ECLI:NL:RBGEL:2026:5721

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
11872481
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BWArt. 7:400 BWArt. 7:600 BWArt. 6:119 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhuurder opslagbox niet aansprakelijk voor diefstalschade huurder

De eiser huurde vanaf januari 2024 een grote opslagbox en vanaf juli 2024 een kleine opslagbox van de gedaagde. In februari 2025 vond een inbraak plaats in de kleine opslagbox waarbij waardevolle goederen, waaronder een horloge en contant geld, werden gestolen. De eiser stelde de verhuurder aansprakelijk wegens tekortschieten in de beveiliging en het bewaren van zijn eigendommen.

De kantonrechter kwalificeerde de overeenkomst als een huurovereenkomst van overige bedrijfsruimte conform artikel 7:230a BW en niet als een bewaarnemingsovereenkomst. De verhuurder had geen verplichting op zich genomen om de goederen te bewaren of optimale beveiliging te bieden, wat ook expliciet in de algemene voorwaarden was uitgesloten. De toezeggingen over beveiliging werden in de context van self storage beoordeeld, waarbij de huurder zelf verantwoordelijk is voor het opslaan en verwijderen van goederen.

De stelling van de eiser dat de directeur op de hoogte was van de waardevolle goederen en had moeten waarschuwen, kon niet worden bewezen. De vordering tot schadevergoeding op grond van wanprestatie en onrechtmatige daad werd daarom afgewezen. De eiser werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die werden begroot op €1.008,00, vermeerderd met wettelijke rente en kosten van betekening.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens diefstal uit de opslagbox wordt afgewezen en de eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaakgegevens: 11872481 \ CV EXPL 25-2529
Vonnis van 3 juli 2026
in de zaak van
[naam eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. G.A.M.F. Galjé-Deckers,
tegen
[naam gedaagd bedrijf] B.V.,voorheen genaamd
[voormalige naam gedaagd bedrijf] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.J. Turksema.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 december 2025 en de daarin vermelde processtukken,
- de akte van 28 april 2026 met producties 15-22 van [de eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 8 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,
- de tijdens de mondelinge behandeling integraal voorgedragen pleitnota van de gemachtigde van [de eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Met ingang van 2 januari 2024 heeft [de eiser] van [de gedaagde] de opslagbox van 37,5 kubieke meter met nummer [nummer 1] (hierna: de grote opslagbox) gehuurd tegen betaling van een huurprijs van € 188,50 per maand. Op de daartoe tussen partijen gesloten schriftelijke overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [de gedaagde] van toepassing verklaard.
2.2.
Sinds 1 juli 2024 heeft [de eiser] van [de gedaagde] eveneens de opslagbox van 1,5 kubieke meter met nummer [nummer 2] (hierna: de kleine opslagbox) gehuurd tegen betaling van een huurprijs van € 16,50 per maand. Partijen hebben daartoe geen afzonderlijke schriftelijke overeenkomst gesloten.
2.3.
Op of omstreeks vrijdag 28 februari 2025 rond 19:00 uur heeft er een inbraak plaatsgevonden in de kleine opslagbox. De inbraak is in de ochtend van dinsdag
4 maart 2025 door [de directeur] (hierna: [de directeur] ), de directeur van [de gedaagde] , ontdekt. Diezelfde dag heeft [de directeur] [de eiser] van de inbraak in kennis gesteld.
2.4.
Op 11 maart 2025 heeft [de eiser] bij de politie aangifte van de diefstal gedaan. Het daarvan opgestelde proces-verbaal vermeldt het volgende:
“(…) Ongeveer 1,5 jaar geleden heb ik een kluis gehuurd bij [de gedaagde] . (…) Ik heb in mijn kluis, diverse goederen liggen, waaronder een bordeaux rood kleurige kartonnen doos met daarin een horloge. Dit horloge betreft een Cartier Santos met registratienummer [nummer 3] . Op de achterzijde van het horloge staat gegraveerd: [tekst] .
Op dinsdag 4 maart 2025, omstreeks 16:00 uur werd ik gebeld door de eigenaar, genaamd [de directeur] . Hij vertelde aan mij, dat er was ingebroken in het bedrijf en dat er mijn kluis open gebroken was. Hij vertelde dat de andere 5 kluizen bekeken waren, maar dat er daaruit niets wat weggenomen. Ik heb het nieuws aangenomen en aangegeven dat ik rond 18:00 uur bij hem zou zijn.
