ECLI:NL:RBGEL:2026:5926

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
05-319716-24, 05-019242-22 (tul)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 157 SrArt. 77c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar in psychiatrische instelling

Op 6 oktober 2024 stichtte verdachte opzettelijk brand in zijn kamer op de gesloten afdeling van een psychiatrische zorginstelling in Arnhem. De brand veroorzaakte gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor andere bewoners en medewerkers. Forensisch onderzoek wees uit dat de brand vermoedelijk door open vuur op het matras ontstond, zonder aanwijzingen voor technische oorzaken of brandversnellers.

Verdachte verklaarde de brand te hebben aangestoken om de politie te laten komen en de instelling te mogen verlaten. Getuigenverklaringen bevestigden zijn opzettelijke handelen. De verdediging voerde aan dat verdachte ten tijde van het delict psychotisch ontregeld was en daardoor niet toerekeningsvatbaar, maar het NIFP-rapport en de rechtbank concludeerden dat onvoldoende bewijs bestond voor volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank erkende wel psychische problematiek en rekende het delict verminderd toe. Gezien de ernst van het feit, de zorgsetting en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 137 dagen op, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen vanwege disproportionaliteit en de situatie van verdachte.

De rechtbank wees het adolescentenstrafrecht af op advies van deskundigen en reclassering, en benadrukte het belang van stabiliteit en zorg voor verdachte. De straf is bedoeld om toekomstige delicten te voorkomen zonder de huidige positieve ontwikkeling te verstoren.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 137 dagen wegens opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-319716-24, 05-019242-22 (tul)
Datum uitspraak : 21 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] , Afghanistan,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. Y.Y. Au Yeung, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Arnhem opzettelijk brand heeft gesticht door (in zijn, verdachtes kamer) open vuur in aanraking te brengen met een matras en/of textiel, althans met enig ander brandbaar materiaal, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de in
die kamer en/of in de omringende kamers aanwezige goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in dat gebouw aanwezige (overige) bewoners en/of medewerkers (van [instelling] ) te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een matras, een gordijn en/of een bed, althans huisraad, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [instelling] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar
gemaakt en/of weggemaakt.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 6 oktober 2024 omstreeks 10:45 uur is er brand ontstaan op de gesloten afdeling van psychiatrische zorginstelling [instelling] , gelegen aan [adres] in Arnhem. De brand ontstond in de kamer van verdachte, die op dat moment als patiënt bij [instelling] verbleef. [2]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich, gelet op de verklaring van verdachte, ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
De politie heeft forensisch onderzoek gedaan naar het ontstaan van de brand. In de kamer van verdachte zag de onderzoeker beroeting op het plafond, de wanden en de ramen in de kamer, afnemend van hoog naar laag. Ook de meubels in de ruimte waren beroet. Het matras op het bed aan de raamzijde was deels weggebrand. Op de wand daarboven zag de onderzoeker een roetafzetting in een kenmerkende V-vorm. Onder deze V-vorm was de wand deels schoongebrand, met een donkere verkleuring passend bij de inwerking van vuur en hitte. Het matras was aan de zijde van het raam voor ongeveer een derde deel weggebrand. Op het bed lag een deels weggesmolten of weggebrand gordijn. De aangetroffen brandindicatoren en brandpatronen duiden er volgens de onderzoeker op dat de brand is ontstaan in de hoek van de kamer, op het matras van het bed bij het raam. In de verbrande resten van het matras werden behalve resten van een laken en een dekbed geen sporen of sporendragers aangetroffen die duidelijkheid kunnen geven over de oorzaak van de brand. Er zijn geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van ontbrandbare vloeistoffen. Er zijn geen aannemelijke en/of aanwijsbare aanwijzingen gevonden dat de brand is ontstaan door een storing of gebrek aan de stroomaansluiting. Ook voor een mechanische oorzaak voor het ontstaan van de brand werden geen aanwijzingen gevonden. De onderzoeker concludeert dat de brand vermoedelijk is ontstaan door het al dan niet opzettelijk bijbrengen of achterlaten van open vuur in het ontstaansgebied.
