ECLI:NL:RBGEL:2026:5821

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
ARN 24/7318
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift motorrijtuigenbelasting niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

Belanghebbende is houder van een BMW personenauto die sinds augustus 2022 in de bedrijfsvoorraad is opgenomen. De inspecteur legde een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting op voor de periode mei 2022 tot mei 2023, tezamen met een verzuimboete, omdat de auto werd gebruikt voor vervoer van goederen terwijl deze in de bedrijfsvoorraad stond.

Belanghebbende maakte bezwaar, maar het bezwaarschrift bevatte geen gronden. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en deed ambtshalve uitspraak. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ontvankelijk verklaarde maar inhoudelijk ongegrond.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift onvoldoende was gemotiveerd en dat de inspecteur belanghebbende voldoende gelegenheid had gegeven om gronden aan te leveren. De hoorplicht was niet geschonden omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van gronden in het bezwaarschrift.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7318

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 29 juli 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over het tijdvak dat loopt van 26 mei 2022 tot en met 25 mei 2023 opgelegd van € 445 (de naheffingsaanslag).
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 222 opgelegd (de boetebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Gemachtigde heeft op 26 maart 2026 verzocht om een digitale zitting omdat hij op de geplande zittingsdag (22 april 2026) ook een andere zitting in Enschede zou hebben. De rechtbank heeft vervolgens om een onderbouwing gevraagd, waarna gemachtigde aangaf dat de zitting toch door kon gaan omdat de andere zitting een dag later gepland stond. Vervolgens heeft gemachtigde vlak voor de zitting (namelijk op 20 april 2026) opnieuw verzocht om een digitale zitting, omdat hij enkele weken daarvoor zijn stuitje zou hebben gebroken en daardoor niet kon reizen. De rechtbank heeft opnieuw om een motivering gevraagd. In zijn reactie heeft gemachtigde aangegeven aan dat hij moeilijk aan bewijzen kan komen, maar dat hij al zes weken amper kan werken of reizen. Volgens gemachtigde heeft de huisarts na onderzoek vastgesteld dat het stuitje is gebroken en is er verder geen foto of iets dergelijks gemaakt die overgelegd zou kunnen worden. De rechtbank heeft het verzoek om een digitale zitting bij brief van 21 april 2026 bij gebrek aan onderbouwing en gezien het late tijdstip van het verzoek afgewezen. De rechtbank wijst er daarbij op dat gemachtigde naar eigen zeggen reeds zes weken te maken had met deze omstandigheden terwijl het tot twaalf weken kon duren voordat het geheeld was en dus niet valt in te zien waarom niet eerder een verzoek gedaan had kunnen worden, terwijl ook niet valt in te zien dat gemachtigde in het geheel geen onderbouwing kan geven van zijn medische toestand, al was het maar een afspraakbevestiging van de huisarts.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] deelgenomen. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich (na afwijzing van zijn verzoek om een digitale zitting) ziekgemeld, maar niet om aanhouding van de zitting verzocht. De rechtbank heeft ook ambtshalve in de ziekmelding van gemachtigde geen reden gezien om de zitting aan te houden.

