ECLI:NL:RBGEL:2026:5804

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
12296899 \ VV EXPL 26-51
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 RvArt. 89 RvArt. 430 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzet tegen executie vaststellingsovereenkomst in huurgeschil

In deze zaak vordert huurster schorsing van de executie en uitstel van ontruiming van haar woning. Zij verzet zich op grond van artikel 438 Rv Pro tegen de executie van een vaststellingsovereenkomst die in een proces-verbaal van een rechtszitting is vastgelegd. De kantonrechter past het toetsingskader toe uit het arrest De Zeester en het arrest Ritzen/Hoekstra van de Hoge Raad.

De vaststellingsovereenkomst is een executoriale titel en partijen hebben beoogd hiermee definitief een einde te maken aan hun procedure. De kantonrechter oordeelt dat inhoudelijke bezwaren tegen de vaststellingsovereenkomst niet meer kunnen worden aangevoerd, tenzij sprake is van misbruik van executiebevoegdheid. Huurster heeft geen argumenten aangevoerd die wijzen op een juridische of feitelijke misslag of op nieuwe feiten die een noodtoestand veroorzaken.

Huurster is bovendien in gebreke gebleven met het nakomen van haar verplichtingen, waaronder het te laat betalen van huur en aflossingen, wat al eerder tot ontruiming heeft geleid. De kantonrechter concludeert dat de vaststellingsovereenkomst onverkort geldt en wijst de vordering af. Huurster wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het verzet van huurster tegen de executie van de vaststellingsovereenkomst wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 12296899 \ VV EXPL 26-51
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 7 juli 2026
in de zaak van
[naam huurster],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: huurster,
gemachtigde: mr. P.L.O. van de Waarsenburg,
tegen
STICHTING TALIS,
gevestigd te Nijmegen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: verhuurder,
gemachtigde: mr. M.P.M. van Lierop.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Nijmegen.
De zaak wordt behandeld door mr. M.J.C. van Leeuwen, kantonrechter, bijgestaan door
mr. J.V.R. van Raaij als griffier.
Aanwezig zijn:
- huurster, bijgestaan door mr. Van de Waarsenburg
- [vertegenwoordiger huurder] namens verhuurder, bijgestaan door mr. Van Lierop.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in kort geding met producties 1 tot en met 4;
- de brief met productie namens verhuurder d.d. 3 juli 2026;
- de twee nader ingediende producties namens huurster.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
2. De beslissing
De kantonrechter,
rechtdoende als voorzieningenrechter,
2.1.
wijst de vordering af,
2.2.
veroordeelt huurster in de proceskosten, aan de zijde van verhuurder vastgesteld op € 577,00,
2.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.De beoordeling

3.1.
De kantonrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
3.2.
Huurster vordert schorsing van de executie en daarmee uitstel van ontruiming van haar woning. Die vordering wordt afgewezen en huurster wordt in de proceskosten veroordeeld. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3.3.
Huurster verzet zich in kort geding op grond van artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen de executie van een vaststellingsovereenkomst, die in een proces-verbaal van een rechtszitting tussen partijen is vastgelegd. Het proces-verbaal met deze vaststellingsovereenkomst verschaft op grond van artikel 89 Rv Pro en 430 Rv een executoriale titel.
3.4.
De vraag is wat, bij verzet tegen de executie daarvan, het door de executierechter te hanteren toetsingskader is. De Hoge Raad heeft voor de executie op basis van vonnissen een kader gegeven in zijn arrest van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (De Zeester). De Hoge Raad maakt daarbij onderscheid tussen de executie van een vonnis waartegen een rechtsmiddel is ingesteld of nog openstaat en de executie van een vonnis waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. Dit geval, de executie door een partij van een in een proces-verbaal van een zitting vastgelegde vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de tussen partijen spelende gerechtelijke procedure, sluit aan bij de executie van een vonnis waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat. Met de in het proces-verbaal vastgelegde vaststellingsovereenkomst hebben partijen immers beoogd een (definitief) einde te maken aan de tussen hen lopende procedure. In dit geval dreigt toepassing van de maatstaf voor schorsing van executie voor vonnissen waartegen nog een rechtsmiddel openstaat afbreuk te doen aan de finaliteit die met een gerechtelijke schikking wordt beoogd.
3.5.
Uitgangspunt daarbij is dat in een dergelijk executiegeschil geen inhoudelijke bezwaren meer tegen de inhoud van de vaststellingsovereenkomst kunnen worden aangevoerd, behoudens die welke leiden tot het oordeel dat sprake is van misbruik van executiebevoegdheid door de executant. In het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad is bepaald dat in zo’n geval de maatstaf, zoals vermeld in het arrest Ritzen/Hoekstra (HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575), onverkort geldt. Op grond van die maatstaf kan van misbruik uitsluitend sprake zijn, als hetgeen in het proces-verbaal is vastgelegd op een juridische of feitelijke misslag berust of als de executie op grond van na de ondertekening van het proces-verbaal voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand zal doen ontstaan voor de geëxecuteerde, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
3.6.
Huurster heeft geen argumenten aangevoerd waarom het proces-verbaal niet tussen partijen geldt. Ook is onweersproken dat zij de afspraken uit het proces-verbaal niet is nagekomen. Het betreft niet een enkele niet-nakoming, maar het veelvuldig te laat betalen van de huur en de aflossingen waarbij al een keer ontruiming is aangezegd. Niet valt in te zien wat zij in een bodemprocedure zal aanvoeren dat de geldigheid van het proces-verbaal kan aantasten. Dat is ook niet gesteld. Dat sprake is van een kennelijke misslag of nieuwe omstandigheden die leiden tot een noodtoestand is ook niet gesteld.
3.7.
Dit betekent dat de afspraak tussen partijen onverkort geldt. Zij hebben afgesproken dat als huurster niet nakomt, de huurovereenkomst eindigt. Dit is nu het geval. Het is duidelijk dat de ontruiming grote negatieve gevolgen voor huurster heeft, maar dit kan niet tot een ander oordeel leiden gezien het hiervoor genoemde toetsingskader.
3.8.
Huurster is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten betalen.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.