Ten aanzien van de gevaarzetting beschrijft de onderzoeker dat de kamer deel uitmaakt van een gesloten afdeling voor psychiatrische zorg met meerdere bewoonde kamers, gemeenschappelijke ruimten en personeelsruimten. De bij de brand opgetreden rookontwikkeling heeft zich verspreid en heeft een gevaar gevormd voor de aanwezige personen. Op deze afdeling bevonden zich tijdens de brand meerdere patiënten en medewerkers die door de gealarmeerde hulpdiensten werden geëvacueerd. Volgens de onderzoeker is niet uit te sluiten dat bij een verdere ontwikkeling van deze brand en de bijkomende rookontwikkeling, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen en gemeen gevaar voor goederen was opgetreden. [3]
[getuige] , verpleegkundig medewerkster bij [instelling] , is door de politie als getuige verhoord. Zij heeft als volgt verklaard. Direct nadat de brand werd opgemerkt, werden alle cliënten naar de recreatieruimte gebracht. De cliënten hadden allemaal een angstige en/of
gespannen blik, met uitzondering van verdachte. Verdachte lag ontspannen op de bank in de recreatieruimte, met een capuchon over zijn hoofd en een glimlach op zijn gezicht. [getuige] hoorde hem een aantal keren zeggen en roepen dat er brand was. Toen een collega van [getuige] aan verdachte vroeg hoe dit kon komen, antwoordde verdachte:
"Weet van niets",in een jolige stemming. [4]
Verdachte heeft tijdens het tweede verhoor bij de politie op 8 oktober 2024 verklaard dat hij het bed in zijn kamer in brand heeft gezet door een T-shirt aan te steken. Daarna is hij de kamer uitgegaan. Hij wilde dat de brandweer en de politie zouden komen, zodat hij na drie dagen zitten vrij zou komen en een joint kon roken. [5]
In het verhoor bij de rechter-commissaris op 9 oktober 2024 heeft verdachte verklaard dat hij de brand heeft aangestoken omdat hij moe was en daar weg wilde. [6]
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het T-shirt wel heeft aangestoken, maar het niet de bedoeling was om een grote brand te stichten. Hij deed het uit verveling en omdat hij in de war was. Uit de verklaringen die hij eerder had afgelegd, en uit de getuigenverklaring van [getuige] , leidt de rechtbank echter af dat verdachte de brand opzettelijk heeft gesticht, met het doel om de instelling te mogen verlaten.
Als gevolg van de brand is er gemeen gevaar ontstaan voor de goederen in de kamer en in omringende kamers, welk gevaar zich voor de goederen in de kamer van verdachte ook heeft verwezenlijkt. Ook was er als gevolg van de brand levensgevaar en gemeen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij anderen te duchten. Uit het forensisch onderzoek volgt dat de kamer van verdachte zich bevond op de gesloten afdeling van een instelling voor psychiatrische zorg, met meerdere bewoonde kamers, gemeenschappelijke ruimten en personeelsruimten. De kamers naast en tegenover de kamer van verdachte werden ten tijde van de brand bewoond door andere patiënten. De bij de brand opgetreden rookontwikkeling heeft zich verspreid en heeft daarmee een gevaar gevormd voor de aanwezige personen. Bij verdere ontwikkeling van de brand was dit gevaar alleen maar toegenomen.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde brandstichting.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks6 oktober 2024 te Arnhem opzettelijk brand heeft gesticht door (in zijn, verdachtes kamer) open vuur in aanraking te brengen met een matras en
/oftextiel
, althans met enig ander brandbaar materiaal, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de in
die kamer en
/ofin de omringende kamers aanwezige goederen, en
/oflevensgevaar en
/ofgevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in dat gebouw aanwezige (overige) bewoners en
/ofmedewerkers (van [instelling] ) te duchten was.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij ten tijde van het tenlastegelegde handelde vanuit een ernstige psychotische ontregeling, waardoor het handelen hem in het geheel niet kan worden toegerekend. Dat de psychiater van het NIFP tijdens het Pro Justitia-onderzoek niet heeft kunnen aantonen dat er sprake was van psychotische ontregeling, is geen positieve medische vaststelling dat cliënt ten tijde van het delict wél helder van geest was. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht uit te gaan van het door haar in het geding gebrachte medisch dossier van het behandelteam van verdachte bij [instelling] , waaruit volgt dat door het behandelteam in 2025 wel een aantal diagnoses is gesteld bij verdachte: een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een psychotische stoornis geluxeerd door zware trauma's en drugsgebruik (cannabis). Ook volgt uit het medisch dossier dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde voorgeschreven medicatie (Haldol) gebruikte, die zeer vaak de bijwerking “waanideeën en hallucinaties" heeft, aldus de raadsvrouw.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het NIFP-rapport leidend dient te zijn bij de beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid. Hoewel er zeker aanwijzingen zijn dat er bij verdachte sprake was psychische problematiek, kan de stap naar volledige ontoerekeningsvatbaarheid volgens hem niet worden gemaakt zonder op de stoel van de psychiater te gaan zitten.
