ECLI:NL:RBGEL:2026:5897

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
05.058022.26, 05.051278.26 en 05.343132.25 (gevoegd t.t.z.)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 45 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging ISD-maatregel voor poging zware mishandeling, wederspannigheid en opzetheling

De rechtbank Gelderland heeft op 21 juli 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte, die werd verdacht van meerdere strafbare feiten waaronder poging tot doodslag, poging zware mishandeling, wederspannigheid, mishandeling, opzetheling, wederrechtelijk binnendringen en vernieling. Verdachte werd vrijgesproken van poging tot doodslag, maar veroordeeld voor de overige feiten.

De bewezenverklaring omvat onder meer het met kracht dichtdrukken van de keel van een politieambtenaar, waarbij verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. Ook werd vastgesteld dat verdachte zich met geweld verzette tegen politieambtenaren, mishandeling pleegde jegens zijn partner, een fiets in bezit had waarvan hij wist dat deze door misdrijf was verkregen, een besloten erf betrad zonder toestemming en een dak vernielde.

De rechtbank legde een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op voor de duur van twee jaar, gelet op de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en zijn langdurige verslavingsproblematiek. Diverse schadevorderingen van benadeelden werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing, behalve een immateriële schadevergoeding van €500 aan de politieambtenaar, vermeerderd met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank benadrukte het onaanvaardbare karakter van geweld tegen politieambtenaren en het belang van veiligheid van personen en goederen, en achtte de ISD-maatregel als ultimum remedium passend en noodzakelijk.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar wegens meerdere strafbare feiten, met toekenning van een immateriële schadevergoeding aan de politieambtenaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05.058022.26, 05.051278.26 en 05.343132.25 (gevoegd t.t.z.)
Datum uitspraak : 21 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsvrouw mr. M.H.A. Dibbits, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer
05.051278.26ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 december 2025 te Doetinchem [aangever 1] heeft mishandeld, door die [aangever 1] tegen het been te trappen, tegen een muur te duwen en/of in het gezicht te slaan;
Aan verdachte is in de zaak met parketnummer
05.343132.25ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Lichtenvoorde, gemeente Oost Gelre, een fiets (merk: Cortina), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, in de zaak met parketnummer
05.058022.26ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 22 februari 2026 te Doetinchem, althans in
Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf
om [aangever 2] opzettelijk van het leven te beroven,
- die [aangever 2] met zijn (rechter)hand bij de keel heeft
vastgegrepen en/of
- een of meerdere vingers om de keel van die [aangever 2] heeft
geklemd en/of
-(vervolgens) met een of meerdere vingers kracht heeft gezet op de keel
van [aangever 2] en/of de luchtpijp van die [aangever 2] heeft
dichtgedrukt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 februari 2026 te Doetinchem, in elk geval in
Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf
om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te
brengen,
- die [aangever 2] met zijn (rechter)hand bij de keel heeft
vastgegrepen en/of
- een of meerdere vingers om de keel van die [aangever 2] heeft
geklemd en/of
- ( vervolgens) met een of meerdere vingers kracht heeft gezet op de keel
van [aangever 2] en/of de luchtpijp van die [aangever 2] heeft dichtgedrukt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een
veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 februari 2026 te Doetinchem, in elk geval in
Nederland, [aangever 2] heeft mishandeld door die [aangever 2]
met zijn (rechter)hand bij de keel vast te grijpen en/of die [aangever 2]
met zijn (rechter)hand op/in haar nek/hals te krassen.
