ECLI:NL:RBGEL:2026:5870

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
05/337700-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 5 WVWArt. 19 RVVArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor schuld aan verkeersongeval door kort in slaap vallen, taakstraf voor gevaar veroorzaken

Op 21 september 2025 vond op de A15 bij Echteld een verkeersongeval plaats waarbij verdachte, een beginnend bestuurder, met zijn auto tegen de voor hem rijdende auto van het slachtoffer botste. Het slachtoffer liep zwaar lichamelijk letsel op. Verdachte verklaarde kort in slaap te zijn gevallen achter het stuur, waardoor hij niet tijdig kon remmen.

De officier van justitie vorderde veroordeling voor schuld aan het ongeval op grond van artikel 6 WVW Pro, maar de rechtbank oordeelde dat het enkele moment van in slaap vallen onvoldoende was voor aanmerkelijke schuld. Verdachte werd daarom vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Wel werd vastgesteld dat verdachte door het in slaap vallen gevaar op de weg veroorzaakte, wat strafbaar is onder artikel 5 WVW Pro.

De rechtbank legde verdachte een taakstraf van 40 uur op en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De ernst van de gevolgen voor het slachtoffer, waaronder een hersenschudding en gebroken ruggenwervel, en de impact op zijn leven en dat van zijn gezin, werden meegewogen. Verdachte had geen strafblad en ervoer stress en gezondheidsproblemen na het ongeval.

