ECLI:NL:RBGEL:2026:5921

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
K/5001/11804949
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:900 BWArt. 3:296 BWArt. 7:225 BWArt. 6:228 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming en uitleg vaststellingsovereenkomst bij huurgeschil over opslagruimte en goederen

Partijen hadden een huurgeschil over een schuur en de daarin opgeslagen goederen, dat leidde tot een vaststellingsovereenkomst op 21 februari 2025. Volgens deze overeenkomst zou gedaagde €7.500 betalen nadat eiser de goederen uit de schuur had opgehaald. Eiser haalde slechts een scooter op en stelde dat hij niet verplicht was de gehele schuur te ontruimen vanwege de slechte staat en asbest.

De kantonrechter paste de Haviltex-maatstaf toe en oordeelde dat eiser de goederen die zijn eigendom zijn uit de schuur moet halen, waarna gedaagde moet betalen. De volledige ontruiming van de schuur werd niet vereist vanwege asbest en onredelijkheid. Eiser is formeel in verzuim omdat hij niet volledig nakwam, maar krijgt een termijn tot 15 september 2026 om alsnog na te komen.

De vorderingen van eiser tot schadevergoeding en ontbinding van de vaststellingsovereenkomst werden afgewezen. De rechter vond onvoldoende onderbouwing voor vernietiging wegens dwaling. De gebruiksvergoeding en achterstallige huur werden eveneens afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Eiser moet de goederen ophalen waarna gedaagde €7.500 betaalt; overige vorderingen afgewezen; proceskosten gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11804949 \ CV EXPL 25-5833
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[naam eiser in conventie],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de eiser in conventie] ,
gemachtigde: mr. J.J. Wolleswinkel,
tegen
[naam gedaagde in conventie],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de gedaagde conventie] ,
gemachtigde: mr. M.C. de Jong en mr. T. Kampert.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 oktober 2025
- de aanvullende producties 13 tot en met 15 van [de gedaagde conventie]
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 31 tot en met 34.
1.2.
Op 22 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De gemachtigden van beide partijen hebben daar het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder besproken is.
1.3.
Hierna heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
[de eiser in conventie] en [de gedaagde conventie] hebben een geschil gehad omtrent, kort gezegd, de verhuur door [de gedaagde conventie] aan [de eiser in conventie] van een schuur en de verkoop door [de gedaagde conventie] van goederen die [de eiser in conventie] in de schuur had opgeslagen. Daarover is tussen partijen een juridische procedure gevoerd, die op 22 november 2023 startte met een dagvaarding door [de eiser in conventie] . Die procedure, die gevoerd is bij dezelfde rechter als nu, is geëindigd op 21 februari 2025 met een proces-verbaal van de mondelinge behandeling waar partijen afspraken met elkaar hebben gemaakt ter beëindiging van hun geschil.
2.2.
In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is, voor zover hier van belang, het volgende vastgelegd:

(…)
1.
[de gedaagde conventie] betaalt aan [de eiser in conventie] een bedrag van € 7.500,00. Dit bedrag moet uiterlijk een week nadat [de eiser in conventie] de goederen heeft laten ophalen, zoals omschreven in punt 4 van deze overeenkomst, zijn betaald op rekeningnummer (…).
2.
[de eiser in conventie] doet afstand van alle potentiële eigendomsrechten van de goederen die in de loods stonden en die daar heden niet meer aanwezig zijn.
3.
De huurovereenkomst tussen partijen wordt met ingang van heden beëindigd met wederzijds goedvinden.
4.
[de eiser in conventie] zal de goederen die heden nog in de loods staan uiterlijk op 21 april 2025 laten ophalen.
(…)
2.3.
Op 24 maart 2025 is de dochter van [de eiser in conventie] naar de schuur gegaan om te bekijken welke goederen daar aanwezig waren. Zij heeft die dag ook foto’s gemaakt. Op 19 april 2025 is door of namens [de eiser in conventie] een scooter uit de schuur opgehaald.
2.4.