Omstreeks 18:00 uur was ik bij [de gedaagde] en daar ben ik naar mijn kluis gelopen. Ik zag dat de deur van mijn kluis\box dicht zat. [de directeur] vertelde dat hij een nieuw slot in de kluisdeur had gezet en daarna heeft hij de kluis/box geopend. Ik zag meteen dat de bordeaux rood kleurige doos weggenomen was uit mijn kluis/box. Tevens dat ik dat mijn rvs kleurig kluisje was weggenomen. Deze RVS kluisje zat in een andere groen kleurig kluisje. In mijn RVS kleurige kluis zaten wat spullen in van mijn overleden ouders en er zat een geldbedrag in, van tussen de 3000 en 4000,- euro. Ik heb even met [de directeur] gesproken en mijn frustratie geuit over het feit, dat er nooit iemand aanwezig is en dat er tevens ook geen enkele alarmsysteem aanwezig is, in het pand. [de directeur] gaf aan, dat hij zijn uiterste best had gedaan om alles te beveiligen. [de directeur] gaf aan, dat hij vandaag of morgen de camerabeelden ging ophalen. Na het gesprek met [de directeur] ben ik naar huis gegaan.
Op 6 maart 2025 of mogelijk op 07 maart 2025 heb ik van [de directeur] bericht gekregen dat hij de beelden had. Ik ben toen naar [de gedaagde] in [vestigingsplaats] gegaan en daar heb ik samen met [de directeur] , een gedeelte van de beelden bekeken. Ik zag in het scherm, dat de bewakingsbeelden van 28 februari 2025, om 19:00 uur waren. Zodoende besefte ik mij, dat de dader of daders op 28 februari 2025 al mijn hologe hadden weggenomen en dat mijn kluis 4 dagen open heeft gestaan, waardoor mijn andere goederen voor het grijpen lagen voor eventueel andere personen. Na het zien van de beelden ben ik naar huis gegaan.
Op 07 of 08 maart 2025 heb ik een WhatsApp bericht verstuurd aan [de directeur] . (…) Ik stuurde hem: Hoi [de directeur] , die inbraak was op 28/2 rond 7 uur in de avond! Klopt dat? Graag bericht. Dank je”. Hierop antwoordde [de directeur] : ‘BEste, bedankt voor je bericht. Wij komen zo snel mogelijk met een reactie. Groet [de gedaagde] ”. Ik kreeg hierna meteen weer bericht, waarin [de directeur] aangaf: ‘Dat klopt inderdaad’. Hierop heb ik aan [de directeur] via de WhatsApp gevraagd: ‘Wanneer is het slotje vervangen’. [de directeur] regaeerde hierop en gaf aan: ‘ Disndagochtend nadat wij het geconstateerd hebben”. Ik heb ondertussen ook de camerabeelden bekeken, die ik van [de directeur] had ontvangen.
Ondertussen heb ik mijn horloge aangemeld bij Cartier Nederland en bij Enquirus.com en zodoende is mijn horloge internationaal gesignaleerd.
Ik wil ook aangifte doen tegen [de directeur] , want ik verwijt hem voorwaardelijke en dubbele voorwaardelijke opzet en consectutieve medeplichtigheid. Ik verwijt hem dat hij het pand niet goed tot niet beveiligd heeft en/of daar de juiste maatregelen voor heeft getroffen.”
2.5.
Vervolgens hebben partijen en hun gemachtigden met elkaar gecorrespondeerd over de (financiële) afwikkeling van de diefstal. In één van de berichten heeft (de gemachtigde van) [de eiser] [de gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de vermeende schade.
2.6.
[de eiser] is thans geen klant meer van [de gedaagde] .
3. Het geschil
3.1.
[de eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [de gedaagde] tot betaling van € 15.500,00 aan hoofdsom, te vermeerderen de wettelijke rente, een bedrag van € 1.125,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de proceskosten en de nakosten.
3.2.
