ECLI:NL:RBGEL:2026:5734

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
05/181876-25, 05/156593-23 (tul) en 05/000923-22 (tul)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling belaging met oplegging gevangenisstraf en contact- en locatieverbod

De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld voor belaging van zijn ex-vriendin gedurende een periode van ongeveer vier maanden, waarin hij haar herhaaldelijk benaderde via berichten, e-mails en cadeaus, ondanks haar afwijzing.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte stelselmatig en opzettelijk inbreuk maakte op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, maar sprak hem vrij van het oogmerk om vrees aan te jagen omdat geen bedreigingen waren geuit.

Gezien de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn schizofrenie en eerdere veroordelingen, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 10 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Tevens werd een contact- en locatieverbod opgelegd als maatregel ex artikel 38v Sr.

De rechtbank kende aan het slachtoffer smartengeld toe van €2.000 wegens aantasting van haar persoonlijke levenssfeer, maar wees de vordering tot materiële schade af wegens onvoldoende onderbouwing. De voorlopige hechtenis werd verrekend met de straf en de voorwaardelijke straffen uit eerdere zaken werden deels ten uitvoer gelegd.

De straf en maatregelen zijn mede gebaseerd op adviezen van de psychiater en reclassering, die klinische behandeling en intensief toezicht aanbevelen om recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 voorwaardelijk, met contact- en locatieverbod en toekenning van €2.000 smartengeld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/181876-25, 05/156593-23 (tul) en 05/000923-22 (tul)
Datum uitspraak : 15 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] (Sri Lanka),
wonende aan [adres] [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. Achterhoek.
Raadsvrouw: mr. F. van den Heuvel, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 februari 2025 tot en met 14 juni 2025 te [plaats] en/of Barneveld, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever] , door:
  • die [aangever] (veelvuldig) berichten te sturen via internet en/of social media (Pinterest en/of Facebook Messenger en/of andere apps/platforms) en/of
  • die [aangever] (veelvuldig) e-mails te sturen en/of
  • die [aangever] (veelvuldig) cadeaus toe sturen naar het woonadres van die [aangever] en/of
  • aan die [aangever] kenbaar te maken dat hij, verdachte, het woonadres en/of de naam van een vriendin van die [aangever] heeft achterhaald en/of een bericht te sturen met de tekst (zakelijk weergegeven): “every breath you take I was watching you” en/of
  • meermalen aan die [aangever] kenbaar te maken dat hij, verdachte, op of omstreeks 14 juni 2025 naar de woning van die [aangever] komt en/of
  • (vervolgens) op of omstreeks 14 juni 2025 naar de woonplaats van die [aangever] te gaan,
met het oogmerk die [aangever] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
2.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde belaging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit bewezen kan worden.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 22 februari 2025, p. 352-353;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 6 maart 2025, p. 367;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 11 juni 2025, p. 18-22 (incl. bijlagen t/m p. 114);
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 321
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juli 2026.
Deelvrijspraak voor vrees aanjagen
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte niet het oogmerk gehad om [aangever] vrees aan te jagen. Er zijn geen bedreigingen geuit en niet is gebleken dat de verdachte iets anders beoogde dan in contact te komen met haar. De rechtbank zal verdachte hiervan partieel vrijspreken.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
één of meertijdstippen in
of omstreeksde periode van 14 februari 2025 tot en met 14 juni 2025 te [plaats] en/of Barneveld, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever] , door:
  • die [aangever]
  • die [aangever]
  • die [aangever]
  • aan die [aangever] kenbaar te maken dat hij, verdachte,
  • meermalen aan die [aangever] kenbaar te maken dat hij, verdachte, op
  • (vervolgens) op
met het oogmerk die [aangever] , te dwingen iets te doen, niet te doen,
en/ofte dulden
en/of vrees aan te jagen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
