ECLI:NL:RBGEL:2026:5925

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
05.066965.26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 241 SrArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Taakstraf voor rijinstructeur wegens opzetaanranding tijdens rijles

Op 8 juli 2025 heeft verdachte, een rijinstructeur, tijdens een rijles tweemaal de billen van een leerling betast zonder haar toestemming, ondanks duidelijke signalen van verzet. De rechtbank achtte de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en vond voldoende steunbewijs in getuigenverklaringen en WhatsApp-berichten.

De rechtbank kwalificeerde het betasten als een seksuele handeling en concludeerde dat verdachte wist dat de wil van de aangeefster ontbrak, waarmee opzetaanranding wettig en overtuigend bewezen werd. De rechtbank sprak verdachte vrij van gekwalificeerde opzetaanranding omdat onverhoeds handelen en het voorbijgaan aan verzet niet als dwang worden uitgelegd in de nieuwe wetscontext.

De rechtbank legde een taakstraf van 60 uren op, lager dan de eis, rekening houdend met de ernst, omstandigheden en het lage recidiverisico. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De uitspraak werd gewezen door drie rechters op 21 juli 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 60 uur taakstraf voor opzetaanranding, vrijspraak voor gekwalificeerde opzetaanranding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.066965.26
Datum uitspraak : 21 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1970 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. R. van Maaren, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Groessen, althans in Nederland met een persoon, te weten [aangever] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het (meermaals) betasten van de billen van die [aangever] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- voornoemde seksuele handeling onverhoeds te verrichten en/of die [aangever] daarmee te overrompelen en/of
- voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [aangever] .
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Verdachte ontkent met klem seksuele handelingen te hebben verricht met aangeefster. Van steunbewijs is geen sprake.
Beoordeling door de rechtbank
Op 8 juli 2025 heeft [aangever] aangifte gedaan van aanranding. Zij heeft als volgt verklaard. Sinds 10 mei 2025 volgt ze via de rijschool [bedrijf] in Velp autorijles bij verdachte. In eerste instantie verliep het contact laagdrempelig. Tijdens een rijles in juni 2025 zei verdachte tegen aangeefster dat ze erg krampachtig aan het sturen was en legde hij zijn linkerhand op haar rechterbovenbeen tijdens het rijden. Ze vond dit niet prettig, maar op dat moment zocht ze hier niets achter. In de daaropvolgende rijles begon verdachte dubbelzinnige en seksueel getinte opmerkingen naar aangeefster te maken, onder meer over haar kleding en over haar seksleven met haar partner. Toen hij haar tijdens een rijles corrigeerde bij een fout bij het schakelen, zei hij bijvoorbeeld tegen haar:
"Als het niet goed lukt, dan moet je vriend je maar een keer goed naar achter trekken, om je te laten voelen hoe het moet."Toen ze tijdens een rijles na een pauze vroeg of ze de les gingen vervolgen, zei verdachte:
“Ja dat kan tenzij jij hier seks wilt hebben met mij”. Aangeefster ging bewust niet op deze opmerkingen in, omdat ze bang was dat de sfeer dan slechter zou worden in de auto.
Op dinsdag 8 juli 2025 had aangeefster opnieuw rijles van verdachte. Ter hoogte van de Helhoek te Groessen hebben ze de auto stilgezet en zijn ze uitgestapt, zodat verdachte haar vragen kon stellen over technische delen van de auto. Aangeefster stond links voor de auto en verdachte liep om haar heen in de richting van het linkervoorwiel. Nadat ze een vraag over de profieldiepte van de band goed had beantwoord, voelde aangeefster dat er in haar rechterbil werd geknepen door verdachte. Aangeefster schrok hiervan en zei:
“Deze zone is alleen voor mijn vriend en niemand anders hoeft hier aan te komen”, of woorden van gelijke strekking. Verdachte bracht vervolgens zijn linkerarm en linkerhand in de richting van haar rechterbil en kneep nogmaals in haar bil. Dit duurde ongeveer twee seconden. Verdachte zei vervolgens dat hij hier opgewonden van werd. Aangeefster voelde zich onveilig en heeft er de tweede keer niets van gezegd, omdat ze bang was dat het zou escaleren. De rit werd vervolgd naar de plek waar de brommobiel van aangeefster stond, waarna zij naar huis is gereden. Thuis aangekomen heeft aangeefster aan haar vriend verteld wat er was gebeurd. Omdat ze wist dat er geen bewijs was voor het doen van aangifte, heeft ze een Whatsappbericht naar verdachte gestuurd en hem gevraagd of hij wilde beloven dat hij haar niet meer zou aanraken. Ook heeft ze direct telefonisch contact opgenomen met de rijschool [bedrijf] en heeft ze de vertrouwenspersoon van het bedrijf verteld wat er was gebeurd. [2]
Aangeefster heeft screenshots gemaakt van het Whatsappgesprek dat zij met verdachte heeft gevoerd na de betreffende rijles. Daarin is het volgende te lezen:
8 juli 2025 - 15:04 uur - [aangever] :
“Als je beloofd om niet meer aan me te zitten. Is het prima. Ik zit er echt heel erg mee. Dat je af en toe mijn been aan raakte, vond ik niet echt de grens. Maar van mijn billen blijven mensen echt af. Dat kan echt niet.”