De rechtbank overweegt dat verdachte in het kader van deze strafzaak is onderzocht door een psychiater van het NIFP. Uit de Pro Justitia-rapportage van 23 februari 2026, opgesteld door psychiater J. Marx, volgt dat verdachte weliswaar zijn medewerking heeft verleend aan het onderzoek, maar dat er in beperkte mate diepgang werd bereikt. Uit het rapport volgt verder dat bij verdachte geen psychische stoornis en/of verstandelijke beperking kon worden aangetoond. Hoewel er aanwijzingen bestaan voor een kwetsbaarheid ten aanzien van het ontwikkelen van een psychose en problematisch gebruik van cannabis, kon een (actuele) diagnose op deze gebieden volgens de psychiater niet worden gesteld. Ook kon niet worden aangetoond dat ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een psychische ontregeling bij verdachte.
Een Pro Justitia-rapportage wordt in het algemeen opgemaakt om de rechtbank te informeren over (onder meer) de aanwezigheid van eventuele psychische stoornissen of verstandelijke handicaps bij een verdachte en de mate van doorwerking van een vastgestelde stoornis of handicap op de gedragskeuzes en gedragingen van een verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Ook wordt de rechtbank in de PJ-rapportage van een advies voorzien over de mate waarin het tenlastegelegde aan een verdachte kan worden toegerekend. Het medisch dossier van verdachte is opgesteld met een andere insteek en is daarom niet van gelijke waarde voor de beoordeling van de mate van toerekening.
Of en in hoeverre een delict aan een verdachte kan worden toegerekend, en welke gegevens aan dit oordeel ten grondslag worden gelegd, is voorbehouden aan de rechtbank.
Zowel uit de Pro Justitia-rapportage als uit de gegevens in het medisch dossier leidt de rechtbank af dat verdachte kwetsbaar is en dat er aanwijzingen zijn voor psychische problematiek. Het is evident dat verdachte in oktober 2024 om een reden op de gesloten afdeling van [instelling] verbleef. Op het moment van de brandstichting verbleef verdachte nog niet zo lang op deze afdeling en werd door zijn behandelaars nog uitgezocht wat er precies bij hem speelde. De rechtbank ziet daarmee voldoende aanwijzingen dat er ook ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van psychische problematiek van verdachte. Voor de stelling dat verdachte ten tijde van de brandstichting psychotisch ontregeld was en dat deze ontregeling dermate van invloed was op zijn keuzes en gedragingen dat de opzettelijke brandstichting hem in het geheel niet kan worden toegerekend, ziet de rechtbank echter onvoldoende aanknopingspunten. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte bij de politie en de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij de brand heeft gesticht met het doel om de politie te laten komen zodat hij de instelling zou mogen verlaten. Deze redenatie geeft geen blijk van een waanbeeld of hallucinatie en wijst er ook niet op dat verdachte elke vorm van wilsvrijheid miste, zoals door de verdediging is betoogd. Het verzoek tot ontslag van alle rechtsvervolging zal daarom worden afgewezen.