Op 22 april 2025 heeft de gemachtigde van [de eiser in conventie] aan de gemachtigde van [de gedaagde conventie] per e-mail bericht dat [de gedaagde conventie] over moest gaan tot betaling van € 7.500,00. Verder schrijft hij: “
Uw cliënt schiet tekort in de nakoming van de overeenkomst - althans heeft aangegeven niet na te komen - en verkeert terzake reeds in verzuim. Onderhavig bericht betreft een ingebrekestelling.
2.5.
[de gedaagde conventie] heeft op 22 april 2025 een exploot van betekening & bevel aan [de eiser in conventie] laten betekenen. Daarin staat het bevel om per direct de goederen die heden nog in de loods staan te laten ophalen.
2.6.
De gemachtigde van [de eiser in conventie] heeft aan de gemachtigde van [de gedaagde conventie] per e-mail op 7 mei 2025 het volgende bericht:

(…) De termijn voor betaling is ruimschoots verstreken. Uw cliënt schiet tekort in de nakoming van de overeenkomst en verkeert terzake in verzuim. Deze tekortkoming betreft de kernprestatie van de overeenkomst en is evident ernstig genoeg om ontbinding te rechtvaardigen. Cliënt gaat bij deze over tot ontbinding van de overeenkomst van 21 februari 2025.
Ten overvloede doet cliënt een beroep op dwaling. Cliënt is akkoord gegaan met het lagere bedrag van € 7.500,- met de voorstelling van zaken dat er uit de spullen nog voordeel te halen was. (…) Cliënt is zelf jaren niet in de opslag geweest. Pas na recent bezoek van de dochter van cliënt werd duidelijk dat de spullen dermate door de elementen zijn aangetast dat deze nagenoeg allen rijp zijn voor de sloop (…). Bij een juiste voorstelling van zaken was cliënt nimmer akkoord gegaan met deze deal. Derhalve gaat cliënt bij deze ten overvloede over tot vernietiging van de overeenkomst.
(…)
2.7.
Op 15 mei 2025 heeft een deurwaarder, op verzoek van [de gedaagde conventie] , de roerende zaken die zich op dat moment in de schuur bevonden opgenomen in een proces-verbaal en daaraan ook 23 foto’s toegevoegd (hierna: pv van bevindingen).

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[de eiser in conventie] vordert bij vonnis, voor zover wettelijk toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad:
I. een verklaring voor recht dat [de gedaagde conventie] jegens [de eiser in conventie] aansprakelijk is voor de schade die [de eiser in conventie] heeft geleden ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming van [de gedaagde conventie] ;
II. een verklaring voor recht dat [de gedaagde conventie] jegens [de eiser in conventie] aansprakelijk is voor de schade die [de eiser in conventie] heeft geleden ten gevolge van onrechtmatig handelen door [de gedaagde conventie] ;
III. veroordeling van [de gedaagde conventie] om aan [de eiser in conventie] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een schadevergoeding van € 217.983,00 te voldoen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der voldoening;
IV. een verklaring voor recht dat [de eiser in conventie] geen achterstallige huur verschuldigd is aan [de gedaagde conventie] en dat er vanaf 20 januari 2021 in het geheel geen huur verschuldigd is;
met veroordeling van [de gedaagde conventie] in de proceskosten.
3.2.
[de eiser in conventie] legt aan de vordering ten grondslag dat partijen op 21 februari 2025 een schikking met elkaar hebben getroffen, maar dat die van de baan is doordat [de eiser in conventie] deze schikking op goede gronden heeft ontbonden of vernietigd. [de eiser in conventie] heeft daarom het recht (opnieuw) volledige schadevergoeding te vorderen vanwege tekortkomingen en onrechtmatig handelen van [de gedaagde conventie] . De wettelijke rente is verschuldigd, omdat [de gedaagde conventie] de schadevergoeding te laat betaalt.
3.3.