8 juli 2025 - 15:05 uur - [verdachte] :
"ja sorry was niet mijn bedoeling, komt goed"
8 juli 2025 - 15:09 uur - [aangever] :
"Vanaf nu is mijn tolerantiegrens echt heel laag bij jou. Ook qua opmerkingen".
8 juli 2025 - 15:10 uur - [verdachte] :
"oke”
8 juli 2025 - 15:12 uur tot 15:13 uur - [aangever] :
"Mijn vriend is echt heel boos nu. Die wil next bellen".
8 juli 2025 - 15:13 uur - [verdachte] :
"Ik was ook niet de bedoeling sorry daar voor" [3]
De heer [getuige 1] , de partner van aangeefster, is door de politie als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat aangeefster overstuur thuiskwam na de rijles. Ze barstte in huilen uit en zei:
"Hij heeft aan mij gezeten."Ze had bij de auto gestaan en verdachte had haar kont vastgepakt. Ook zei ze tegen [getuige 1] dat verdachte eerder aan haar knie had gezeten en dingen tegen haar had gezegd als
“hou de pook maar vast, zoals je jouw vriendje in de avond vasthoudt”. [4]
Ook mevrouw [getuige 2] , vertrouwenspersoon bij rijschool [bedrijf] , is door de politie als getuige gehoord. [getuige 2] heeft verklaard dat aangeefster begin juli 2025 bij de klantenservice van [bedrijf] heeft gemeld dat er iets was gebeurd met een rijinstructeur. Naar aanleiding van deze melding heeft [getuige 2] telefonisch contact met aangeefster opgenomen, waarbij aangeefster vertelde dat ze was aangerand door haar rijinstructeur [verdachte] . Hij zou haar aan de billen over haar spijkerbroek heen hebben aangeraakt en hij zou hebben gezegd dat hij daar opgewonden van werd, of woorden van gelijke strekking. [5]
Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij tijdens een rijles een hand op het been van aangeefster heeft gelegd. Hij deed dit om de spierspanning te controleren. Ook heeft hij tijdens een rijles een mogelijk ongepaste opmerking gemaakt over het gebruik van de pook en daarbij de link gelegd naar de partner van verdachte. Tijdens de rijles op 8 juli 2025 heeft hij samen met aangeefster – staand buiten de auto - naar de banden van de auto gekeken en vragen gesteld die aangeefster goed wist te beantwoorden. Vervolgens heeft hij haar een tikje van ‘goed bezig’ gegeven, dat op haar billen terecht is gekomen. [6] Volgens verdachte was dit tikje bedoeld voor de rug van aangeefster. Op Whatsapp heeft hij hier zijn excuses voor aangeboden. Hij kan zich niet herinneren dat aangeefster heeft gezegd dat deze zone alleen voor haar vriend was, noch dat hij (nogmaals) in haar bil zou hebben geknepen. Ook kan hij zich niet herinneren dat hij andere seksueel getinte opmerkingen heeft gemaakt tijdens de rijlessen.