2
hij op of omstreeks 22 februari 2026 te Doetinchem, zich met geweld
en/of bedreiging met geweld,
heeft verzet tegen een ambtenaar, [aangever 2] (politieambtenaar)
en/of [aangever 3] (politieambtenaar), werkzaam in de rechtmatige
uitoefening van haar bediening, te weten ter aanhouding van verdachte,
door
- agressief om zich heen te slaan en/of trappende bewegingen te maken
en/of met zijn knieën bewegingen te maken richting die [aangever 2]
en/of [aangever 3] en/of
- die [aangever 2] met zijn (rechter)hand bij de keel vast te grijpen
en/of
- een of meerdere vingers om de keel van die [aangever 2] te
klemmen en/of
-(vervolgens) met een of meerdere vingers kracht te zetten op de keel
van [aangever 2] en/of de luchtpijp van die [aangever 2] dicht te
drukken,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden
enig lichamelijk letsel, te weten een of meer blauwe plekken op/rondom
de keel en/of een of meerdere kras/schaafletsels bij die [aangever 2]
ten gevolge heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 22 februari 2026 te Doetinchem, in de woning, het
besloten lokaal en/of het besloten erf, aan [adres] bij een
ander, te weten bij [aangever 4] , althans bij een ander of anderen dan bij
verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
4
hij op of omstreeks 22 februari 2026 te Doetinchem, althans in
Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een dak, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele toebehoorde aan [aangever 5] , in elk
geval aan een ander dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte in de zaak met parketnummer 05.058022.26 dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, te weten poging tot doodslag. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de zaken met parketnummers 05.051278.26 en 05.343132.25 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 05.058022.26 heeft de raadsvrouw bepleit verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat uit het dossier volgt dat het slachtoffer slechts minimaal letsel heeft opgelopen. Volgens de raadsvrouw kan daarom niet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen. Voor de overige feiten bij dit parketnummer heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Parketnummer
05.051278.26 [1]
Bekennende verdachte
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 6-7;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2026.
Parketnummer
05.343132.25 [2]
Bekennende verdachte
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , p. 5-6;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2026.
Parketnummer
05.058022.26 [3]
Feit 1
Bewijsmiddelen
Aangeefster [aangever 2] heeft verklaard dat zij op 22 februari 2026 in Doetinchem als aspirant-politieambtenaar werkzaam was en zich in de rechtmatige uitoefening van haar bediening bevond. Zij heeft verklaard dat zij probeerde de rechterarm van verdachte te fixeren en dat verdachte zich hiertegen verzette en haar met zijn rechterhand bij de keel greep en zijn vingers om haar keel klemde. Volgens aangeefster zette verdachte daarbij kracht met zijn vingers, waardoor haar luchtpijp gedurende ongeveer tien seconden werd dichtgedrukt en zij geen lucht kreeg. Later zag zij blauwe plekken op haar keel waar zij de vingers van verdachte heeft gevoeld. [4]
Uit de letselbeschrijving blijkt dat [aangever 2] krasletsel had aan de voorzijde van de hals. [5]
Verbalisant [verbalisant 1] heeft beschreven dat hij zag dat verdachte zich hevig verzette en trapte en knieën gaf richting verbalisanten [aangever 2] en [aangever 3] . [6]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich tijdens zijn aanhouding heeft verzet door met zijn armen om zich heen te slaan. Daarbij heeft hij verklaard dat hij aangeefster mogelijk pijn heeft gedaan en haar in de omgeving van haar nek/hals heeft aangeklampt toen hij met zijn armen om zich heen sloeg. [7]
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte zich tijdens zijn aanhouding met kracht heeft verzet tegen een politieambtenaar (aangeefster), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening. Daarbij heeft verdachte aangeefster met kracht bij haar keel gegrepen, meerdere vingers om haar keel geklemd en haar luchtpijp gedurende ongeveer tien seconden dichtgedrukt.
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of deze gedraging kan worden aangemerkt als een poging tot doodslag.
Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is vereist dat verdachte ten minste voorwaardelijk opzet had op de dood van aangeefster. Daarvoor moet worden vastgesteld dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangeefster als gevolg van zijn handelen zou overlijden en die kans bewust heeft aanvaard. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat daarvoor onvoldoende bewijs voorhanden is. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Hoewel het met kracht dichtdrukken van de keel een potentieel levensgevaarlijke gedraging is, kan de rechtbank op grond van de beschikbare bewijsmiddelen niet vaststellen dat door het handelen van verdachte onder de gegeven omstandigheden een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster is ontstaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het dichtdrukken van de keel ongeveer tien seconden heeft geduurd en uit het dossier niet blijkt van bijkomende omstandigheden waaruit volgt dat levensgevaar is ontstaan. Evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte zich bewust is geweest van een aanmerkelijke kans op het overlijden van aangeefster en die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, te weten poging tot doodslag.
