ECLI:NL:RBGEL:2026:5815

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
ARN 25/553
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:8 AwbArt. 8:41a AwbArt. 8:72 AwbArt. 2.17 ActiviteitenbesluitArt. 2.19 Activiteitenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing op bezwaar maatwerkvoorschriften geluid dierenpension wegens onvoldoende motivering

Eisers, wonend naast een dierenpension, maakten bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal om maatwerkvoorschriften geluid op te leggen aan het dierenpension. Het college had het besluit op bezwaar grotendeels in stand gelaten, maar eisers voerden aan dat het college ten onrechte geen maatwerkvoorschriften had gesteld voor de maximale geluidsniveaus.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het geen strengere normen voor maximale geluidsniveaus heeft gesteld, ondanks het lage referentieniveau ter plaatse. Het college heeft echter in het verweerschrift alsnog een toereikende motivering gegeven, waardoor de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven zonder dat het college opnieuw hoeft te beslissen.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beslissing op bezwaar, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit gehandhaafd blijven. Tevens veroordeelt zij het college tot vergoeding van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar wegens onvoldoende motivering, maar laat de rechtsgevolgen in stand en veroordeelt het college tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/553

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats ] , eisers

(gemachtigde: mr. J.P. Hoegee),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal, het college
(gemachtigde: mr. A.A.J.M. de Kleijn),
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Dierenpension [bedrijf]uit [vestigingsplaats] , het dierenpension
(gemachtigde: mr. C.J.H. Delissen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de beslissing op bezwaar van 20 december 2024. Met de beslissing op bezwaar is het besluit van 27 maart 2024 om aan het dierenpension maatwerkvoorschriften op te leggen gewijzigd in stand gelaten.
1.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Het dierenpension heeft ook schriftelijk gereageerd op het beroep.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, de gemachtigde van het college samen met deskundige ing. F.H.J. Bouwmans en namens het dierenpension [persoon 1] , [persoon 2] en de gemachtigde.

Procesverloop

2. Het dierenpension is gevestigd op het perceel aan de [adres 1] in [vestigingsplaats] en is gericht op de opvang van honden. Eisers zijn eigenaar van de woning op het perceel aan de [adres 2] in [woonplaats ] . Het perceel van eisers grenst aan het perceel van het dierenpension.
2.1.
Op 27 december 2023 heeft het college het dierenpension in kennis gesteld van het voornemen om het dierenpension maatwerkvoorschriften op te leggen waarin onder meer lagere geluidnormen zijn vastgelegd voor het dierenpension (het voornemen). Op dit voornemen heeft het dierenpension op 23 januari 2024 haar zienswijze gegeven.
2.2.
In het besluit van 27 maart 2024 heeft het college het dierenpension maatwerkvoorschriften opgelegd (het primaire besluit). In maatwerkvoorschrift 1.1.1. is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau dat wordt veroorzaakt door het dierenpension aangescherpt. [1] Verder is in het primaire besluit het toegestane aantal aanwezige honden in het dierenpension beperkt tot 15 en moet ter uitvoering van dit aantal een registratie worden bijgehouden. [2]
2.3.
Tegen het primaire besluit hebben zowel eisers als het dierenpension bezwaar gemaakt.
2.4.
Op 22 mei 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland het verzoek van het dierenpension om een voorlopige voorziening afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. [3]
2.5.
Op 20 december 2024 heeft het college besloten op de bezwaren van eisers en het dierenpension (de beslissing op bezwaar). In de beslissing op bezwaar heeft het college het primaire besluit herroepen met uitzondering van maatwerkvoorschrift 1.1.1.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
4. De rechtbank verklaart het beroep van eisers gegrond en vernietigt de beslissing op bezwaar, omdat die niet voldoende is gemotiveerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand te laten. Dat betekent dat het college niet opnieuw hoeft te beslissen op het bezwaar van eisers. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet in werking getreden. Uit artikel 8.1.5, vierde lid, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet volgt als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het oude recht van toepassing blijft tot het besluit onherroepelijk wordt.
5.1.