[de gedaagde conventie] voert verweer. [de gedaagde conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[de gedaagde conventie] vordert, na vermindering van eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. [de eiser in conventie] te veroordelen tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst van 21 februari 2025 en [de eiser in conventie] te gebieden de opslagruimte aan de [adres] , in [woonplaats] binnen 21 dagen na betekening van het vonnis, dan wel binnen een in goede justitie te bepalen andere termijn, te ontruimen met al wie of wat zich daarop mocht bevinden, ontruimd te houden en daarin niet weer te keren en deze in lege staat ter vrije en algehele beschikking te stellen aan [de gedaagde conventie] ;
II. [de eiser in conventie] te veroordelen tot betaling van € 500,00 per maand, dan wel een in goede justitie te bepalen ander bedrag, vanaf 21 april 2025 tot aan de dag waarop de opslagruimte aan de [adres] , feitelijk is ontruimd, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vervaldatum van iedere maand (zijnde de eerste dag van iedere maand) tot de dag van volledige betaling;
subsidiair
III. de huurovereenkomst voor de opslagruimte aan de [adres] , in [woonplaats] te ontbinden;
IV. [de eiser in conventie] te gebieden de opslagruimte aan de [adres] , in [woonplaats] binnen 21 dagen na betekening van het vonnis, dan wel binnen een in goede justitie te bepalen andere termijn, te ontruimen met al wie of wat zich daarop mocht bevinden, ontruimd te houden en daarin niet weer te keren en deze in lege staat ter vrije en algehele beschikking te stellen aan [de gedaagde conventie] ;
primair en subsidiair
V. het gevorderde onder I en/of IV toe te wijzen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 voor iedere dag dat [de eiser in conventie] hiermee in gebreke blijft, welke dwangsom verschuldigd is 21 dagen na betekening van het vonnis, met een maximum van € 10.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen andere dwangsom;
VI. [de eiser in conventie] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de proceskosten die [de gedaagde conventie] in de voorgaande procedure zelf heeft moeten dragen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.6.
[de gedaagde conventie] legt aan de vordering ten grondslag dat hij en [de eiser in conventie] een schikking hebben getroffen op 21 februari 2025, maar dat [de eiser in conventie] zich niet houdt aan de afspraak om de goederen op te (laten) halen. Hij heeft namelijk enkel een scooter opgehaald; niet meer. Daarom vordert [de gedaagde conventie] dat [de eiser in conventie] tot nakoming veroordeeld wordt (artikel 3:296 BW Pro). Dat betekent dat [de eiser in conventie] alle goederen die op dit moment (nog) in de schuur staan moet ophalen, aldus [de gedaagde conventie] . Die veroordeling moet gepaard gaan met een dwangsom, omdat [de eiser in conventie] geen enkele verplichting voelt om de gemaakte afspraken na te komen. Daarnaast vordert [de gedaagde conventie] een gebruiksvergoeding op grond van artikel 7:225 BW Pro. Subsidiair, voor het geval de huurovereenkomst nog altijd niet is geëindigd, vordert [de gedaagde conventie] ontbinding van de huurovereenkomst. Die ontbinding is gerechtvaardigd, omdat [de eiser in conventie] tekortschiet in de nakoming van zijn verbintenis tot tijdige betaling van huurpenningen. Hij betaalt namelijk al jaren geen huur voor de schuur, aldus [de gedaagde conventie] .
3.7.
[de eiser in conventie] voert verweer. [de eiser in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de gedaagde conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagde conventie] in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.
Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk.
4.2.
Tussen partijen is op 21 februari 2025 een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken (artikel 7:900 BW Pro). De ruimte voor betwisting van de uitkomst van de vaststelling is beperkt. Een vaststellingsovereenkomst kan ontbonden worden (vanwege een tekortkoming in de nakoming) of vernietigd worden (vanwege dwaling), maar een rechter moet terughoudend zijn bij toewijzing van een vordering tot ontbinding en bij de beoordeling van een beroep op dwaling.
4.3.