De rechtbank is van oordeel dat uit dezelfde bewijsmiddelen wel volgt dat verdachte door het met kracht dichtdrukken van de keel van aangeefster naar zijn uiterlijke verschijningsvorm bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het met kracht dichtdrukken van de keel belemmert immers de ademhaling en kan, ook indien dit slechts een korte tijd duurt, leiden tot ernstig letsel aan de luchtwegen, de halsstructuren of de bloedvaten in de hals. Naar algemene ervaringsregels brengt dergelijk geweld daarom een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich. De hals is immers een lichamelijk kwetsbaar gebied. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde, te weten poging tot zware mishandeling.
Feit 2
Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde volgt dat verdachte zich tijdens zijn aanhouding met geweld heeft verzet tegen aangeefster en haar collega’s. De verbalisanten waren op dat moment werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Verdachte heeft daarbij meermalen om zich heen geslagen, aangeefster bij de keel gegrepen en met meerdere vingers haar keel dichtgedrukt. Verbalisant [aangever 2] heeft hier onder meer blauwe plekken en een kras door opgelopen. Door zich op deze wijze met geweld tegen de ambtshandelingen van aangeefster en haar collega’s te verzetten, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid met enig letsel tot gevolg. De rechtbank acht ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling en de wederspannigheid voortvloeien uit één en dezelfde gedraging. De rechtbank kwalificeert deze feiten daarom als eendaadse samenloop in de zin van artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Feit 3
Bekennende verdachte
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , p. 22-23;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2026.
Feit 4
Bekennende verdachte
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] p. 25-26;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Parketnummer
05.051278.26
hij op
of omstreekste Doetinchem [aangever 1] heeft mishandeld, door die [aangever 1]
-tegen het been te trappen, tegen een muur te duwen en
/ofin het gezicht te slaan.
Parketnummer
05.343132.25
hij op
of omstreeks16 december 2025 te Lichtenvoorde, gemeente Oost-Gelre, een fiets (merk: Cortina),
althans een goedheeft verworven, voorhanden heeft gehad,
en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist
, althans redelijkerwijs had moeten vermoedendat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Parketnummer
05.058022.26

1 subsidiair

hij op
of omstreeks22 februari 2026 te Doetinchem,
in elk geval in
Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf
om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te
brengen,
- die [aangever 2] met zijn (rechter)hand bij de keel heeft
vastgegrepen en
/of
- een of meerdere vingers om de keel van die [aangever 2] heeft
geklemd en
/of
- ( vervolgens) met een of meerdere vingers kracht heeft gezet op de keel
van [aangever 2] en
/ofde luchtpijp van die [aangever 2] heeft dichtgedrukt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op
of omstreeks22 februari 2026 te Doetinchem, zich met geweld
en/of bedreiging met geweld,
heeft verzet tegen een ambtenaar, [aangever 2] (politieambtenaar)
en/of [aangever 3] (politieambtenaar), werkzaam in de rechtmatige
uitoefening van haar bediening, te weten ter aanhouding van verdachte,
door
- agressief om zich heen te slaan en/of trappende bewegingen te maken
en/of met zijn knieën bewegingen te maken richting die [aangever 2]
en/of [aangever 3] en/of
- die [aangever 2] met zijn (rechter)hand bij de keel vast te grijpen
en
/of
- een of meerdere vingers om de keel van die [aangever 2] te
klemmen en
/of
-(vervolgens) met een of meerdere vingers kracht te zetten op de keel
van [aangever 2] en
/ofde luchtpijp van die [aangever 2] dicht te
drukken,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden
enig lichamelijk letsel, te weten een of meer blauwe plekken op/rondom
de keel en/of een of meerdere kras
/schaafletsels bij die [aangever 2]
ten gevolge heeft gehad;
3
hij op
of omstreeks22 februari 2026 te Doetinchem,
in de woning, het
besloten lokaal en/ofhet besloten erf, aan [adres] bij een
ander, te weten bij [aangever 4] ,
althans bij een ander of anderen dan bij
verdachte,in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
4
hij op
of omstreeks22 februari 2026 te Doetinchem,
althans in
Nederland,opzettelijk en wederrechtelijk een dak,
in elk geval enig goed,
dat
/diegeheel
of ten deletoebehoorde aan [aangever 5] ,
in elk
geval aan een ander dan aan verdachte, heeft vernield
en/of beschadigd.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
In de zaak met
parketnummer 05.051278.26
mishandeling.