belaging.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar en oplegging van de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast is verzocht om te bevelen dat de voorwaarden van de voorwaardelijke straf dadelijk uitvoerbaar zijn. Verder is verzocht aan verdachte een contactverbod met slachtoffer en een locatieverbod voor [plaats] , de woonplaats van het slachtoffer, beide als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) op te leggen voor de duur van vijf jaar, met 14 dagen hechtenis per overtreding met een maximum van 6 maanden. Ook is verzocht te bevelen dat de verboden ex artikel 38v Sr. dadelijk uitvoerbaar zijn.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om een passende oplossing te zoeken waarbij verdachte zo snel mogelijk klinisch wordt behandeld. Het onvoorwaardelijke deel van de straf mag volgens de raadsvrouw niet veel hoger liggen dan de richtlijnen van het openbaar ministerie omdat daarmee een overgang vanuit detentie naar een kliniek kan worden gerealiseerd. Ten aanzien van de hoogte van de voorwaardelijke straf heeft de raadsvrouw opgemerkt dat zij zich kan vinden in een stevige stok achter de deur, maar dat een terugval niet valt uit te sluiten. De raadsvrouw kan zich vinden in het opleggen van een artikel 38v maatregel. Ze vindt het niet passend om bij overtreding van het contact- en/of locatieverbod de gehele voorwaardelijke straf ten uitvoer te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer 4 maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin. Hij heeft haar bestookt met e-mails en berichten via social media platforms. Het ging om tientallen tot meer dan honderd berichten per dag. Het zijn liefdesbetuigingen, links naar liedjes, plaatjes, spreuken, liefdescitaten en Bijbelteksten. Daarnaast stuurde verdachte haar cadeaus: rozen, een knuffelaapje, chocolade harten en boeken. Ondanks stopgesprekken en het uitblijven van een reactie van het slachtoffer op de vele pogingen van verdachte om contact te krijgen, ging hij maar door met het sturen van berichten. Ook liet hij het slachtoffer weten dat hij naar haar toe zou komen en vroeg hij haar geen lingerie te dragen. In de woonplaats van het slachtoffer werd verdachte met voor haar bestemde cadeaus in zijn tas aangehouden. Uit de slachtofferverklaring blijkt de impact van het handelen van de verdachte. Haar gevoel van veiligheid is afgenomen en zij is dag in dag uit gespannen en alert. Zij kan niet meer vanzelfsprekend vertrouwen op veiligheid en rust. Dit heeft invloed op haar sociale contacten, haar werk en haar (gevoel van) vrijheid. Verdachte heeft met zijn gedragingen langdurig stelselmatig opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Hij handelde daarbij vanuit zijn eigen behoefte om zijn gevoelens richting het slachtoffer te uiten.
Strafblad
Uit het uittreksel van de justitiële documentatie betreffende verdachte van 4 maart 2026 blijkt dat hij in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld (belaging van hetzelfde slachtoffer). Aan de verdachte is in die zaak een voorwaardelijke straf van 3 maanden met een contact- en locatieverbod opgelegd met een proeftijd van 3 jaar én een contact- en locatieverbod op grond van de maatregel ex. artikel 38v Sr. Het bewezenverklaarde heeft verdachte gepleegd terwijl hij in de proeftijd zat van voornoemde én nog een andere voorwaardelijk aan hem opgelegde straf. In verband met overtreding van het contactverbod op grond van artikel 38v Sr heeft verdachte in de periode van het bewezenverklaarde in vervangende hechtenis gezeten. Deze feiten en omstandigheden neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee bij de bepaling van de straf (en maatregel).
Rapportages
In het rapport Pro Justitia van de psychiater staat vermeld dat verdachte lijdt aan psychische stoornissen in de vorm van schizofrenie (continu) en een stoornis in het gebruik van cannabis (matig ernstig). Deze psychische stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de bewezenverklaarde belaging en beïnvloedde de gedragingen en gedragskeuzes van verdachte. Ook staat vermeld dat de belaging deels is voortgekomen uit psychotische belevingen van een irreële preoccupatie en waandenkbeelden met betrekking tot het slachtoffer, een jeugdvriendin van verdachte. De psychotische ziekteverschijnselen zijn veroorzaakt door schizofrenie en waarschijnlijk versterkt door habitueel cannabisgebruik en door een eerdere onderbreking van de anti-psychotische medicatie. Geadviseerd wordt om de belaging in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De psychiater schat het risico op herhaling in als matig verhoogd tot hoog. Voor een substantiële beperking van het recidiverisico is een betere/succesvolle behandeling van de schizofrene psychose van belang. Daarvoor wordt een klinische behandeling van langere duur in een gesloten setting zoals een Forensisch Psychiatrische Kliniek geadviseerd met aansluitende resocialisatie naar een instelling voor beschermd wonen en ambulante nazorg door forensisch FACT, onder toezicht van de reclassering. Geadviseerd wordt om het voorgaande in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, met voortzetting van de nog lopende zorg-machtiging voor anti-psychotische medicatie als verplichte zorg.
