ECLI:NL:RBGEL:2026:5697

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
ARN 26/3440
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbWet open overheid
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen dwangsom bij niet tijdig beslissen bezwaar WOO-verzoek

Het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst te Arnhem heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen een dwangsomveroordeling opgelegd door de rechtbank Gelderland. Deze dwangsom was opgelegd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar van een derde-partij tegen een besluit op een WOO-verzoek.

De rechtbank had het beroep van de derde-partij gegrond verklaard en het niet tijdig beslissen vernietigd, met een dwangsom van €100 per dag tot een maximum van €15.000. Het bestuur heeft hiertegen verzet aangetekend en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het niet kan worden uitgesloten dat het verzet gegrond wordt verklaard en wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening toe. Hierdoor hoeft het bestuur geen uitvoering te geven aan de dwangsomveroordeling totdat op het verzet is beslist.

Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechter die over het verzet zal beslissen niet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestuur hoeft geen uitvoering te geven aan de dwangsom totdat op het verzet is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3440

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juli 2026

op het verzoek om voorlopige voorziening van

het dagelijks bestuur van Omgevingsdienst, uit Arnhem, verzoekster

(gemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars),
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [persoon A] uit [plaats] (derde-partij).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechter die uitspraak doet op het door verzoekster ingediende verzet niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Derde-partij heeft een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend bij verzoekster. Verzoekster heeft met het besluit van 27 oktober 2025 op dit verzoek beslist. Tegen dit besluit heeft derde-partij bezwaar gemaakt. Omdat een beslissing op bezwaar uitbleef heeft derde-partij beroep ingesteld.
2.1. De rechtbank heeft met de uitspraak van 2 juli 2026 [1] op het beroep beslist, het beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit, vernietigd, verzoekster opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar bekend te maken en bepaald dat verzoekster aan derde-partij een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee het de door de rechtbank bepaalde beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000.
2.2.
Verzoekster heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster stelt zich kort samengevat gemotiveerd op het standpunt dat zij niet binnen de door de rechtbank bepaalde termijn een beslissing kan nemen op het bezwaar van derde-partij.
2.3.
Op het verzet is nog geen uitspraak gedaan.
2.4.
Gelet op hetgeen in verzet is aangevoerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat het verzet gegrond wordt verklaard. Omdat verzoekster na afloop van de door de rechtbank bepaalde termijn van twee weken dwangsommen is verschuldigd, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek toe te wijzen en een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal bepalen dat verzoekster geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank tot op het verzet is beslist.
2.5.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoekster geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank van 2 juli 2026 tot op het verzet is beslist.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ARN 26/1479