De rechtbank verwierp het verweer dat artikel 19 RVV Pro voorrang zou hebben op artikel 5 WVW Pro en concludeerde dat het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen was. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de Rechtbank Gelderland te Arnhem op 26 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van schuld aan het ongeval maar veroordeeld voor het veroorzaken van gevaar op de weg met een taakstraf en voorwaardelijke rijontzegging.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/337700-25
Datum uitspraak : 26 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. W.N. Ramnun, advocaat in Breda.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
12 juni 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Echteld, in de gemeente Neder-Betuwe, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),
komende uit de richting van Nijmegen en gaande in de richting van Zaltbommel, daarmede rijdende op de A15, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of
terwijl hij vermoeid was en/of in slaap was gevallen en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of
(daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft gehouden en/of
-heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro voormeld reglement de snelheid van de door hem bestuurde motorrijtuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij met een hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan die voor veilig verkeer ter plaatse geboden was, in aanrijding gekomen met een op voor hem rijdend, toen dicht genaderd zijnde ander motorrijtuig (personenauto),
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Echteld, in de gemeente Neder-Betuwe, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),
komende uit de richting van Nijmegen en gaande in de richting van Zaltbommel, daarmede rijdende op de A15,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of
terwijl hij vermoeid was en/of in slaap gevallen en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of
(daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft gehouden en/of
-heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro voormeld reglement de snelheid van de door hem bestuurde motorrijtuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij met een hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan die voor veilig verkeer ter plaatse geboden was, in aanrijding gekomen met een op voor hem rijdend, toen dicht genaderd zijnde ander motorrijtuig (personenauto), en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Echteld, gemeente Neder-Betuwe als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Autosnelweg A15, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij met een hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan die voor veilig verkeer ter plaatse geboden was, in aanrijding gekomen met een op voor hem rijdend, toen dicht genaderd zijnde ander motorrijtuig (personenauto).
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Feiten en omstandigheden
Uit de bewijsmiddelen in het dossier volgt dat op 21 september 2025 in Echteld, gemeente Neder-Betuwe, een verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de A15. Verdachte reed in een personenauto in de richting van Zaltbommel en kwam uit de richting van Nijmegen. [slachtoffer] reed in zijn auto op diezelfde weg en reed voor de auto van verdachte. [2] De auto van verdachte is tegen de auto van [slachtoffer] aangereden. De auto van [slachtoffer] is als gevolg daarvan (mogelijke meerdere keren) over de kop geslagen. [3]
Verdachte heeft sinds 5 april 2023 een rijbewijs en is dus beginnend bestuurder. [4]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig gereden waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Verdachte heeft een kort moment van afwezigheid gehad en als gevolg daarvan is de botsing ontstaan. Deze gedraging overschrijdt niet de ondergrens van de aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid zoals bedoeld in artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). De raadsman heeft daarnaast vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde bepleit. Het verwijtbare handelen van verdachte is voorzien in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (hierna: RVV). Er is sprake van een lex specialis en de bepaling in de RVV dient voorrang te krijgen op artikel 5 WVW Pro. De raadsman heeft zich ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro?
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro.
Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro, moet sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid en/of onachtzaamheid. Daarbij moet worden gekeken naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet alleen uit de ernst van de gevolgen kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro. Een enkel moment van onoplettendheid is over het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld. Uit de rechtspraak kan evenwel niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt (vgl Hoge Raad 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024: 1398).
De rechtbank stelt allereerst vast dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft overschreden. Hoewel [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte 140 km/u tot 160 km/u moet hebben gereden, zijn er geen objectieve aanwijzingen waaruit blijkt dat verdachte te hard heeft gereden. Er is naar de toedracht van de aanrijding – en in het bijzonder de gereden snelheid – geen nader onderzoek gedaan. Snelheden zijn lastig in te schatten, waardoor de rechtbank op basis van één verklaring niet kan vaststellen dat verdachte de maximumsnelheid van 100 km/u heeft overschreden.
De verdachte heeft verklaard bij zijn verhoor op 21 november 2025 dat hij in ieder geval tussen de 90 en 100 km per uur reed. Dit is ook aannemelijk nu hij op de snelweg reed. De rechtbank stelt daarom wel vast dat hij met een hoge snelheid tegen zijn voorligger is aangereden.
Kort na het plaatsvinden van het ongeval heeft verdachte tegen een verbalisant verklaard dat hij in slaap was gevallen achter het stuur en dat hij daardoor een ongeval had veroorzaakt. [5]
Bij zijn verhoor op 21 november 2025 verklaarde verdachte dat hij naar huis reed, dat hij zijn raam open deed voor frisse lucht en dat toen zijn ogen dicht gingen. […] Verdachte denkt zelf dat hij in slaap is gevallen voor een paar seconden. [6] Tijdens het onderzoek ter zitting heeft verdachte niet onomwonden herhaald dat hij in de auto in slaap is gevallen. In plaats daarvan heeft verdachte de woorden ‘buiten bewustzijn geraakt’ en ‘blackout’ gebruikt. Dat laatste woord heeft hij ook tijdens zijn verhoor bij de politie gebruikt (“het leek op een blackout”). De rechtbank houdt verdachte echter aan de verklaring gegeven bij de politie direct na de aanrijding en bij zijn verhoor, dat hij (kort) in slaap was gevallen. Andere oorzaken voor het ongeval zijn niet aannemelijk geworden.