Een vaststellingsovereenkomst wordt uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Het komt bij uitleg van zo’n overeenkomst dus aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht. Ook komt betekenis toe aan de context van de desbetreffende bepaling, de totstandkomingsgeschiedenis ervan, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of andere uitleg, de aard van de overeenkomst, en de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat partijen ter zitting hebben afgesproken dat [de gedaagde conventie] weliswaar € 7.500,00 aan [de eiser in conventie] moest betalen, maar dat pas hoefde te doen nadat [de eiser in conventie] de goederen die nog in de loods stonden had laten ophalen. Dat staat in punt 1 en 4 van de vaststellingsovereenkomst en eigenlijk zijn partijen het daarover ook eens. Daarom is (de dochter van) [de eiser in conventie] ook bij [de gedaagde conventie] langsgeweest en is de scooter enige tijd later opgehaald. Partijen lopen uit elkaar, qua zienswijze, voor wat betreft de hoeveelheid en soort goederen die [de eiser in conventie] zou ophalen. Volgens [de gedaagde conventie] zou [de eiser in conventie] de schuur (volledig) ontruimen (dat had hij in reconventie in de eerdere procedure gevorderd) en volgens [de eiser in conventie] zou [de eiser in conventie] (enkel) waardevolle spullen uit de schuur mogen ophalen (als een gebaar van [de gedaagde conventie] aan hem), naast het geldbedrag dat hij zou ontvangen. De scooter was het enige goed in de schuur dat nog enige waarde had/bruikbaar was. Meer ophalen uit een schuur die op instorten staat en waar asbesthoudend materiaal te vinden is, kon volgens [de eiser in conventie] niet van hem verwacht worden.
4.5.
Beide partijen geven een te eenzijdige uitleg aan de vaststellingsovereenkomst. De overeenkomst is gesloten ter beëindiging van een geschil en beide partijen hebben, met hun eigen belangen in het achterhoofd en wetende dat er sprake was van onzekerheden (zoals onzekerheid over de precieze staat van de goederen in de schuur), gepoogd een regeling te treffen. Dan past het niet nu (opnieuw) vast te houden aan het eigen gelijk. Kijkend naar de tekst van de vaststellingsovereenkomst, moet in eerste instantie geconstateerd worden dat sprake is van meervoud. Er staat in punt 4 “goederen”, niet “goed”. Het enkel ophalen van een scooter is dus niet voldoende. Echter, een ontruiming van de hele schuur kan ook niet afgesproken zijn, want de schuur bevat naast goederen ook asbesthoudende materialen. Dat [de eiser in conventie] die ook zou “ophalen” kan niet worden aangenomen, want dan was er wel “ontruimen”, “weghalen” of “leeghalen” afgesproken. Bovendien staat er dat [de eiser in conventie] goederen “zal” ophalen en niet “moet” weghalen. Tegen de achtergrond van de bedoeling van partijen dat [de eiser in conventie] een geldbedrag van [de gedaagde conventie] zou ontvangen, ligt het voor de hand aan te nemen dat partijen niet bedoeld hebben dat [de eiser in conventie] per saldo niets aan de afspraak zou overhouden. Dat is wel het geval als de afspraak zou zijn dat hij, tegen (asbestsanerings)kosten, de schuur volledig zou ontruimen en dan pas € 7.500,00 zou krijgen. Die € 7.500,00 zou hij dan namelijk al ruim hebben uitgegeven aan kosten.
4.6.
De kantonrechter legt de vaststellingsovereenkomst daarom als volgt uit:
[de eiser in conventie] moet de goederen uit de schuur (laten) halen die zijn eigendom zijn.
Nadat [de eiser in conventie] dat heeft gedaan, moet [de gedaagde conventie] € 7.500,00 aan [de eiser in conventie] betalen.
4.7.
Concreet betekent dit dat [de eiser in conventie] de volgende goederen moet ophalen/laten ophalen:
  • 1 verroeste compressor
  • 1 frietwagen
  • 5 aanhangwagens, waaronder 1 schamelwagen (met bouwafval als dat op de desbetreffende wagen ligt)
  • 1 houten tafel
  • 5 stoelen
  • diverse gasflessen
  • diverse slangen
  • diverse houten pallets
  • 1 frisdrankautomaat.