Op 27 december 2023 heeft het college het voornemen geuit tot het stellen van maatwerkvoorschriften en het dierenpension in de gelegenheid gesteld om haar zienswijzen hiertegen naar voren te brengen. Hiermee heeft het college toepassing gegeven aan artikel 4:8 van Pro de Awb. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 op het besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften van toepassing is. Dat betekent dat op het besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften het recht, waaronder de Wet milieubeheer (Wm) en het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Ten onrechte geen maatwerkvoorschriften gesteld voor de maximale geluidsniveaus?
6. Eisers betogen dat het college ten onrechte heeft nagelaten ook een maatwerkvoorschrift op te nemen voor de maximale geluidsniveaus voor de activiteiten van het dierenpension en zij stellen voor de geluidsnormen hiervoor vast te leggen op 60/55/50 dB(A) voor respectievelijk de dag-,avond- en nachtperiode. Eisers stellen dat ter plaatse een laag referentieniveau is gemeten van 42/40/30 dB(A) en dit referentieniveau voor het college wél aanleiding gaf om een maatwerkvoorschrift op te leggen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Het college heeft volgens eisers onvoldoende gemotiveerd waarom de standaardregeling uit het Activiteitenbesluit wél toereikend is voor de maximale geluidsniveaus, maar niet voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Verder stellen eisers dat uit paragraaf 3.2 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (Handreiking) volgt dat maximale geluidsniveaus zoveel mogelijk moeten worden beperkt en gestreefd moet worden naar maxima van niet meer dan ongeveer 10 dB boven het aanwezige equivalente geluidsniveau. In dit geval wordt daaraan niet voldaan en de norm 70/65/60 dB(A) is veel te ruim in deze situatie, aldus eisers.
6.1.
Het college voert hierover aan dat de geluidgrenswaarden voor de maximale geluidsniveaus van 70/65/60 dB(A) toereikend zijn om geluidhinder voldoende te beperken. Het college stelt dat er geen bijzondere locatie gebonden omstandigheden zijn die tot gevolg hebben dat er stengere normen voor de maximale geluidsniveaus moeten worden gesteld dan de algemeen aanvaarde standaardwaarden uit het Activiteitenbesluit. De enkele omstandigheid dat op grond van een Hinderwetvergunning uit 1993 tot 2019 strengere geluidnormen golden voor de maximale geluidsniveaus voor de activiteiten van het dierenpension, betekent niet dat daarom deze geluidnormen als uitgangspunt kunnen dienen voor de beoordeling van de huidige situatie, aldus het college. Zo stelt het college dat er in het verleden regelmatig geluidvoorschriften werden opgenomen zonder dat daar een onderzoek aan ten grondslag lag.
6.2.
Het dierenpension voert hierover aan dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen maatwerkvoorschrift aan het dierenpension op te leggen voor de maximale geluidniveaus vanuit het oogpunt van geluidhinder. Het dierenpension stelt onder meer dat het voorkomen van geluidsoverlast al is gewaarborgd omdat voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau al stengere geluidnormen zijn opgelegd aan het dierenpension.
6.3.
Op grond van artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag, in afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.19, bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax) vaststellen.
6.4.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de geluidnormen voor de maximale geluidsniveaus die op grond van de Hinderwetvergunning tot 2019 golden strenger waren dan de huidig geldende geluidnormen voor de maximale geluidsniveaus zoals die zijn neergelegd in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Dat is echter niet van doorslaggevend belang, omdat het Activiteitenbesluit geen aanknopingspunt biedt om te oordelen dat het beschermingsniveau onder het Activiteitenbesluit niet zou mogen afnemen ten opzichte hetgeen eerder vergund was, zoals in onderhavige situatie het geval is. [4]
6.5.
Het adviesbureau Abovo Acoustics (Abovo) heeft, in opdracht van het college, het referentieniveau van het omgevingsgeluid bepaald achter de woning van eisers. Dit referentieniveau heeft Abovo vastgesteld met behulp van de resultaten van metingen en berekeningen. [5] Abovo heeft in het door haar opgesteld rapport voorgesteld om de volgende referentieniveaus te hanteren voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode: 42/40/30 dB (A).
