Uitspraak
[voormalige naam gedaagd bedrijf] B.V.,
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 8 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,
2.De feiten
4.De beoordeling
self storage’, kantonrechter), terwijl het er in deze procedure voor moet worden gehouden dat [de gedaagde] onbekend was met welke goederen in de opslagboxen waren opgeslagen. Weliswaar heeft [de eiser] de blote stelling ingenomen dat hij [de directeur] zou hebben verteld welke goederen hij van plan was in de kleine opslagbox op te slaan, maar dit is door [de directeur] stellig betwist en [de eiser] heeft op dit punt geen concreet bewijsaanbod gedaan, zodat de gestelde wetenschap, waarbij de kantonrechter in het midden laat of deze van doorslaggevende betekenis is voor de kwalificatie van de overeenkomst als bewaarnemingsovereenkomst, niet is komen vast te staan.
self storage), worden gezien. [de eiser] mocht daaruit bijvoorbeeld opmaken dat zijn spullen beschermd waren tegen regen en brand, en dat een maatregel werd getroffen om diefstal te voorkomen (hetgeen ook is gebeurd), maar niet dat zijn (waardevolle) spullen veilig zouden zijn tegen diefstal als waren deze opgeslagen in een kluis. De kantonrechter acht daarbij eveneens relevant dat [de eiser] voor het gebruik van de kleine opslagbox een geringe huurprijs van € 16,50 per maand betaalde en dat hij bij [de gedaagde] een doorsnee cilinderslot heeft afgenomen ter beveiliging van de kleine opslagbox.