Betrouwbaarheid en steunbewijs
De rechtbank stelt voorop dat zich in zedenzaken regelmatig de situatie voordoet dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen, te weten het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Verklaringen van de aanwezigen kunnen lijnrecht tegenover elkaar staan. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is een aangifte in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaring van de aangever voldoende wettig bewijs kan opleveren. De rechtbank zal eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster beoordelen. Indien de rechtbank die verklaring betrouwbaar acht, moet worden beoordeeld of deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.
De rechtbank stelt vast dat aangeefster van meet af aan consequent heeft verklaard over wat er tussen verdachte en haar is gebeurd. Na het voorval tijdens de rijles heeft zij diezelfde dag nog melding gemaakt bij de rijschool en aangifte gedaan bij de politie. Zowel in haar melding bij de rijschool als in haar aangifte bij de politie verklaart aangeefster in dezelfde lijn. Ook aan haar vriend heeft aangeefster, afgaande op zijn verklaring, in gelijke zin verteld wat er is gebeurd. Haar verklaring is gedetailleerd over de feitelijke context, de handelingen van verdachte en die van haarzelf en wat er over en weer is gezegd. Uit niets blijkt dat zij haar verklaring (deels) heeft verzonnen of heeft willen aandikken. Ze heeft daar ook geen enkele reden voor. De rechtbank acht haar verklaring daarmee authentiek en betrouwbaar en zal deze als uitgangspunt nemen voor het bewijs.
De rechtbank overweegt voorts dat de verklaring van aangeefster steun vindt in andere bewijsmiddelen in het dossier. Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] volgt dat aangeefster na de rijles overstuur thuiskwam en huilend vertelde dat verdachte aan haar had gezeten en haar kont had vastgepakt, nadat hij eerder seksueel getinte opmerkingen had gemaakt. De door [getuige 1] omschreven gemoedstoestand van aangeefster kort na de rijles past bij haar verklaring over het incident. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank in de omstandigheid dat aangeefster onderweg naar huis eerst een aantal vrienden heeft opgebeld, die door de politie niet als getuige zijn gehoord, geen aanleiding om de getuigenverklaring van [getuige 1] niet aan te merken als steunbewijs. Uit de aangifte volgt immers dat aangeefster direct na de rijles op haar brommobiel naar huis is gereden en daar aan [getuige 1] heeft verteld wat er is gebeurd. Dat eventuele andere mensen die aangeefster na de rijles heeft gesproken niet als getuige zijn gehoord, doet aan de verklaring van [getuige 1] niet af.
De door aangeefster weergegeven gang van zaken tijdens en na de rijles op 8 juli 2025 wordt bovendien ook ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 2] , waaruit volgt dat aangeefster kort na de rijles bij de rijschool melding heeft gemaakt van de aanranding door verdachte en met de vertrouwenspersoon heeft gesproken.
Ook de screenshots van het Whatsappgesprek tussen aangeefster en verdachte na de rijles op 8 juli 2025 zijn ondersteunend aan de verklaring van aangeefster. Daarin is immers te lezen dat aangeefster verdachte confronteert met de gedragingen die ze ook in haar aangifte heeft benoemd, te weten het betasten van haar billen en het aanraken van haar been door verdachte, en met de door hem gemaakte opmerkingen. In zijn reacties ontkent verdachte deze gedragingen niet. Wel biedt hij meermaals zijn excuses aan en schrijft hij dat het niet zijn bedoeling was.
Voorts overweegt de rechtbank dat de aangifte op verschillende essentiële onderdelen wordt ondersteund door de verklaring van verdachte zelf. Ter terechtzitting heeft hij bevestigd dat hij weleens een hand op haar bovenbeen heeft gelegd en dat hij tijdens een rijles een ongepaste opmerking heeft gemaakt over de pook en de vriend van aangeefster. Ook zijn verklaring over de rijles van 8 juli 2025 komt – tot aan het moment van aanraken van aangeefster – volledig overeen met de aangifte. Ook ten aanzien van het aanraken vindt de aangifte steun in de verklaring van verdachte. Verdachte heeft immers verklaard dat hij aangeefster een tikje op haar billen heeft gegeven, al was het volgens hem onbedoeld. Daarmee heeft verdachte bevestigd dat hij aangeefster ten minste eenmaal op haar billen heeft aangeraakt.