De rechtbank stelt dus vast dat verdachte het raam van zijn auto heeft open gedaan en dat hij vervolgens in slaap is gevallen, waardoor hij de voor hem rijdende auto dicht is genaderd en niet in staat is geweest op tijd te remmen. Hij is daardoor tegen de voor hem rijdende personenauto gebotst. Deze enkele verkeersfout is echter niet zodanig ernstig van aard dat daaruit geconcludeerd kan worden dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW Pro. Dit zou anders zijn geweest als het in slaap vallen voor verdachte voorzienbaar zou zijn geweest. Dit is echter niet gebleken. Verdachte heeft immers verklaard dat hij zich fit voelde toen hij in de auto stapte en zich ook fit voelde gedurende de rit. Ook betrof dit de eerste keer dat verdachte in slaap viel in een auto. Hij deed zijn raam open en toen viel hij in slaap. Gelet op bovengenoemde omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een kort moment van mentale afwezigheid bij verdachte. Dit enkele moment van afwezigheid is onvoldoende voor de conclusie dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend in de zin van artikel 6 WVW Pro heeft gereden. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.
Is er sprake van het veroorzaken van hinder en/of gevaar op de weg in de zin van artikel 5 WVW Pro?
Vervolgens zal de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van artikel 5 WVW Pro. Daarbij dient te worden vastgesteld of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg werd gehinderd of kon worden gehinderd.
De rechtbank concludeert dat verdachte een kort moment, rijdend over een snelweg, in zijn auto in slaap is gevallen. Hierdoor is verdachte in strijd met artikel 19 RVV Pro niet meer in staat geweest om tijdig de weg te overzien en te stoppen. Hij is daardoor tegen de voor hem rijdende auto gebotst. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door deel te nemen aan het verkeer en daarbij in slaap te vallen, gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt in een verkeersongeval. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat een specialiteitsverhouding tussen artikel 19 RVV Pro en artikel 5 WVW Pro moet leiden tot vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde. Wat er ook zij van de gevolgtrekking die de raadsman aan de gestelde verhouding verbindt, is de rechtbank van oordeel dat de door de verdediging bedoelde specialis (art. 19 RVV Pro) niet alle bestanddelen bevat van de generalis (art. 5 WVW Pro), terwijl er in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten zijn te vinden voor de opvatting dat de beoogde specialis niettemin moet worden beschouwd als een bijzondere strafbepaling.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks21 september 2025 te Echteld, in de gemeente Neder-Betuwe,
in elk geval in Nederland,als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),
komende uit de richting van Nijmegen en gaande in de richting van Zaltbommel, daarmede rijdende op de A15,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en
/of
terwijl hij
vermoeid was en/ofin slaap gevallen en
/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en
/ofzijn aandacht gedurende enige tijd niet
, althans in onvoldoende mate,op het overige verkeer en
/ofde (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en
/of
(daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft gehouden
en/of
-heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden wasen
/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro voormeld reglement de snelheid van de door hem bestuurde motorrijtuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij met een hoge snelheid,
althans met een hogere snelheid dan die voor veilig verkeer ter plaatse geboden was,in aanrijding gekomen met een
opvoor hem rijdend, toen dicht genaderd zijnde ander motorrijtuig (personenauto), en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt
, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
subsidiair:
Overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht te volstaan met het opleggen van een geldboete al dan niet in combinatie met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW Pro door aan het verkeer deel te nemen terwijl hij kennelijk onvoldoende uitgerust was en kort in slaap is gevallen. Hij is daardoor op de auto voor hem gebotst, waarin [slachtoffer] zich bevond. De auto van [slachtoffer] is (mogelijk meerdere keren) over de kop geslagen. [slachtoffer] is als gevolg van dit ongeval zwaar gewond geraakt. Hij had een hersenschudding en een gebroken ruggenwervel en hij ondervindt nog altijd de nadelige gevolgen hiervan. Hij heeft de impact van het ongeval treffend verwoord in zijn schriftelijke slachtofferverklaring. Zijn leven staat sinds het ongeval op zijn kop. Hij moet twee keer per week naar de fysiotherapeut en zijn fysieke herstel is de afgelopen weken gestagneerd. Verder heeft hij toegelicht dat hij ecoloog is en hij nog altijd niet volledig kan werken, waardoor hij onderzoeken niet heeft kunnen uitvoeren. Dit is voor hem een teleurstelling. Daarnaast heeft hij nog altijd last van de naweeën van de hersenschudding. Ten slotte heeft het ongeval ook grote impact gehad op zijn vrouw. Zij heeft [slachtoffer] na het ongeval moeten verzorgen en zij heeft daardoor niet/minder gewerkt.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 13 mei 2026. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder wegens het plegen van strafbare feiten – waaronder ook overtredingen van de Wegenverkeerswet – met politie en justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank heeft ook meegewogen dat verdachte als gevolg van het ongeval veel stress heeft ervaren en na lange tijd weer een epileptische aanval heeft gehad. Hij heeft daarom zes maanden niet mogen rijden en het CBR moet zijn rijgeschiktheid opnieuw beoordelen.
De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank acht in dit geval een geldboete echter niet passend gelet op de ernst van de gevolgen van het verkeersongeval. Alles afwegend, acht de rechtbank een taakstraf van 40 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van twee jaar passend.
De rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. Uit het dossier volgt dat verdachte geen excuses heeft aangeboden aan [slachtoffer] en dat het contact verder via verdachtes broer is verlopen. Ter zitting heeft de broer van verdachte toegelicht dat verdachte drie maanden te vroeg is geboren, waardoor zijn hersenen minder goed ontwikkeld zijn. Verdachte is daardoor communicatief niet sterk en hij vindt het moeilijk om bepaalde dingen te verwoorden. De familie van verdachte heeft daarom (met goede bedoelingen) het contact van hem overgenomen.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op
een taakstraf van 40 (veertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;
 ontzegt verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) maanden;
 bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.D. Leen (voorzitter), mr. J.M. Breimer en mr. G. Pesselse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.I. Nelissen en mr. B. Drost, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.
mr. G. Pesselse en de griffiers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025456720, gesloten op 21 november 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 2-4; de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 12 juni 2026.
3.Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] , p. 11.
4.Het proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 3.
5.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 24.
6.Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 37.