In de zaak met
parketnummer 05.343132.25
opzetheling.
In de zaken met
parketnummer 05.058022.26
feit 1 subsidiair en feit 2
de eendaadse samenloop van
poging tot zware mishandeling
en
wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
feit 3:
het in het besloten erf bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
feit 4:
vernieling.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (hierna: ISD-maatregel) gevorderd voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich niet verzet tegen oplegging van de ISD-maatregel, maar heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Primair is verzocht de maatregel voor de duur van één jaar op te leggen. Subsidiair is verzocht de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering te brengen op de duur van de maatregel. Meer subsidiair is verzocht een tussentijdse beoordeling te gelasten.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere, deels ernstige, strafbare feiten. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij geweld heeft gebruikt tegen politieambtenaren. Geweld tegen politieambtenaren is onaanvaardbaar en belemmert hen in de uitvoering van hun publieke taak. Bovendien heeft verdachte door zijn handelen een zeer bedreigende en angstaanjagende situatie voor de politieambtenaar doen ontstaan door haar bij de keel te pakken en te drukken. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn partner, een persoon die zich juist binnen de relatie veilig had moeten kunnen voelen. Verder heeft verdachte met het wederrechtelijk binnendringen van een besloten erf de huisvrede van de bewoners geschonden en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling en heeft hij een afdak vernield. Met zijn handelen heeft verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de eigendommen en de rechten van anderen.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor onder andere vernieling, wederspannigheid, bedreiging en het wederrechtelijk binnendringen van een besloten erf.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 20 mei 2026 over verdachte. Daaruit blijkt dat sprake is van langdurige en ernstige verslavingsproblematiek. Verdachte heeft in het verleden meerdere ambulante en klinische behandelingen doorlopen, deze zijn echter telkens negatief voortijdig beëindigd. De reclassering concludeert dat verdachte onvoldoende copingvaardigheden heeft om zijn problemen op adequate wijze het hoofd te bieden. Een (deels) voorwaardelijk kader wordt niet haalbaar geacht, nu eerdere interventies niet succesvol zijn gebleken. Het risico op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. De reclassering adviseert daarom de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, omdat dit voor verdachte de enige mogelijkheid is om te werken aan stabilisatie en een delictvrij bestaan.
De ISD-maatregel kan worden opgelegd als aan een aantal voorwaarden is voldaan.
De rechtbank stelt vast dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 38m, eerste lid, onder 1 en 2, van het Wetboek van Strafrecht en de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de Richtlijn van het Openbaar Ministerie voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaande aan deze feiten (meer) dan drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, dan wel een taakstraf. Gelet op de persoon van verdachte, zoals beschreven in het reclasseringsrapport, en de vele veroordelingen die hij op zijn naam heeft staan, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan.
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de justitiële documentatie van verdachte en de omstandigheid dat aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel is voldaan, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel passend en noodzakelijk is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eerdere ambulante en klinische behandelingen voortijdig zijn beëindigd en eerdere veroordelingen verdachte er kennelijk niet van hebben weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Minder ingrijpende alternatieven zijn niet voorhanden, zodat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel als ultimum remedium is aangewezen. Naar het oordeel van de rechtbank eist de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel.
