagde] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis maatregelen te nemen die het gemeten geluidsniveau van de buiteninstallatie in de tuin en woning van [de eisers] terugbrengen naar maximaal 40 dB en aldus de geluidsoverlast te staken en gestaakt te houden,
6.2.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eisers] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
6.3.
veroordeelt [de gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de kosten van het rapport van Valersi te betalen ten bedrage van € 1.936,00,
6.4.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eisers] te betalen een bedrag van € 750,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
6.5.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 3.015,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026
2075

Voetnoten

2.Vgl. ECLI:NL:GHARL:2022:9854, r.o. 7.10.