In het reclasseringsadvies van 8 juni 2026 staat vermeld dat de reclassering het risico op herhaling hoog inschat en het risico op he overtreden van voorwaarden als gemiddeld-hoog. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, een verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een verbod op verdovende middelen, een alcoholverbod, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod. Verder is verzocht om de voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De op te leggen straf
De rechtbank is allereerst van oordeel dat de conclusies en adviezen van de psychiater en de reclassering goed zijn onderbouwd en zij neemt deze over. Zij zal het bewezenverklaarde dan ook in verminderde mate aan verdachte toerekenen en dit in strafmatigende zin bij de strafoplegging betrekken. De rechtbank is verder van oordeel dat sprake is van een ernstig feit met verstrekkende gevolgen voor het slachtoffer. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is dan ook passend en geboden. Gezien het voorgaande is de rechtbank daarnaast van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte klinisch wordt behandeld. De rechtbank acht het van belang, gezien alle feiten en omstandigheden in deze zaak, dat verdachte vanuit detentie direct overgaat naar een kliniek ten behoeve van de voor hem noodzakelijke behandeling. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte op de wachtlijst staat voor een opname bij FPK [kliniek] in [plaats] met een wachttijd van ongeveer 4 maanden. Verdachte zit ten tijde van de uitspraak ruim 6 maanden in voorarrest. Een aanzienlijk langer onvoorwaardelijk strafdeel dan dat verdachte nu in voorarrest zit en zoals geëist door de officier van justitie, acht de rechtbank gelet op de ernst van het feit en de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd, niet passend.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden opleggen, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank de voorwaarden verbinden die de reclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van het contact- en locatieverbod die de rechtbank zal opleggen in het kader van de maatregel ex artikel 38v Sr.
De rechtbank zal de voorwaarden van het voorwaardelijk strafdeel niet dadelijk uitvoerbaar verklaren zoals is verzocht door de officier van justitie, omdat niet wordt voldaan aan het wettelijk vereiste daartoe. Vereist is namelijk dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het woord wederom impliceert dat het bewezenverklaarde misdrijf zo’n misdrijf is. Zo’n misdrijf is deze belaging niet.
Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank een proeftijd van 3 jaar verbinden. Voor een langere proeftijd, zoals verzocht door de officier van justitie, biedt de wet geen mogelijkheden omdat ook hiervoor is vereist dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Zoals hiervoor benoemd, wordt daaraan niet voldaan.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank de voorlopige hechtenis opheffen met ingang van de dag waarop de voorlopige hechtenis gelijk is aan het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen straf.
Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Deze maatregel houdt in dat verdachte voor de duur van vijf jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met het slachtoffer en zich niet mag bevinden in de [plaats] , de woonplaats van het slachtoffer. Het risico op herhaling is hoog, zoals ook blijkt uit het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor belaging van hetzelfde slachtoffer en hij het bij die veroordeling opgelegde contactverbod heeft overtreden en hij -na het uitzitten van de daarvoor opgelegde vervangende hechtenis- het slachtoffer opnieuw heeft benaderd ondanks het nog steeds geldende contactverbod. Een beperkter locatieverbod dan de [plaats] , zoals verzocht door de verdediging, acht de rechtbank niet in het belang van het slachtoffer.
De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis betreft veertien dagen per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, zal de rechtbank bevelen dat de
maatregel dadelijk uitvoerbaaris. Immers is verdachte in 2022 ook veroordeeld voor belaging van hetzelfde slachtoffer en heeft hij het bij dat vonnis opgelegde contactverbod overtreden. Ook heeft hij -na het uitzitten van vervangende hechtenis in verband met het overtreden van hiervoor genoemd contactverbod- het slachtoffer opnieuw benaderd (ondanks het nog steeds geldende contactverbod), hetgeen heeft geresulteerd in de bewezenverklaring van de ten laste gelegde belaging in deze zaak.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 7.281,46 aan materiële schade en € 4.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2025. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen voor wat betreft de kosten voor de overbruggingstherapie (€ 88,-) en voor het smartengeld (€ 4.000,-), met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Voor het overige deel aan materiële schade (gemiste inkomsten ad € 6.153,- en kosten verblijf in Spanje ad € 1.040,46) heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, onder meer omdat het rechtstreeks verband met het strafbare feit onvoldoende is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De verdediging heeft alle gevorderde kostenposten betwist en heeft daarnaast aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
De schadeposten van de gevorderde materiële schade zijn naar het oordeel van de rechtbank tegenover de gemotiveerde betwisting van de verdediging, onvoldoende onderbouwd. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Meer in het bijzonder blijkt onvoldoende dat de betreffende kosten in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde feit. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de bewezenverklaarde belaging is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. De rechtbank overweegt daartoe dat de verdachte gedurende een lange periode de benadeelde stelselmatig heeft lastiggevallen. Zo heeft de verdachte vele honderden berichten aan haar gestuurd. Ook heeft hij cadeaus gestuurd en wilde de verdachte naar het huis van de benadeelde gaan. Daarnaast liet hij in berichten weten dat hij wist wie haar beste vriendin is. De benadeelde heeft dit ervaren als een enorme inbreuk op haar privacy en een aantasting van haar persoonlijke levenssfeer. Zij ondervindt hiervan dagelijks gevolgen in de vorm van verlies van gevoel van veiligheid en rust, gespannenheid en beperking in haar vrijheid, werk en sociale contacten. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer is aangetast in haar persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 onder Pro b BW.
Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal op basis van wat op dit moment door of namens benadeelde is onderbouwd, gebleken en vastgesteld, het smartengeld op een bedrag van € 2.000,- vaststellen.
Daarbij tekent de rechtbank aan dat een nadere onderbouwing en zo nodig bewijslevering van nadere (psychische) gevolgen en immateriële schade tot een hoger schadebedrag kan leiden, welke nadere onderbouwing en bewijslevering echter een onevenredige belasting van het strafproces zou betekenen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot smartengeld. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente
Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Deze is opeisbaar vanaf het moment dat de schade is ontstaan. De rechtbank stelt de datum waarop de wettelijke rente opeisbaar is, vast op de datum gelegen in het midden van de bewezenverklaarde periode, te weten: 14 april 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f Sr. de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9.
De vorderingen tot tenuitvoerlegging (parketnummers 05/000923-22 en 05/156593-23)
De politierechter van de rechtbank Gelderland heeft verdachte op 24 februari 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden (parketnummer 05/000923-22).
De meervoudige strafkamer van de rechtbank Gelderland heeft verdachte op 15 mei 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 240 dagen (parketnummer 05/156593-23)
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straffen omdat het bewezenverklaarde is gepleegd in de proeftijd van die voorwaardelijk opgelegde straffen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat het tenuitvoerleggen van de voorwaardelijk opgelegde straffen disproportioneel is en wijst daarbij op het feit dat verdachte deels ontoerekeningsvatbaar is.
De beoordeling van de rechtbank
Parketnummer 05/000923-22
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een soortgelijk strafbaar feit tegen hetzelfde slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.
Parketnummer 05/156593-23
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat geen sprake is van een soortgelijk strafbaar feit en daarnaast dat het bewezenverklaarde (de belaging) deels is voortgekomen uit de psychische stoornissen waarvoor klinische behandeling noodzakelijk is. De rechtbank acht de tenuitvoerlegging van deze langdurige gevangenisstraf dan ook niet op zijn plaats gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het traject dat de rechtbank voor ogen heeft om het recidiverisico in te dammen.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
10 maanden;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- verdachte zich tijdens de proeftijd voor de duur van de klinische behandeling of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door FPK [kliniek] te [plaats] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op onder andere psychische problematiek, verslavingsproblematiek en agressiebeheersing (stalking). Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een nog te bepalen zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op onder andere psychische problematiek, verslavingsproblematiek en agressiebeheersing (stalking). Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nog nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek en/of ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek en/of ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hiervoor genoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
 meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
 meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf;
 legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende:
o een gebiedsverbod. Het gebiedsverbod houdt in dat verdachte zich gedurende vijf jaren niet bevindt in de [plaats] ;
o een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende vijf jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met: [aangever] , geboren op [geboortedag] 1994;
 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 14 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.
 beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij
  • veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 2.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 2.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 20 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen
 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 24 februari 2022 door de politierechter van de rechtbank Gelderland voorwaardelijk opgelegde straf, te weten drie maanden gevangenisstraf (parketnummer 05/000923-22);
 wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 15 mei 2024 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen af (parketnummer 05/156593-23).
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van Leeuwen (voorzitter), mr. S. Jansen en mr. J.H.B. Bemelmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juli 2026.
mr. J.H.B. Bemelmans is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025261554, gesloten op 16 juni 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.