De rechtbank zal de ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding de maatregel te beperken tot de duur van één jaar. Gelet op de ernst en de duur van de problematiek van verdachte, het hoge recidiverisico en het uitblijven van resultaat van eerdere interventies, acht de rechtbank een maatregel voor de maximale duur noodzakelijk om voldoende tijd te bieden voor stabilisatie en behandeling.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding om een tussentijdse beoordeling als bedoeld in artikel 38n, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht te gelasten, nu daarvoor op dit moment geen concrete aanleiding bestaat.
Verder ziet de rechtbank ook geen aanleiding de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht op de duur van de ISD-maatregel in mindering te brengen. De rechtbank acht het, gelet op het doel van de maatregel, noodzakelijk dat de volledige duur van de maatregel beschikbaar blijft om te werken aan de problematiek van verdachte en het terugdringen van het recidiverisico. Tot slot overweegt de rechtbank dat verdachte ook gedurende een onvoorwaardelijke ISD-maatregel hulp kan krijgen en kan werken aan de door hem ter terechtzitting verklaarde intentie om aan zijn verslavingen te werken.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

Parketnummer 05.051278.26
De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met de zaak met parketnummer 05-051278-26 een vordering ingediend tot vergoeding tussen de € 6.500,00 en € 8.000,00 aan materiële schade voor de kosten van een implantaat en een beugel.
Standpunten
De officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, nu deze niet is onderbouwd met stukken.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank constateert dat de benadeelde partij de gestelde schade op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Nu geen stukken zijn overgelegd of anderszins informatie is verstrekt waaruit het bestaan en de omvang van de gestelde schade kunnen worden afgeleid, kan de rechtbank de vordering niet beoordelen. De benadeelde partij zal daarom in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan alsnog worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.
Parketnummer 05.343132.25
De benadeelde partij [aangever 6] heeft in verband met de zaak met parketnummer 05-343132-25 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij verzoekt om vergoeding van immateriële schade, zonder een concreet bedrag te hebben gevorderd.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, nu weliswaar een vordering is ingediend, maar daarop geen bedrag aan gevorderde schade is vermeld.
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een vordering van de benadeelde partij, nu op het wensenformulier geen bedrag aan gevorderde schade is vermeld. Volgens de verdediging hoeft de rechtbank daarom geen inhoudelijk oordeel over de vordering te geven. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij weliswaar een verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, maar daarop geen concreet bedrag aan gevorderde immateriële schade heeft vermeld. Los daarvan heeft zij niet voldoende feiten en omstandigheden gesteld over de gevolgen van het strafbare feit om tot de conclusie te kunnen komen dat sprake is van immateriële schade. De enkele stelling dat zij angst heeft gehad vanwege het gevoel dat er iemand in haar schuur is geweest, is daarvoor onvoldoende.
De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering alsnog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Parketnummer 05.058022-26, feit 1 subsidiair en feit 2
De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde in de zaken met parketnummer 05.058022.26 een vordering ingediend tot vergoeding van € 500,00, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, nu de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde strafbare feit, de vordering voldoende is onderbouwd en het gevorderde bedrag redelijk is. De officier van justitie heeft verder verzocht de wettelijke rente toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot deze vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank overweegt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij als volgt.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien zij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in haar persoon is aangetast.