4.8.
De kantonrechter komt tot bovengenoemde opsomming door het pv van bevindingen zo exact mogelijk te vergelijken met de opsomming van goederen in punt 34 van de dagvaarding (die gelijk is aan productie 4 bij de dagvaarding). Omdat [de eiser in conventie] in punt 2 van de vaststellingsovereenkomst afstand heeft gedaan van alle potentiële eigendomsrechten van de goederen die in de loods stonden en die daar “heden niet meer aanwezig zijn”, hoeft hij de goederen die niet meer zijn niet op te halen. Daarnaast hoeft hij geen goederen op te halen die niet op zijn eigen lijst staan. [1] Niet gesteld of gebleken is namelijk dat die zijn eigendom zijn. Van hem kan niet verwacht worden dat hij goederen ophaalt die niet van hem zijn. Nakoming in deze zin is niet feitelijk of juridisch onmogelijk en ook niet in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Wel geldt dat van [de eiser in conventie] niet verwacht kan worden dat hij asbesthoudend materiaal weghaalt. Dat materiaal is dan ook niet in bovengenoemde lijst opgenomen. Als in de opsomming in randnummer 4.7 niet wordt gesproken over een concreet aantal, maar over ‘diverse’ dan is - bij discussie - het pv van bevindingen leidend; op basis van de foto’s daarin kan exact worden vastgesteld wat moet worden weggehaald.
4.9.
Strikt genomen is [de eiser in conventie] , doordat hij punt 4 van de vaststellingsovereenkomst niet (volledig) is nagekomen, in verzuim. Omdat de termijn van nakoming (uiterlijk 21 april 2025) ook verstreken is, kan hij niet meer nakomen. Echter, omdat [de gedaagde conventie] in reconventie alsnog nakoming gevorderd heeft en daarmee (kennelijk) van mening is dat nog nagekomen kan en mag worden, zal de kantonrechter [de eiser in conventie] in reconventie tot nakoming veroordelen. De kantonrechter ziet aanleiding [de eiser in conventie] een ruimere termijn te geven voor de nakoming dan de gevorderde 21 dagen, omdat het mogelijk meer tijd vergt om de onder 4.7 genoemde goederen op te halen. Een termijn van twee maanden acht de kantonrechter redelijk, omdat partijen in de vaststellingsovereen-komst ook zo’n termijn waren overeengekomen. Na die twee maanden worden de gevorderde dwangsommen verbeurd, omdat er reden is om er aan te twijfelen dat [de eiser in conventie] deze uitspraak zal naleven.
4.10.
Omdat de primaire vordering van [de gedaagde conventie] grotendeels wordt toegewezen, wordt niet toegekomen aan de subsidiaire (voorwaardelijke) vordering van [de gedaagde conventie] tot ontbinding van de huurovereenkomst. De huurovereenkomst blijft met wederzijds goedvinden beëindigd doordat de vaststellingsovereenkomst blijft gelden.
4.11.
De conventionele vorderingen I tot en met III van [de eiser in conventie] worden afgewezen. Zoals uit het voorgaande volgt, blijft de vaststellingsovereenkomst in stand. De kantonrechter gaat niet over tot ontbinding van de vaststellingsovereenkomst, omdat [de eiser in conventie] zelf in verzuim is en hij als eerste moest presteren. Ook zal niet worden overgegaan tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling (artikel 6:228 BW Pro). De verkeerde voorstelling van zaken zit hem erin, zo begrijpt de kantonrechter [de eiser in conventie] , dat [de eiser in conventie] toen hij de vaststellingsovereenkomst sloot in de veronderstelling is geweest dat de goederen in de schuur in acceptabele staat zouden verkeren. Gebleken is echter dat ze niets meer waard waren/vergaan waren. Op deze wijze heeft [de eiser in conventie] onvoldoende onderbouwd dat tot vernietiging over zou moeten worden gegaan. Zo is onduidelijk gebleven of [de eiser in conventie] [de gedaagde conventie] verwijt dat hij hem een verkeerde inlichting heeft gegeven, hem verwijt dat hij juist geen inlichtingen aan [de eiser in conventie] heeft gegeven of van wederzijdse dwaling uitgaat. Bovendien heeft [de gedaagde conventie] er terecht op gewezen dat een eventuele dwaling van [de eiser in conventie] , als die er al zou zijn, voor zijn eigen rekening behoort te blijven. [de eiser in conventie] wist namelijk al, voordat de vaststellingsovereenkomst tot stand kwam, dat de goederen in de schuur aan weersinvloeden waren blootgesteld en dat de goederen (daarom) een geringe waarde konden hebben.
