ECLI:NL:RBGEL:2026:5831

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
ARN 26/2246
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging maatwerkvoorziening Wmo 2015

Verzoeker heeft een maatwerkvoorziening Begeleiding Individueel Extra van 180 minuten per week toegekend gekregen op grond van de Wmo 2015. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem heeft deze voorziening beëindigd omdat verzoeker er geen gebruik van maakte.

Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening. Het college trok het besluit tot beëindiging in, waardoor verzoeker de maatwerkvoorziening behoudt tot en met 31 december 2026. Verzoeker zag echter geen reden om het verzoek om voorlopige voorziening in te trekken, omdat de toegekende begeleiding niet werd uitgevoerd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is, omdat de voorziening formeel is toegekend tot eind 2026. De wijze van uitvoering valt buiten de bevoegdheid van de voorzieningenrechter. Daarom is het verzoek kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen zonder zitting. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2246

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. K.M.J. Schrijver),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college om de aan hem toegekende maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) te beëindigen.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij besluit van 27 november 2025 heeft het college verzoeker op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening in de vorm van Begeleiding Individueel Extra voor 180 minuten per week toegekend. Met het besluit van 24 februari 2026 heeft het college de maatwerkvoorziening beëindigd omdat verzoeker er geen gebruik van maakt.
2.1. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Met het besluit van 5 juni 2026 heeft het college het besluit van 6 maart 2026 (de voorzieningenrechter begrijpt dat bedoeld wordt: het besluit van 24 februari 2026) ingetrokken. Daarmee houdt verzoeker tot en met 31 december 2026 de maatwerkvoorziening ‘Begeleiding Individueel Extra’.
2.2. Verzoeker heeft desgevraagd aangegeven geen reden te zien het verzoek om voorlopige voorziening in te trekken, omdat er geen uitvoering wordt gegeven aan de gegeven aan de toegekende begeleiding.
2.3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Omdat verzoeker tot en met 31 december 2026 een maatwerkvoorziening is toegekend is er geen spoedeisend belang. Dat daar geen uitvoering aan wordt gegeven, maakt dat – wat daar ook van zij – niet anders nu de voorzieningenrechter niet gaat over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de toegekende voorziening. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.