ECLI:NL:RBGEL:2026:5917

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
C/05/457110
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:17 lid 1 BWArt. 3:99 BWArt. 3:105 BWArt. 3:106 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt eigendom strook grond door bevrijdende verjaring in burenruzie

In deze burenruzie tussen twee eigenaren van aangrenzende percelen staat de juridische erfgrens en eigendom van een strook grond ter discussie. Eiser stelt dat de fundamenten van een oude muur de erfgrens vormen en dat hij eigenaar is van de strook grond door verjaring. Gedaagde betwist dit en wijst op de kadastrale grens zoals vastgesteld door het Kadaster.

De rechtbank oordeelt dat de kadastrale grens wordt gevormd door de rode lijn op de aanwijs uit 1995, bevestigd door een grensreconstructie in 2025. Echter, eiser heeft de strook grond tussen de zwarte stippellijn en de rode lijn sinds 2002 onafgebroken en openbaar in bezit gehad, wat voldoende is voor eigendomsverkrijging door bevrijdende verjaring volgens artikel 3:105 BW Pro.

De rechtbank wijst de vorderingen van eiser toe, verklaart de erfgrens conform de fundamenten van de oude muur, verbiedt gedaagde een erfafscheiding elders te plaatsen onder dwangsom, veroordeelt gedaagde in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart dat eiser eigenaar is van de betwiste strook grond door bevrijdende verjaring en verbiedt gedaagde een erfafscheiding elders te plaatsen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/457110 / HA ZA 25-390
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van

1.[naam eiser 1] ,2. [naam eiser 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. M.F.H. van Delft,
tegen

1.[naam gedaagde 1] ,2. [naam gedaagde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. W. Hogenkamp.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 februari 2026
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 mei 2026
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [de eiser] is sinds medio 2002 eigenaar en tevens bewoner van de woning met berging, ondergrond en tuin, weiland en verder toebehoren, staande en gelegen te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres 1] , kadastraal bekend [kadadsterkenmerk 1] . [de gedaagde] is sinds medio februari 2023 eigenaar en tevens bewoner van de woning met berging, ondergrond en tuin, weiland en verder toebehoren op het naastgelegen perceel, staande en gelegen te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres 2] , kadastraal bekend [kadadsterkenmerk 2] .
2.2.
In het relaas van bevindingen van het kadaster van 19 juli staat bij ‘omschrijving van de aangewezen grenzen:
“z.o.z. midden v.h. raster en kant v.d. muur”.
De volgende kaart is bijgevoegd (hierna: de aanwijs):
[ Afbeelding verwijderd ter anonimisatie.]
2.3.
Op 6 mei 2025 heeft het kadaster in opdracht van [de gedaagde] een grensreconstructie gedaan en een relaas van bevindingen opgesteld.
2.4.
De percelen werden in elk geval sinds de verkrijging van het perceel door [de eiser] voor een deel feitelijk gescheiden door een stenen muur (hierna: de muur). Op enig moment zijn partijen met elkaar in gesprek gekomen over vervanging van de muur door een schutting. Medio 2025 heeft [de gedaagde] de muur afgebroken.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert – na eiswijziging – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat door de aanwijs d.d. 19 juli 1995, althans door verjaring de fundamenten van de gesloopte muur de erfgrens vormen tussen de percelen van partijen en de strook grond van de woning bezien van [de eiser] tot aan de fundamenten van de oude muur eigendom is c.q. is geworden van [de eiser] , welk eigendom is ontstaan door aanwijs c.q. verjaring, welke erf “; derhalve heeft te gelden dat wordt gevorderd voor recht te verklaren dat de erfgrens betreft de grens aangegeven op de aanwijs d.d. 19 juli 1995 die begint met een zwarte doorgetrokken verticale lijn vanuit de [straatnaam] tussen de percelen van partijen door, welke lijn overgaat in een zwarte stippellijn c.q. onderbroken lijn, welke eindigt op de met rood gemarkeerde horizontale kadastrale grens(lijn);
[de gedaagde] verbiedt de erfafscheiding op een andere locatie dan de genoemde locatie (fundamenten van de oude muur) te realiseren op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- voor het plaatsen van een erfafscheiding en voorts op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat een erfafscheiding of een deel daarvan op het erf van [de eiser] wordt geplaatst zoals vorenbedoeld met een maximum van € 25.000,--;
[de gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten (waaronder de kosten van de door [de eiser] ten laste van [de gedaagde] gelegde conservatoire beslag/ de taxe betaalt in het kader van de voorlopig getuigenverhoor/schadeloosstelling en het loon betaalt in het kader van het voorlopig deskundigenbericht) te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en nakosten.
3.2.