6.6.
Het adviesbureau M+P raadgevende ingenieurs BV (M+P) heeft, in opdracht van het college, geluidsmetingen uitgevoerd op het perceel van eisers. Met de geluidsmetingen is de duur van het blaffen en de tijdstippen waarop wordt geblaft vastgelegd voor de duur van een week. [6] M+P concludeert dat op basis van de metingen geen overschrijdingen van de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit zijn geconstateerd voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als de maximale geluidsniveaus. Daarbij merkt M+P wel op dat de geluidsmetingen momentopnames zijn en niet bekend is wat de bedrijfssituatie is en het daarom mogelijk zou kunnen zijn dat er op andere dagen een andere bedrijfssituatie is en hierdoor andere geluidsniveaus kunnen optreden. [7]
6.7.
Het college heeft bij de beslissing op bezwaar een memo van zijn geluidsspecialisten gevoegd die onderdeel uitmaakt van de beslissing op bezwaar. [8] Met deze memo hebben de geluidsspecialisten gepoogd meer duidelijkheid te geven over de argumenten die hebben geleid tot de keuze om voor wat betreft de huidige geluidnormen voor de maximale geluidsniveaus niet af te wijken van het Activiteitenbesluit en dit voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wel te doen. Dit memo heeft het college laten opstellen naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Berg en Dal (de bezwaarschriftencommissie). In deze memo hebben de geluidsspecialisten geconcludeerd dat naar de huidige inzichten een geldende normstelling van 70/65/60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode voor de maximale geluidsniveaus voldoende is om hinder te beperken. Daartoe verwijzen de geluidsspecialisten onder meer naar het Activiteitenbesluit en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 november 2003. [9] In deze uitspraak achtte de Afdeling de grenswaarden voor de maximale geluidniveaus van 70/65/60 dB (A) acceptabel naast een normering voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 40/35/30 dB(A), aldus de geluidsspecialisten. Verder wijzen de geluidsspecialisten op de recentste inzichten zoals die zijn opgetekend in de nota van toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de opvolger van het Activiteitenbesluit, waarin is opgenomen dat de standaard grenswaarden uit het Activiteitenbesluit zijn overgenomen.
6.8.
De rechtbank stelt vast dat er tijdens de metingen door M+P geen overschrijdingen van de grenswaarden uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit zijn gemeten voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als de maximale geluidsniveaus. Zoals de Afdeling al eerder heeft geoordeeld heeft de wetgever deze geluidnormen van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit in beginsel toereikend geacht ter bescherming tegen geluidhinder. Slechts in bijzondere en incidentele situaties kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen. [10]
6.9.
De rechtbank zal zich gelet op het voorgaande slechts beperken tot de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat geen sprake is van een bijzondere en incidentele situatie waarvoor het college strengere geluidnormen had moeten stellen voor de maximale geluidsniveaus voor de activiteiten op het perceel van het dierenpension.
6.10.
De rechtbank oordeelt dat het college in de beslissing op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd dat in dit geval geen sprake is van een bijzondere en incidentele situatie waarvoor het college een strengere geluidnorm had moeten stellen voor de maximale geluidsniveaus die worden veroorzaakt door de activiteiten op het perceel van het dierenpension. Daartoe acht de rechtbank van belang dat in de memo behorend bij de beslissing op bezwaar alleen is gesteld dat de waarden uit het Activiteitenbesluit als aanvaardbaar worden beschouwd, gelet op de uitspraak van de Afdeling en de nota van toelichting bij het Bkl. Daarmee heeft het college in zijn algemeenheid een motivering gegeven, maar niet uiteengezet waarom in dit concrete geval gelet op het (lage) referentiegeluid ter plaatse geen strengere geluidsnormen opgesteld hadden moeten worden voor de maximale geluidsniveaus. De beroepsgrond slaagt.
Tussenconclusie
7. Het beroep is gelet op de voorgaande overweging gegrond en de beslissing op bezwaar moet daarom op grond van artikel 8:72, eerste lid, van de Awb worden vernietigd. Op grond van artikel 8:41a, van de Awb moet de bestuursrechter het geschil zoveel mogelijk definitief beslechten. In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank onderzoeken of op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand kunnen blijven.