In de omstandigheid dat bij verdachte sprake was van psychische problematiek ten tijde van het delict, ziet de rechtbank wel aanleiding om het tenlastegelegde verminderd aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank zal daar rekening mee houden bij het bepalen van de op te leggen straf.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 247 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 80 uren wordt opgelegd, te vervangen door 40 dagen hechtenis als de taakstraf niet (naar behoren) wordt uitgevoerd.
Het standpunt van de verdediging
In het geval van strafoplegging heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om het adolescentenstraf recht toe te passen. Verdachte was ten tijde van het delict 21 jaar oud en valt daarmee in de doelgroep (18 tot 23 jaar) van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht. Er is bovendien sprake van een cognitieve en communicatieve achterstand en een grote afhankelijkheid van verdachte aan zijn verzorgers. Ook is pedagogische sturing mogelijk en noodzakelijk.
Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat er toepassing wordt gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, gelet op het grote tijdsverloop, de zeer positieve veranderingen in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de behaalde beschermende factoren, het afdoende zorgkader dat momenteel loopt en de tijdelijke verblijfsstatus van verdachte.
Meer subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht om te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden, met toepassing van het adolescentenstrafrecht.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft brand gesticht in zijn kamer op de gesloten afdeling van een instelling voor psychiatrische gezondheidszorg, waar hij als patiënt verbleef. Brandstichting is een ernstig en zeer gevaarlijk feit, juist vanwege het onvoorspelbare en onbeheersbare karakter van vuur en de gevaren van rookontwikkeling. Met zijn handelen heeft verdachte een levensgevaarlijke en beangstigende situatie gecreëerd voor de medewerkers en de kwetsbare medebewoners van de instelling.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar vaker is veroordeeld voor een strafbaar feit. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor brandstichting.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het eerder genoemde Pro Justitia-rapport van 23 februari 2026, opgesteld door psychiater J. Marx. Naast de onder paragraaf 6 reeds weergegeven conclusies ten aanzien van de psychische gesteldheid van verdachte, volgt uit dit rapport dat het voor de psychiater niet mogelijk was om een – op de persoon van betrokkene toegespitste – uitspraak te doen over recidive, om de reden dat er geen pathologische context (doorwerking vanuit een psychiatrische stoornis) kon worden aangetoond. Om die reden kon er ook geen advies worden gegeven over een mogelijke behandeling van verdachte, gericht op het terugdringen van het risico op recidive.
Verder volgt uit het rapport dat er onvoldoende redenen zijn om te adviseren tot toepassing van het minderjarigenstrafrecht. Er worden geen mogelijkheden gezien voor een pedagogische beïnvloeding. Bovendien zijn er verschillende contra-indicaties voor toepassing van het minderjarigenstrafrecht aanwezig: eerdere (justitiële) interventies zijn niet geslaagd en verdachte lijkt niet onder de indruk van justitiële autoriteiten.
De conclusies uit de Pro Justitia-rapportage zijn onderschreven door de reclassering in het reclasseringsadvies van 28 april 2026. Hoewel verdachte zijn medewerking heeft verleend aan het opstellen van de rapportage, kan de reclassering niet tot een volledige risicoanalyse komen, omdat verdachte te weinig van zichzelf heeft laten zien. De risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden kunnen niet worden ingeschat. De reclassering ziet diverse risicofactoren en beschermende factoren, maar kan deze niet nader duiden of met het delictgedrag (of recidive) in verband brengen. Er zijn duidelijke signalen voor psychische problematiek, waarbij cannabisgebruik een luxerend effect kan hebben op deze problematiek. Momenteel is er stabiliteit rond de praktische leefgebieden. Verdachte heeft een bewindvoerder en verblijft momenteel in een begeleide woonvorm van het RIBW. Hij is (met een zorgmachtiging) ingesteld op medicatie (depotvorm haldol - antipsychoticum). Ook is hij enige tijd abstinent van middelen. Dit ziet de reclassering als beschermende factoren. Het is van belang dat verdachte zijn medicatie blijft innemen. Een terugval in middelengebruik is een risicoverhogende factor. Door het ontbreken van een risicoanalyse en de reeds opgedane ervaringen met verdachte tijdens het schorsingstoezicht, ziet de reclassering geen mogelijkheden dan wel meerwaarde voor het adviseren van een plan van aanpak. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Op basis van het wegingskader, de informatie vanuit de toezichthouder van verdachte en vanuit de referenten en het gehele beeld wat de reclassering van verdachte heeft verkregen, adviseert de reclassering om het volwassenenstrafrecht toe te passen.