[de eiser] stelt zich op het standpunt dat de kadastrale grens wordt gevormd door de zwarte stippellijn op de aanwijs (links van de rode verticale lijn naar beneden) en subsidiair dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond tussen de rode lijn en de zwarte lijn op de aanwijs. [de eiser] legt aan het beroep op verjaring het volgende ten grondslag. [de eiser] voert aan dat het de schuur, stal en (de fundamenten van) de muur, die parallel lopen met de stippellijn op de aanwijs, meer dan 20 jaar de feitelijke grens tussen de percelen van partijen hebben gevormd. Deze feitelijke erfgrens is ongewijzigd gebleven vanaf de aankoop van het perceel door [de eiser] in 2002. [de eiser] stelt dat hij de strook grond naast deze feitelijke erfgrens tot aan de rode lijn op de aanwijs in gebruik had als tuin en deze heeft beplant en heeft gebruikt voor bekabeling van verlichting die tegen de stal en de muur was geplaatst. Er is daarmee sprake van inbezitneming en hij is eigenaar van de strook grond geworden op grond van verkrijgende verjaring. Mocht hij niet te goeder trouw worden geacht, dan is [de eiser] op grond van bevrijdende verjaring eigenaar geworden van de strook grond.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer. Volgens hem is de juridische erfgrens de rode lijn die kadastraal is vastgesteld in de aanwijs van 19 juli 1995 door het Kadaster en is de grens bevestigd in de latere reconstructie van 6 mei 2025. [de gedaagde] betwist dat de muur, die er sinds (in ieder geval) 2002 stond, de feitelijke erfgrens markeerde. Ook betwist [de gedaagde] dat de feitelijke erfgrensmarkering sinds 2002 ongewijzigd is gebleven. Volgens [de gedaagde] maakte de muur onderdeel uit van de opstallen op het perceel van [de gedaagde] en stond de muur niet op de erfgrens, maar naast de erfgrens op het perceel van [de gedaagde] De sloop van de muur heeft geen wijziging gebracht in de kadastrale erfgrens, maar [de gedaagde] wenst de nieuwe erfafscheiding wel op de (volgens hem kadastraal vastgestelde) erfgrens te plaatsen. Verder betwist [de gedaagde] dat de betwiste strook grond ter hoogte van de stal door [de eiser] in bezit is genomen. De overstek van de schuur kwam precies tot aan de rode lijn op de aanwijs en de aanwezigheid van deze overstek staat aan inbezitneming in de weg. [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Kadastrale grens is de rode lijn op de aanwijs
4.1.
In deze zaak zijn zowel de kadastrale grens als de juridische erfgrens in geschil. Het meest verstrekkend is het standpunt van [de eiser] dat de feitelijke erfgrens die werd gevormd door de muur, de stal en de schuur bij de aanwijs in 1995 ook als kadastrale erfgrens is aangemerkt. Dat betreft de zwarte stippellijn op de kaart. Volgens [de gedaagde] is de rode lijn echter de kadastrale erfgrens. De erfgrens wordt volgens [de gedaagde] in een aanwijs van het kadaster altijd met een rode lijn weergegeven. Verder zijn bij de reconstructie in 2025 palen in de grond gezet die de kadastrale grens weergeven en deze staan vanaf zijn perceel gezien verder dan waar de muur stond en de stal en de schuur en is dus ook in de reconstructie vastgesteld dat de kadastrale grens de rode lijn is op de aanwijs uit 1995, aldus [de gedaagde]
4.2.
De rechtbank gaat er vanuit dat de kadastrale grens, voor wat betreft de betwiste strook grond, wordt gevormd door de rode lijn op de aanwijs. Indien het standpunt van [de eiser] wordt gevolgd, namelijk dat de zwarte stippellijn door het kadaster als de kadastrale erfgrens is aangemerkt, valt niet in te zien waarom het kadaster destijds de rode lijn heeft ingetekend op de aanwijs. Deze liep immers niet gelijk met enige feitelijke erfgrens. Dat was nu juist de zwarte stippellijn. Daar komt bij dat partijen het er over eens zijn dat de paaltjes die in 2025 door het kadaster in de grond zijn gezet langs de rode lijn op de aanwijs staan en niet langs de zwarte stippellijn. Dit ondersteunt het standpunt van [de gedaagde] dat de rode lijn de kadastrale erfgrens is.
Beroep op bevrijdende verjaring slaagt
4.3.