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar billen tweemaal heeft betast. Met de aangifte als uitgangspunt, in combinatie met het aanwezige steunbewijs, heeft de rechtbank geen reden om aan deze weergave te twijfelen. De rechtbank gaat daarmee uit van de juistheid van de volledige verklaring van aangeefster en concludeert dat verdachte de handelingen heeft verricht zoals beschreven in de tenlastelegging, te weten het meermaals betasten van de billen van aangeefster.
Seksuele handelingen en ontbrekende wil
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het aanraken van de billen door verdachte kan worden aangeduid als seksuele handeling. Daarvan is onder meer sprake indien de handeling bestaat uit een op een seksuele beleving gerichte aanraking van lichaamsdelen. Ook het over de kleding aanraken van seksuele lichaamsdelen zoals billen kan worden aangemerkt als seksuele handeling.
Gelet op de wijze waarop verdachte heeft gehandeld en de context waarin deze handelingen hebben plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval sprake was van seksuele handelingen. Verdachte heeft de billen van aangeefster tot tweemaal toe aangeraakt, terwijl zij na de eerste keer duidelijk had aangegeven dat zij daar niet van gediend was. Daarmee heeft verdachte haar niet alleen overrompeld door haar tijdens een rijles onverhoeds aan te raken, maar is hij ook bewust voorbijgegaan aan signalen van verzet en weerstand van aangeefster. De rechtbank concludeert dat verdachte welbewust heeft gehandeld, terwijl hij wist dat de wil daartoe bij aangeefster ontbrak. De seksuele aard van deze handelingen kan verder worden afgeleid uit het grensoverschrijdende gedrag dat verdachte tijdens eerdere rijlessen richting aangeefster (zijn studente) had vertoond, waaronder het (zonder toestemming en/of melding vooraf) aanraken van haar been en het maken van ongepaste en seksueel getinte opmerkingen, waarvan de opmerking over de partner van aangeefster door verdachte ter terechtzitting is bevestigd.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat, ook indien er bij verdachte geen sprake zou zijn geweest van een seksuele intentie, zoals hij zelf heeft verklaard, die omstandigheid de seksuele aard van de handeling en de strijd met een sociaal-ethische norm niet per definitie wegneemt. Voor het aanmerken als seksuele handeling is de feitelijke handeling doorslaggevend. Het geven van een tikje op de billen dient gelet op de eerder genoemde omstandigheden van het geval als een seksuele handeling in de zin van de wet worden gekwalificeerd.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde opzetaanranding van aangeefster, door tegen haar wil meermaals haar billen te betasten.
Vrijspraak van gekwalificeerde opzetaanranding
Aan verdachte is voorts ten laste gelegd dat zijn handelen gepaard is gegaan met dwang, geweld en/of bedreiging (gekwalificeerde opzetaanranding), doordat verdachte onverhoeds heeft gehandeld en voorbij is gegaan aan signalen van verzet en weerstand van aangeefster. De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is geweest van geweld of bedreiging. Ten aanzien van de vraag of er sprake was van dwang, overweegt de rechtbank als volgt.
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 241, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit artikel is in 2024 in werking getreden als onderdeel van de Wet seksuele misdrijven. Eén van de belangrijke veranderingen ten opzichte van de oude wetgeving is dat voor strafbaarheid van aanranding niet langer is vereist dat de dader een ander opzettelijk door gebruik van of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingt tot het ondergaan van seksuele handelingen. Voor strafbaarheid volstaat thans dat de dader seksuele handelingen verricht terwijl hij weet dat bij de ander daartoe de wil ontbreekt. De wetgever heeft het onverhoeds handelen benoemd als een van de gevallen waarbij het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het vereiste opzet heeft gehad.