7.1.
Het college heeft bij het verweerschrift een aanvullende memo van zijn geluidsspecialisten gevoegd. In deze aanvullende memo hebben de geluidsspecialisten onder meer uiteengezet waarom het uitgangspunt uit de Handreiking dat de piekniveaus ongeveer 10 dB boven het equivalente geluidsniveau mogen liggen vooral is gebaseerd op verouderde inzichten, psycho-akoestische hinderervaring en praktische handhaafbaarheid en niet op een harde natuurkundige grens. Verder hebben de geluidsspecialisten uiteengezet dat dit uitgangspunt onder het vigeur van de Omgevingswet is losgelaten.
7.2.
Met de aanvullende memo heeft het college naar het oordeel van de rechtbank alsnog toereikend gemotiveerd waarom het geen doorslaggevende betekenis toekent aan het uitgangspunt uit de Handreiking om het maximale geluidsniveau van 10 dB boven het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau te hanteren. Daargelaten dat dit uitgangspunt slechts gold voor vergunningsplichtige inrichtingen waarvan in dit geval geen sprake is, hebben de geluidsspecialisten namens het college toegelicht waarom in dit geval ook geen aanleiding bestaat om bij dat uitgangspunt aansluiting te zoeken. Het uitgangspunt is namelijk gebaseerd op verouderde inzichten en is om die reden inmiddels onder de vigeur van de Omgevingswet ook losgelaten. Eisers hebben daarentegen niet aannemelijk gemaakt dat het college in afwijking van de standaardnormen voor de maximale geluidsniveaus in redelijkheid niet anders kon dan strengere geluidnormen opstellen. De enkele omstandigheid dat sprake is van een laag referentieniveau gelet op de rustige omgeving ter plaatse is daarvoor onvoldoende. [11] Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat de maximale geluidsproductie als gevolg van het hondenpension nauwelijks boven de door eisers voorgestelde maximale geluidsniveaus zou uitkomen. Daartoe acht de rechtbank van belang dat de gemeten maximale geluidsproductie waarop eisers een beroep doen is gebaseerd op het meetrapport van M+P. Tijdens de zitting is echter vastgesteld dat dit rapport geen representatieve weergave is van de situatie ter plaatse. Zo waren er slechts 13 honden aanwezig in het dierenpension en waren de metingen aangekondigd bij het dierenpension, terwijl er ruimte is voor 32 honden. Gelet hierop is de stelling van eisers dat het vaststellen van de voorgestelde normen voor het maximale geluidsniveau geen beperkingen oplevert voor de activiteiten van het dierenpension niet zonder meer juist. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het college op te dragen opnieuw op het bezwaar van eisers te beslissen.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond omdat de beslissing op bezwaar een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar, maar het college hoeft geen nieuw besluit te nemen, omdat het in het verweerschrift alsnog een toereikende motivering heeft gegeven.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank het college in de door eiser gemaakte proceskosten. De vergoeding bedraagt voor eisers € 1.868,- omdat hun gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Volledig luidt maatwerkvoorschrift 1.1.1:
2.Deze verplichtingen zijn opgelegd in de maatwerkvoorschriften 1.1.2 en 1.1.3.
3.Uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2024 van de rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2024:3298.
4.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM5587, r.o. 2.6.2.
5.Bepaling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid i.v.m. mogelijk op te leggen maatwerkvoorschriften, 10 oktober 2023, Abovo Acoustics, p. 2-3.
6.Meetonderzoek hondenblafgeluid bij bewoners van de [adres 2] te [woonplaats ] , 9 november 2023, M+P raadgevende ingenieurs BV, p. 4 -5.
7.Meetonderzoek hondenblafgeluid bij bewoners van de [adres 2] te [woonplaats ] , 9 november 2023, M+P raadgevende ingenieurs BV, p. 10.
8.Volledig luidt de naam van deze memo: ‘
9.Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN7237.
10.Uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3463, r.o. 3.3.
11.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4521, r.o. 4.1.