Uitgaande van de kadastrale grens die wordt gevormd door de rode lijn op de aanwijs, is vervolgens tussen partijen de loop van de juridische erfgrens tussen hun beider percelen op die plek in geschil. Ter zitting is nog een geschil gerezen over de loop van de feitelijke en daarmee mogelijk ook de juridische erfgrens aan de voorzijde van het perceel, te weten het stuk vanaf de [straatnaam] tot aan het begin van de zwarte stippellijn en de rode lijn. Niet in geschil is dat de zwarte doorgetrokken streep die in de aanwijs staat en loopt vanaf de [straatnaam] tot aan het begin van de zwarte stippellijn en de rode lijn, de door het kadaster vastgestelde grens is. In de gewijzigde eis wordt in de verklaring voor recht gevorderd om deze zwarte doorgetrokken streep als erfgrens te bepalen. Dat betekent dat de rechtbank in deze zaak geen oordeel kan vellen over de vraag of de juridische grens voor die strook op een andere plek zou moeten liggen dan de kadastrale grens (de zwarte doorgetrokken streep). De rechtbank beperkt zich in deze zaak daarom tot de vraag waar de juridische erfgrens loopt vanaf de plek waar de verticale rode lijn en de zwarte stippellijn op de aanwijs beginnen, tot aan de horizontale rode lijn op de aanwijs.
4.4.
[de eiser] stelt zich op het standpunt dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond gelegen tussen de zwarte stippellijn en de rode lijn op de aanwijs. De zwarte stippellijn is volgens hem daarom de juridische erfgrens. [de gedaagde] meent dat geen sprake is van verjaring en dat de kadastrale grens ook de juridische erfgrens is.
Ter beoordeling aan de rechtbank ligt daarom voor de vraag of [de eiser] door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond gelegen tussen de zwarte stippellijn en de rode lijn op de aanwijs. Voor verkrijgende verjaring is op grond van artikel 3:99 BW Pro vereist dat [de eiser] (dan wel zijn rechtsvoorganger(s)) 10 jaar onafgebroken bezitter is geweest van de betwiste strook grond en dat dit bezit te goeder trouw is verkregen. Ook voor een beroep op bevrijdende verjaring is vereist dat [de eiser] dan wel zijn rechtsvoorganger de betwiste strook grond in bezit heeft genomen (art. 3:105 BW Pro). Voor bezit is noodzakelijk dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Daarbij gaat het niet om wat zich in het hoofd van betrokkenen heeft afgespeeld, maar wat er feitelijk is gebeurd. Voor iedere buitenstaander moet duidelijk zijn dat de ander acties heeft verricht waaruit blijkt dat hij eigenaar is van het perceel en het moet voor de eigenaar tegen wie de verjaring loopt ook zodanig duidelijk zijn dat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. [1]
4.5.
[de eiser] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij de strook grond in bezit heeft genomen, gewezen op het feit dat deze strook in ieder geval vanaf 2002 onderdeel uitmaakt van de tuin van zijn perceel. Ter onderbouwing daarvan heeft [de eiser] onder meer verwezen naar diverse getuigenverklaringen (producties 4 t/m 7 bij dagvaarding) en foto’s overgelegd (producties 8, 17, 19 t/m 21 bij dagvaarding), waaruit volgens hem kan worden afgeleid dat de strook grond visueel onderdeel uitmaakt van zijn tuin en dat hij bezitsdaden heeft gepleegd. [de eiser] heeft de grond gebruikt alsof deze van hem is door deze te beplanten en te onderhouden. Zo heeft de heer [hovenier] (hovenier van [de eiser] ) verklaard:
“Tegen de muur over de totale lengte groeien klimop planten, die zijn grotendeels bij het slopen van de muur door de buurman verwijderd”. [de gedaagde] betwist dat sprake was van beplanting tot aan de muur en wijst op de fundering, waar volgens hem geen planten kunnen groeien. Daartoe heeft [de gedaagde] foto’s overgelegd (productie 5 bij conclusie van antwoord). Bovendien sluit het onderhouden van beplanting tegen een muur of nabij een garage volgens [de gedaagde] niet uit dat de muur zich op het perceel van [de gedaagde] bevond. Tot slot levert het onderhouden van groen in de nabijheid van een erfafscheiding volgens [de gedaagde] geen inbezitneming op van de grond.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat het beplanten en onderhouden van de strook grond, anders dan [de gedaagde] meent, in dit geval wel degelijk een uitoefening van de feitelijke macht en daarmee daden van inbezitneming vormen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [de eiser] met verklaringen van getuigen heeft onderbouwd dat het voor anderen duidelijk was dat de strook grond tot de tuin en daarmee het eigendom van [de eiser] behoorde. Ook is niet in geschil dat er kabels voor de elektriciteitsaansluiting van de tuinverlichting van [de eiser] door de strook grond liepen voor verlichting die tegen de oude stal en de muur was geplaatst. Tot slot is de strook grond al die jaren niet bereikbaar geweest voor [de gedaagde] (of diens rechtsvoorgangers), zoals ter zitting erkend door [de gedaagde] Ook daaruit volgt dat [de eiser] dan wel zijn rechtsvoorganger zich heeft gedragen als bezitter van de strook grond. Dit bezit en de feitelijke machtsuitoefening zijn sinds in ieder geval sinds 2002 niet meer gewijzigd en [de gedaagde] (of diens rechtsvoorganger) had hieruit kunnen begrijpen dat [de eiser] de grond voor zichzelf hield en pretendeerde eigenaar te zijn.