Onder de oude wetgeving kon onverhoeds handelen ook worden gekwalificeerd als “dwingen”. Gelet op de voornoemde wijzigingen in de wetgeving, is het de vraag of dit ook geldt voor de betekenis die in het nieuwe artikel 241 lid 2 Sr Pro aan het bestanddeel “dwingen” wordt gegeven. De wetsgeschiedenis van dit artikel is niet eenduidig over deze vraag. Nu ook richtinggevende jurisprudentie over dit vraagstuk nog ontbreekt, zal de rechtbank zich bij haar oordeel over de uitleg van het bestanddeel ‘dwingen’ mede baseren op wetssystematische overwegingen. Bij twijfel over de reikwijdte van de strafbepaling, dient deze beperkt te worden uitgelegd. Om die reden zal de rechtbank het bestanddeel ‘dwingen’ in artikel 241 lid 2 Sr Pro dan ook beperkt uitleggen en daartoe niet rekenen het onverhoeds handelen. Anders gezegd, naar het oordeel van de rechtbank is er voor de gekwalificeerde opzetaanranding (het toepassen van dwang) meer nodig dan dat de verdachte onverhoeds heeft gehandeld. Het zou een te grote stap zijn als onverhoeds handelen niet alleen opzet oplevert, maar ook dwang. De rechtbank past deze zelfde redenering toe op het voorbijgaan aan de signalen van verzet en weerstand van aangeefster, nu zij ook deze omstandigheid heeft meegewogen bij de beoordeling dat er bij verdachte sprake was van het vereiste opzet. Daarbij merkt de rechtbank op dat het onverhoeds seksueel handelen waarbij voorbij wordt gegaan aan de signalen van aangeefster niet straffeloos is. Integendeel, deze gedragingen zijn strafbaar als opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, eerste lid, Sr.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het strafverzwarende onderdeel, te weten de gekwalificeerde opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, tweede lid, Sr.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks8 juli 2025 te Groessen
, althans in Nederlandmet een persoon, te weten [aangever] ,
een of meerseksuele handelingen heeft verricht, te weten het
(meermaals
)betasten van de billen van die [aangever] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak,
en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging,door
- voornoemde seksuele handeling onverhoeds te verrichten en
/ofdie [aangever] daarmee te overrompelen en
/of
- voorbij te gaan aan de verbale
en/of non-verbalesignalen van verzet/weerstand van die [aangever] .
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Opzetaanranding

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 150 uren wordt opgelegd, te vervangen door 75 dagen hechtenis als de taakstraf niet (naar behoren) wordt uitgevoerd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft (subsidiair) geen strafmaatverweer gevoerd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van aangeefster tijdens een rijles. Terwijl verdachte buiten de lesauto met aangeefster de technische onderdelen van de auto besprak, heeft hij tegen haar wil meermalen haar billen betast. Daarmee heeft verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit, maar ook haar gevoel van veiligheid aangetast. Zij had er als leerling vanuit mogen gaan dat zij rijles zou krijgen zonder dat zij geconfronteerd zou worden met grensoverschrijdend gedrag. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij in zijn positie als rijinstructeur misbruik heeft gemaakt van de situatie, dat hij geen rekening heeft gehouden met de impact daarvan op aangeefster en dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor dit gedrag door dit te blijven ontkennen. Hij heeft daarmee haar vertrouwen geschaad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van 8 juni 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het advies van de reclassering van 23 juni 2026. Daaruit volgt dat verdachte zijn leven op orde heeft en dat er geen problemen zijn gesignaleerd rondom de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. De reclassering heeft daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.
De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken door rechters zijn opgelegd.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen van 60 uren. Deze straf is lager dan de eis van de officier van justitie. Hierbij speelt een rol dat de rechtbank tot een vrijspraak komt voor dwang, geweld en/of bedreiging.

8.De beoordeling van de civiele vordering

[aangever] heeft als benadeelde partij een vordering een tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert in totaal € 1.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder wordt om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Primair is daartoe gewezen op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging daartoe aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, omdat concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad ontbreken en in deze zaak niet kan worden gesteld dat de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde daarom zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.
Overweging van de rechtbank
Ter onderbouwing van de vordering is aangevoerd dat de benadeelde partij door het handelen van verdachte op ‘andere wijze in de persoon is aangetast’, zoals bedoeld in artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon (zonder meer) kan worden aangenomen.
De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat bij de benadeelde partij geestelijk letsel is vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook niet worden gesteld dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval met zich meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 241 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op een taakstraf van 60 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever]
 verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H.W. Martens (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. J.M. Graat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-202532346, gesloten op 2 maart 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte, p. 6-8.
3.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 19, 22-23.
4.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 13.
5.Het proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , p. 16.
6.De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 7 juli 2026.