De op te leggen straf
Ten aanzien van het verzoek van de verdediging om toepassing van het adolescentenstrafrecht overweegt de rechtbank als volgt. De psychiater en de reclassering hebben eensluidend geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Deze conclusies zijn gebaseerd op het daarvoor bestemde afwegingskader. De reclassering heeft bij deze afweging ook gekeken naar de informatie van de toezichthouder van verdachte en de geraadpleegde referenten. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze conclusies af te wijken. Het enkele feit dat verdachte relatief jong was ten tijde van het tenlastegelegde, zoals door de verdediging is aangevoerd, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en zal het volwassenenstrafrecht toepassen.
Zoals hiervoor onder paragraaf 6 reeds is overwogen, ziet de rechtbank voldoende aanknopingspunten voor de aanwezigheid van psychische problematiek bij verdachte ten tijde van de brandstichting. Om die reden zal de rechtbank het tenlastegelegde verminderd aan verdachte toerekenen.
Bij het bepalen van de straf weegt de rechtbank mee dat verdachte het delict heeft begaan binnen een zorgsetting in een periode dat het niet goed met hem ging. De rechtbank heeft gezien dat verdachte zich momenteel in een stabiele woon- en leefsituatie bevindt. Hij is ingesteld op medicatie, woont beschermd en beschikt over een goed zorgkader en een stabiel vangnet. Ook heeft hij dagbesteding en wil hij na het afronden van de inburgeringscursus starten met een opleiding. Een onvoorwaardelijke straf zou deze vooruitgang en stabiliteit op ongewenste wijze doorkruisen. Gezien de aard en ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank echter ook niet worden volstaan met de toepassing van artikel 9a Sr, zoals door de verdediging is bepleit.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat het gelet op de aard van het feit passend is om verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 137 dagen op te leggen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het onvoorwaardelijke deel van de straf is daarmee gelijk aan het voorarrest. Dit betekent dat verdachte niet opnieuw de gevangenis in hoeft. Het voorwaardelijke deel dient als stok achter de deur voor verdachte, om te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw de fout in gaat.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05-019242-22)

De politierechter heeft verdachte op 27 september 2023 veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 650,00, te vervangen door 13 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren (lopend tot 9 oktober 2024).
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van de bovenstaande voorwaardelijk opgelegde straf gevorderd. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om de vordering af te wijzen. Het gaat om een beduidend andersoortig delict dat bijna twee jaar geleden is gepleegd, vlak voor het einde van de proeftijd.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen omdat deze buitenproportioneel is, gelet op het gevoerde verweer ten aanzien van de ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte en het feit dat verdachte onder bewind staat.
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. Gelet op de aard van de veroordeling en het feit dat verdachte onder (financieel) bewind staat, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf niet opportuun.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 137 dagen;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 90 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;
De beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05-019242-22)
 wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 27 september 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024469182, gesloten op 8 oktober 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal forensisch onderzoek [adres] in Arnhem, aanvullend procesdossier, p. 1 en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 14.
3.Het proces-verbaal forensisch onderzoek [adres] in Arnhem, aanvullend procesdossier, p. 2-3.
4.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 14.
5.Het proces-verbaal van verhoor verdachte op 8 oktober 2025, p. 63.
6.Het proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris op 9 oktober 2024.