[de eiser] legt – samengevat – aan zijn vordering ten grondslag dat [de gedaagde] is tekortgeschoten in de op haar rustende verplichting om de eigendommen van [de eiser] te bewaren en terug te geven, althans om als een goed bewaarnemer dan wel opdrachtnemer te zorgen voor optimale beveiliging van de eigendommen van [de eiser] . Dat [de gedaagde] deze verplichting(en) op zich heeft genomen, althans dat [de eiser] erop mocht vertrouwen dat zijn eigendommen bij [de gedaagde] veilig waren, blijkt volgens [de eiser] uit de toezeggingen van [de gedaagde] dat iedere ‘huurder’ een persoonlijke toegangspas krijgt, de toegangspoorten van het terrein niet 24 uur per dag zijn geopend, er veel camera’s aanwezig zijn op het terrein en (volgens de website van [de gedaagde] ) sprake is van ‘optimale beveiliging’. In tegenstelling tot deze toezeggingen deed [de gedaagde] niets, althans te weinig, om de eigendommen van [de eiser] veilig te houden. Daardoor is het derden gelukt om in de kleine opslagbox, die [de eiser] zelf een ‘kluis’ noemt, in te breken. Verder wijst [de eiser] erop dat hij tegen [de directeur] heeft verteld dat hij van plan was waardevolle spullen in de kleine opslagbox op te slaan. [de directeur] had [de eiser] moeten ontraden om dat te doen. Dat heeft hij echter niet gedaan, aldus [de eiser] . Gelet op dit alles moet [de gedaagde] de schade vergoeden die [de eiser] heeft geleden. Die bestaat uit de waarde van het gestolen horloge, zijnde € 11.500,00, en het gestolen contante geld van in totaal € 4.000,00. [de eiser] baseert zijn vordering op het leerstuk van de toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) en die van de onrechtmatige daad.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de werkelijke proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.4.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, (nader) ingegaan.

4.De beoordeling

Kwalificatie van de overeenkomst
4.1.
Volgens [de eiser] kwalificeert de overeenkomst tussen partijen als een bewaarnemingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:600 BW Pro dan wel overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW Pro. In dat licht voert [de eiser] aan dat [de gedaagde] op grond van de overeenkomst gehouden was zijn eigendommen te bewaren en aan hem terug te geven, althans om als een goed bewaarnemer dan wel opdrachtnemer te zorgen voor optimale beveiliging van de eigendommen van [de eiser] . [de gedaagde] betwist dat sprake is van een bewaarnemingsovereenkomst dan wel overeenkomst van opdracht.
4.2.
De kantonrechter overweegt als volgt. Een kenmerk van de bewaarnemingsovereenkomst is dat de goederen van de bewaargever aan de bewaarnemer worden ‘toevertrouwd’. Dat toevertrouwen is geen passieve verplichting. De bewaarnemer moet een bepaalde mate van zorg betrachten voor de goederen die verder gaat dan het louter opslaan daarvan.
4.3.
De strekking van de overeenkomst is dat [de gedaagde] een opslagbox aan [de eiser] ter beschikking stelt en dat [de eiser] daarvoor maandelijks een vergoeding aan [de gedaagde] betaalt. Dat [de gedaagde] daarnaast de verplichting op zich heeft genomen om goederen in ontvangst te nemen en te bewaren, blijkt, anders dan [de eiser] betoogt, nergens uit. Sterker nog, in artikel 8.6. van de toepasselijke algemene voorwaarden is expliciet opgenomen dat [de gedaagde] ten aanzien van de opgeslagen goederen nimmer de rol als bewaarnemer zal vervullen. Hoewel niet beslissend voor de kwalificatievraag, vormt dit beding wel een uiting van welke verplichtingen [de gedaagde] (niet) op zich heeft willen nemen. Ook in de praktijk was het volledig aan [de eiser] zelf om goederen in de opslagboxen op te slaan en daaruit te verwijderen (‘
self storage’, kantonrechter), terwijl het er in deze procedure voor moet worden gehouden dat [de gedaagde] onbekend was met welke goederen in de opslagboxen waren opgeslagen. Weliswaar heeft [de eiser] de blote stelling ingenomen dat hij [de directeur] zou hebben verteld welke goederen hij van plan was in de kleine opslagbox op te slaan, maar dit is door [de directeur] stellig betwist en [de eiser] heeft op dit punt geen concreet bewijsaanbod gedaan, zodat de gestelde wetenschap, waarbij de kantonrechter in het midden laat of deze van doorslaggevende betekenis is voor de kwalificatie van de overeenkomst als bewaarnemingsovereenkomst, niet is komen vast te staan.
4.4.
Met [de gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat de overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een huurovereenkomst, meer in het bijzonder een huurovereenkomst van ‘overige bedrijfsruimte’ in de zin van artikel 7:230a BW. De overeenkomst voldoet aan alle daarvoor geldende vereisten. Zo heeft [de gedaagde] op grond van de overeenkomst een zaak (opslagbox) in gebruik gegeven aan [de eiser] waarvoor [de eiser] een tegenprestatie (maandelijkse vergoeding) moest voldoen, terwijl de huur betrekking had op een gebouwde onroerende zaak die geen woonruimte of bedrijfsruimte is. Van een gemengde overeenkomst (zoals huur met bewaarneming dan wel opdracht) is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, evenmin sprake.