4.12.
De door [de gedaagde conventie] gevorderde gebruiksvergoeding wordt afgewezen. Het is niet zo dat [de eiser in conventie] , nu de huurovereenkomst geëindigd is, het gehuurde onrechtmatig onder zich houdt. Hij wil(de) geen gebruik meer maken van de schuur. Dat er nog wel goederen van hem in de schuur staan, betekent niet dat hij onrechtmatig gebruik maakt van de schuur. Het betekent enkel dat partijen discussieerden over de vraag wie welke goederen af moest voeren. Die discussie is met dit vonnis beslecht. Daar komt bij dat de schuur niet in dusdanige staat is dat een gebruiksvergoeding van € 500,00 als reëel kan worden gezien. Voor een schuur die niet eens wind- en waterdicht is, is het de vraag of überhaupt een vergoeding mag worden gevraagd. De in conventie gevorderde verklaring voor recht dat geen huur verschuldigd is, wordt daarom toegewezen.
4.13.
[de gedaagde conventie] heeft in reconventie gevorderd dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Uitgangspunt is dat een eisende partij (wat [de gedaagde conventie] in reconventie is) het vonnis direct ten uitvoer kan leggen en hij de uitkomst van een eventueel hoger beroep niet hoeft af te wachten. [de eiser in conventie] heeft juist belang bij behoud van de bestaande toestand totdat op een eventueel hoger beroep is beslist. Omdat [de eiser in conventie] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat zijn belang zwaarder weegt, zal de kantonrechter dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
4.14.
Omdat beide partijen op enkele punten in het ongelijk worden gesteld, worden de proceskosten zowel in conventie als in reconventie gecompenseerd in die zin dat iedere partij belast blijft met de eigen kosten. Dat betekent dat de door [de gedaagde conventie] gevorderde vergoeding van de proceskosten die hij in de voorgaande procedure, die eindigde met de vaststellingsovereenkomst, heeft moeten dragen, ook niet wordt toegewezen.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat [de eiser in conventie] geen achterstallige huur verschuldigd is aan [de gedaagde conventie] en dat er vanaf 20 januari 2021 in het geheel geen huur verschuldigd is,
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.4.
veroordeelt [de eiser in conventie] tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst van 21 februari 2025 in die zin dat hij uiterlijk op 15 september 2026 de volgende goederen ophaalt/laat ophalen:
  • 1 verroeste compressor
  • 1 frietwagen
  • 5 aanhangwagens, waaronder 1 schamelwagen (met bouwafval als dat op de desbetreffende wagen ligt)
  • 1 houten tafel
  • 5 stoelen
  • diverse gasflessen
  • diverse slangen
  • diverse houten pallets
  • 1 frisdrankautomaat,
5.5.
veroordeelt [de eiser in conventie] om aan [de gedaagde conventie] een dwangsom te betalen van € 200,00 voor iedere dag dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.6.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
40141 / 53854

Voetnoten

1.In het pv van bevindingen staat bijvoorbeeld 1 werkbank, terwijl op de lijst van [de eiser in conventie] slechts een ‘draaibank’ voorkomt en dat zijn twee verschillende dingen, waardoor de werkbank niet is opgenomen in randnummer 4.7.