Feiten

1. Belanghebbende is houder van een personenauto van het merk BMW, type 320I Cabrio met het kenteken [kenteken] (de auto). Blijkens de kentekenregistratie is de auto sinds 17 augustus 2022 opgenomen in de bedrijfsvoorraad van belanghebbende.
2. Op 25 mei 2023 is geconstateerd dat met de auto, voorzien van de handelaarskentekenplaat [handelskenteken] , gebruik is gemaakt van de weg. De auto bevatte op het moment van de controle goederen in de laadruimte. De toelichting bij het controleformulier vermeldt het volgende:
“Meneer kwam in de verkeerscontrole in Almelo en kon niet het gewenste originele kentekenbewijs tonen deze lag thuis
Hij had net onder gebruik van het handelaars kenteken goederen bij de winkel gehaald.”
3. Bij brief van 12 februari 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vooraankondiging naheffingsaanslag met boete gestuurd. In die brief heeft de inspecteur onder meer vermeld dat het motorrijtuig niet uitsluitend in het kader van de bedrijfsvoorraad en/of uitsluitend voor een herstellingsrit werd gebruikt, maar werd gebruikt voor het vervoer van goederen.
4. Met dagtekening 3 april 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting voor de periode van 26 mei 2022 tot en met 25 mei 2023 opgelegd van € 445. De inspecteur heeft gelijktijdig een boete van € 222 opgelegd.
5. Belanghebbende heeft tegen deze naheffingsaanslag en boetebeschikking bezwaar gemaakt. Dit bezwaarschrift vermeldt onder meer het volgende:
“Hierdoor maakt ondergetekende bezwaar tegen de verhoging met nummer [nummer] (…)
Ik verzoek u eerst het gehele procesdossier toe te sturen, om mij vervolgens een termijn mee te delen om nadere gronden in te dienen.
(…)”
6. De inspecteur heeft op 26 april 2024 de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden. Bij brief van 3 juni 2024 en mail van 4 juli 2024 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om de gronden van het bezwaar in te dienen. In de mail van 4 juli 2024 heeft de inspecteur vermeld dat indien op 18 juli 2024 nog geen gronden zijn ontvangen, hij ambtshalve uitspraak zal doen aan de hand van de gegevens die de inspecteur tot zijn beschikking heeft. De inspecteur heeft geen nadere gronden ontvangen.
7. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 29 juli 2024 heeft de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden ontbreken. De inspecteur heeft geen ambtshalve oordeel gegeven in verband met het ontbreken van de machtiging.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Ontvankelijkheid van het beroep
10. De inspecteur stelt dat het beroepschrift niet ontvankelijk is, omdat het buiten de wettelijke termijn is ontvangen door de rechtbank. De dagtekening van de uitspraak op bezwaar is 29 juli 2024, het beroepschrift is volgens de inspecteur op 17 oktober 2024 ontvangen.
11. De rechtbank is van oordeel dat het beroepschrift ontvankelijk is, omdat het binnen de wettelijke termijn is ontvangen. Het standpunt van de inspecteur berust op een misverstand. Het beroepschrift is op 7 augustus 2024 digitaal ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 17 oktober 2024 wel een ontvangstbevestiging gestuurd, maar de rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2024 dus al ontvangen.
Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
12. Belanghebbende is mening dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging. Volgens belanghebbende is deze machtiging wel overgelegd.
13. De rechtbank constateert dat, anders dan belanghebbende meent, het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het ontbreken van de gronden, niet vanwege het ontbreken van de machtiging.
14. De rechtbank overweegt verder dat een bezwaarschrift ten minste de naam en het adres van de indiener moet bevatten, alsmede de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is en de gronden van het bezwaar. [1] Het bezwaar kan niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan een van voornoemde vereisten mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. [2] Voorts dient de indiener gewaarschuwd te zijn wat de gevolgen zijn als het verzuim niet tijdig hersteld wordt.
15. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de vereiste motivering van het bezwaar samenhangt met de mate waarin het bestreden besluit is gemotiveerd. In zaken waarin een boete speelt, mag de aanduiding van de gronden summier zijn en kan er onder omstandigheden in bestaan dat de belastingplichtige stelt het niet eens te zijn met de voor de verhoging gegeven gronden en daarbij stelt dat standpunt niet nader te kunnen motiveren zonder zichzelf te incrimineren. [3]
16. De rechtbank overweegt dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift enkel heeft aangegeven tegen welk besluit hij in bezwaar komt. Het bezwaarschrift bevat ook geen summiere gronden. Het bezwaarschrift is daarmee onvoldoende gemotiveerd. Een ongemotiveerd bezwaarschrift kan, zoals hierboven reeds overwogen, leiden tot niet-ontvankelijkheid als de inspecteur belastingplichtige in de gelegenheid heeft gesteld om het bezwaar alsnog aan te vullen en hierbij heeft gewezen op de mogelijkheid van niet-ontvankelijkverklaring als de gevraagde motivering niet tijdig wordt ontvangen. Als de inspecteur deze mededeling niet heeft gedaan, moet aan de hand van de omstandigheden van het geval worden beoordeeld of de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand kan blijven. [4] De omstandigheid dat belanghebbende een gemachtigde heeft die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, is op zichzelf beschouwd onvoldoende voor het oordeel dat de niet-ontvankelijkheid in stand kan blijven. [5]
17. De inspecteur vermeldt in de brief van 3 juni 2024 niet expliciet dat het gevolg van het niet overleggen van de gronden niet-ontvankelijkheid van het bezwaar kan zijn. In zijn mail van 4 juli 2024 vermeldt de inspecteur echter wel het volgende: “Heb ik op 18 juli 2024 geen gronden ontvangen dan doe ik ambtshalve uitspraak aan de hand van de gegevens die ik tot mijn beschikking heb.” De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank daarmee wel gewezen op mogelijk negatieve gevolgen van het verzuim. Bovendien had de inspecteur aan gemachtigde reeds eerder een termijn geboden om de gronden over te leggen en is de gemachtigde een professioneel gemachtigde die regelmatig optreedt in dit soort zaken. Naar het oordeel van de rechtbank kan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar daarom in stand blijven.
Is de hoorplicht geschonden?
18. Belanghebbende is van mening dat de heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden door niet te horen voordat hij uitspraak op bezwaar deed. Belanghebbende heeft wel verzocht om te worden gehoord.
19. De heffingsambtenaar stelt dat hij niet verplicht was om belanghebbende te horen omdat het bezwaar niet-ontvankelijk was.
20. Niet in geschil is dat belanghebbende in de bezwaarfase niet is gehoord en wel om een hoorzitting heeft verzocht. Horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Van horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts worden afgezien indien er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de niet-ontvankelijkheid. [6] Nu de rechtbank van oordeel is dat het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard, en hierover redelijkerwijs ook geen twijfel bestond, mocht de inspecteur afzien van het horen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier.
Uitgesproken op 17 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:5, eerste lid, onder a tot en met d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:6, onder a, van de Awb.
3.Hoge Raad 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9880, r.o. 3.5.
4.Hoge Raad 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1048, r.o. 2.3.2.
5.Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1614, r.o. 2.3.3.
6.Zie Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 146.