4.5.
De toezeggingen van [de gedaagde] dat iedere huurder een persoonlijke toegangspas krijgt, de toegangspoorten van het terrein van [de gedaagde] niet 24 uur per dag geopend zijn, er veel camera’s op het terrein aanwezig zijn, en dat op de website van [de gedaagde] vermeld staat dat sprake is van ‘optimale beveiliging’, maken, anders dan [de eiser] betoogt, niet dat [de gedaagde] de verplichting op zich heeft genomen om zorg te dragen voor optimale beveiliging van de in de opslagbox opgeslagen goederen. Deze uitingen van [de gedaagde] moeten in de context van de huur van een opslagbox, waarbij het aan de huurder zelf is om goederen in de opslagbox op te slaan en daaruit te verwijderen (
self storage), worden gezien. [de eiser] mocht daaruit bijvoorbeeld opmaken dat zijn spullen beschermd waren tegen regen en brand, en dat een maatregel werd getroffen om diefstal te voorkomen (hetgeen ook is gebeurd), maar niet dat zijn (waardevolle) spullen veilig zouden zijn tegen diefstal als waren deze opgeslagen in een kluis. De kantonrechter acht daarbij eveneens relevant dat [de eiser] voor het gebruik van de kleine opslagbox een geringe huurprijs van € 16,50 per maand betaalde en dat hij bij [de gedaagde] een doorsnee cilinderslot heeft afgenomen ter beveiliging van de kleine opslagbox.
Tussenconclusie
4.6.
Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat [de gedaagde] zich tegenover [de eiser] heeft verplicht om goederen voor hem te bewaren en aan hem terug te geven of zorg te dragen voor optimale beveiliging van de eigendommen van [de eiser] , zodat [de gedaagde] in die verplichting ook niet kan zijn tekortgeschoten. De schadevergoedingsvordering van [de eiser] kan daarom niet slagen op de grondslag van de toerekenbare tekortkoming (wanprestatie).
Geen sprake van onrechtmatige daad
4.7.
[de eiser] stelt nog dat sprake is van een onrechtmatige daad. De kantonrechter begrijpt dat [de eiser] daaraan ten grondslag legt dat hij aan [de directeur] zou hebben verteld welke goederen hij van plan was in de kleine opslagbox op te slaan en [de directeur] vervolgens, terwijl hij wist dat de beveiliging te wensen overliet, heeft nagelaten [de eiser] te ontraden waardevolle spullen in de kleine opslagbox op te slaan. Gelet op hetgeen daarover reeds in
rov. 4.3. is overwogen, namelijk dat niet is komen vast te staan dat [de directeur] wist welke goederen [de eiser] in de kleine opslagbox wilde opslaan, kan ook deze grondslag niet leiden tot schadeplichtigheid van [de gedaagde] tegenover [de eiser] .
Conclusie
4.8.
Het een en ander leidt tot de conclusie dat de vordering van [de eiser] zal worden afgewezen. Op de andere door [de gedaagde] gevoerde verweren zal daarom niet inhoudelijk worden ingegaan.
[de eiser] moet de proceskosten betalen
4.9.
[de gedaagde] vordert vergoeding van haar volledige proceskosten. Daar ter zitting naar gevraagd, gaat het volgens [de gedaagde] om een bedrag van € 7.000,00. Volgens [de gedaagde] heeft [de eiser] de procedure nodeloos aanhangig gemaakt en had deze eenvoudig voorkomen kunnen worden. Bovendien heeft [de eiser] de kantonrechter op meerdere punten bewust althans verwijtbaar onjuist en onvolledig geïnformeerd, bijvoorbeeld wat betreft de maandelijks door [de eiser] te betalen huurprijs voor de kleine opslagbox, aldus [de gedaagde] .
4.10.
De kantonrechter stelt voorop dat de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met uitzondering van bijzondere omstandigheden, een exclusieve regeling over de proceskosten bevatten, waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Voor een vergoeding van de volledige proceskosten is alleen in geval van buitengewone omstandigheden aanleiding. Daarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht of een onrechtmatige daad, waarvan pas sprake is als (bijvoorbeeld) het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Bij het aannemen van dergelijk misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen past, gelet op het mede door artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, terughoudendheid.
4.11.
Naar het oordeel van de kantonrechter is in dit geval geen sprake van buitengewone omstandigheden. Aan de hiervoor uiteengezette hoge drempel voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten is dan ook niet voldaan. Aangezien [de eiser] in het ongelijk wordt gesteld, moet hij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.008,00
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, verder te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uit deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
61512/560