4.7.
[de gedaagde] heeft nog opgeworpen dat bij de schuur sprake is van een zogeheten overstek die over de strook grond hangt. Om die reden zou de grond niet in bezit kunnen zijn genomen, aldus [de gedaagde] De rechtbank verwerpt dit betoog. Uit de aanwezigheid van een overstek blijkt niet van de hier vereiste uitoefening van de feitelijke macht over de strook grond door [de gedaagde] in die zin dat daaruit blijkt dat [de gedaagde] tegenover derden de eigendom van het stuk grond pretendeert. Daarmee staat deze overstek dus niet in de weg aan de inbezitneming van de onderliggende strook grond door [de eiser]
4.8.
Gelet op het voorgaande moet geconcludeerd worden dat [de eiser] vanaf 2002, dus meer dan twintig jaar, de strook grond openbaar en ondubbelzinnig in bezit heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de feiten en omstandigheden in deze zaak mee dat [de eiser] bezitter was van de strook grond op het moment dat de verjaringstermijn van de door (de rechtsvoorgangers van) [de gedaagde] in te stellen rechtsvordering tot beëindiging van dat bezit, werd voltooid. Hierdoor is er in ieder geval sprake van eigendomsverkrijging door verjaring op grond van bevrijdende verjaring (art. 3:105 lid Pro juncto art. 3:106 BW Pro). Voor eigendomsverkrijging door bevrijdende verjaring is goede trouw geen vereiste. Daarom kan in het midden blijven of sprake is van goede trouw.
4.9.
De rechtbank zal op grond van het bovenstaande de vorderingen van [de eiser] als volgt toewijzen. De rechtbank zal voor recht verklaren dat de erfgrens tussen de percelen van partijen betreft de grens aangegeven op de aanwijs d.d. 19 juli 1995 die begint met een zwarte doorgetrokken verticale lijn vanuit de [straatnaam] tussen de percelen van partijen door, welke lijn overgaat in een zwarte stippellijn c.q. onderbroken lijn, welke eindigt op de met rood gemarkeerde horizontale kadastrale grens(lijn).
4.10.
[de eiser] heeft verder gevorderd dat de rechtbank [de gedaagde] zal verbieden de erfafscheiding op een andere locatie dan de fundamenten van de muur te realiseren. [de gedaagde] was van plan de erfafscheiding op de kadastrale grens te plaatsen en heeft zich ook verzet tegen dit verbod, omdat de kadastrale grens volgens hem bepalend is. Omdat de rechtbank een andere juridische erfgrens heeft vastgesteld, heeft [de eiser] belang bij toewijzing van deze vordering. De rechtbank zal deze vordering dan ook toewijzen op straffe van verbeurte van een dwangsom zoals in de beslissing omschreven.
4.11.
[de eiser] vordert het vonnis, en daarmee ook de verklaring voor recht, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. In het algemeen kan een verklaring voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat dit doorgaans een beslissing is die niet ten uitvoer kan worden gelegd. Dat is in deze zaak anders. De verklaring voor recht is een rechterlijke uitspraak die de rechtstoestand van een registergoed betreft. Een dergelijke uitspraak kan worden ingeschreven in de openbare registers als deze onherroepelijk is of uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (art. 3:17 lid 1 aanhef Pro en sub e BW). Er valt dan ook niet in te zien waarom het in dit geval niet mogelijk zou zijn om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [de gedaagde] heeft zich daartegen ook niet verzet. Het verzoek van [de eiser] zal daarom worden toegewezen.
4.12.
[de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in hoofdzaak en incident (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.959,00
(3 punten×€ 653,00, tarief II)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.623,47
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat de erfgrens tussen de percelen van partijen betreft de grens aangegeven op de aanwijs d.d. 19 juli 1995 die begint met een zwarte doorgetrokken verticale lijn vanuit de [straatnaam] tussen de percelen van partijen door, welke lijn overgaat in een zwarte stippellijn c.q. onderbroken lijn, welke eindigt op de met rood gemarkeerde horizontale kadastrale grens(lijn),
5.2.
verbiedt [de gedaagde] de erfafscheiding op een andere locatie dan de fundamenten van de oude muur (anders dan op zijn eigen perceel) te realiseren op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor het plaatsen van (een deel van) de erfafscheiding op het erf van [de eiser] ,
5.3.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 2.623,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
822 / 1628