Op basis van de bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij is tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden als politiefunctionaris geconfronteerd met geweld van verdachte, waarbij verdachte onder meer haar keel heeft dichtgedrukt. Later voelde zij dat ze last had van haal keel, bijvoorbeeld als ze moest slikken. Ook was sprake van blauwe plekken en een kras op haar keel.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat daarnaast voldoende aannemelijk is geworden dat de aard en ernst van de normschending en de aard en ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat in dit geval aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Dit in aanmerking nemend en mede acht slaand op hetgeen in vergelijkbare gevallen aan schadevergoeding wordt toegewezen, acht de rechtbank een bedrag van € 500,00,- aan immateriële schadevergoeding billijk. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2026, zijnde de datum waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag van volledige voldoening.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Parketnummer 05.058022.26, feit 3
De benadeelde partij [aangever 4] heeft in verband met het onder feit 3 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 05-058022-26 een vordering tot schadevergoeding van € 500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, nu de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde strafbare feit, de vordering voldoende is onderbouwd en het gevorderde bedrag redelijk is.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Overweging van de rechtbank
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 BW Pro heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien zij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in haar persoon is aangetast.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarnaast kan vanwege de aard en de ernst van de normschending sprake zijn van aantasting van de persoon op andere wijze waardoor immateriële schade wordt toegekend zonder dat de immateriële schade wordt onderbouwd. Het gaat dan om een dusdanige normschending dat zonder onderbouwing zonder meer duidelijk is dat sprake is van geestelijk letsel.
De rechtbank stelt voorop dat zij begrijpt dat het wederrechtelijk binnendringen van een besloten erf, mede gelet op de minderjarige leeftijd van de benadeelde partij, ingrijpend kan zijn en gevoelens van angst en onveiligheid kan veroorzaken. Dat levert echter nog geen grond op om immateriële schade toe te kennen. Van een zodanige normschending dat de aard en de ernst van de gevolgen daarvan reeds meebrengen dat sprake is van aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro, is in dit geval geen sprake. Voor vergoeding van immateriële schade is daarom vereist dat met stukken is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel, dat is veroorzaakt door het wederrechtelijk binnendringen van het besloten erf. Dergelijke stukken zijn niet overgelegd. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering als zij dat wenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Parketnummer 05.058022.26, feit 4
De benadeelde partij [aangever 5] heeft in verband met het onder feit 4 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 05-058022-26 een vordering tot materiële schadevergoeding ingediend van in totaal € 5.979,00, waarvan € 149,00 voor een kruimeldief en € 5830,00 voor het afdak.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de vordering niet is onderbouwd met stukken.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat uit de bij de vordering gevoegde offerte niet blijkt welke kosten zien op herstel van de door het bewezenverklaarde veroorzaakte schade. De vordering is daarom onvoldoende onderbouwd. Voor zover nader onderzoek nodig is om de omvang van de schade vast te stellen, levert dat volgens de raadsvrouw een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, nu uit de overgelegde offerte niet kan worden vastgesteld welke kosten zien op het herstel van de schade die rechtstreeks is veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit, de vernieling van het dak. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 45, 55, 138, 180, 181, 300, 302, 350, 416 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte in de zaak met parketnummer 05.058022.26 vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partijen
 veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 05-058022-26 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 500,00 aan immateriële schade, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 22 februari 2026, tot aan de dag dat het volledige bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag te betalen van € 500,00 aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan 5 (vijf) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 verklaart benadeelde partij [aangever 1] in de zaak met parketnummer 05.051278.26 niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schadevergoeding;
 verklaart benadeelde partij [aangever 6] in de zaak met parketnummer 05.343132.25 niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schadevergoeding;
 verklaart benadeelde partij [aangever 4] in de zaak met parketnummer 05.058022.26 ten aanzien van feit 3 niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schadevergoeding;
 verklaart benadeelde partij [aangever 5] in de zaak met parketnummer 05.058022.26 ten aanzien van feit 4 niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schadevergoeding.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. El Kadi (voorzitter), mr. E.H.T. Rademaker en mr. W.H.S. Duinkerke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Tuk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2026.
mr. El Kadi en mr. Duinkerke zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025587580, gesloten op 16 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025607168, gesloten op 18 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
3.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026088052, gesloten op 9 april 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
4.Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 6-7.
5.Forensisch-medische letselbeschrijving, p. 14-21.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 54.
7.De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2026.