ECLI:NL:RBGEL:2026:5927

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
05.259580.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 175 WVW 1994Art. 179 WVW 1994Art. 9 SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met dodelijke afloop door onvoldoende zicht en geen voorrang verlenen

Op 29 oktober 2024 vond in Wageningen een ernstig verkeersongeval plaats waarbij verdachte, een beginnend bestuurder en pakketbezorger, met haar bestelbus geen voorrang verleende aan een fietsster op een voorrangsweg. Door natte zijramen had verdachte onvoldoende zicht en zag zij de fietsster niet, wat leidde tot een botsing waarbij de fietsster ernstig gewond raakte en op 12 november 2024 overleed.

De officier van justitie stelde dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig handelde door geen voorrang te verlenen, maar niet met te hoge snelheid reed. De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en dat een enkele fout onvoldoende is voor schuld. De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust met onvoldoende zicht reed, ondanks dat zij wist dat haar ramen nat waren en dat zij het kruispunt als onoverzichtelijk kende.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuld had aan het ongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994. Gelet op de ernst van het feit, de impact op de nabestaanden en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een taakstraf van 180 uur en een rijontzegging van 6 maanden op.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een rijontzegging van 6 maanden wegens aanmerkelijke onvoorzichtigheid bij een dodelijk verkeersongeval.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.259580.25
Datum uitspraak : 21 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. M.E. de Kok, advocaat in Almere.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 29 oktober 2024 te Wageningen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig (bedrijfsauto/bestelauto), komende uit de richting van de industrieweg te Wageningen gaande in de richting van de kruising De Nude met de Costerweg en Havenafweg, daarmede rijdende over de weg, De Nude,
zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of
terwijl haar zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
terwijl de voorruit en/of zijruiten van de door verdachte bestuurde bedrijfsauto/bestelauto beslagen/bewasemd was/waren en/of
terwijl het zicht door die (voor en/of zij)ruit(en) in ernstige mate, althans in enige mate, werd belemmerd en/of
terwijl verdachte ter plaatse bekend was en/of
terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg (de Nude) een bord B6 en/of haaientanden als bedoeld in artikel 80 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of
niet of onvoldoende heeft opgelet op het (tegemoetkomende) verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of bij het afslaan naar links, teneinde de Costerweg op te rijden, zich niet of onvoldoende ervan vergewist dat (tegemoetkomend) verkeer aanwezig was,
- in strijd met voormeld bord B6 en/of de haaientanden geen voorrang heeft verleend aan een langs die kruisende (voorrangs)weg (de Nude) gesitueerd fiets/bromfiets pad rijdende, toen gezien, haar, verdachtes, rijrichting dicht van links genaderd zijnde bestuurster van een fiets en/of in strijd met artikel 18 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een haar op dezelfde weg dan wel rijbaan, toen gezien, haar verdachtes, rijrichting van links genaderd zijnde fietser niet heeft laten voorgaan en/of
- bij het afslaan naar links, het fietspad gelegen aan de Costerweg, waarop fietsers voorrang hadden, is overgestoken met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of (daarmee) in strijd met artikel 19 van Pro voornoemd regelement haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 29 oktober 2024 te Wageningen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig (bedrijfsauto/bestelauto), komende uit de richting van de industrieweg te Wageningen gaande in de richting van de kruising De Nude met de Costerweg en Havenafweg, daarmede rijdende over de weg, De Nude,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of
terwijl haar zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
terwijl de voorruit en/of zijruiten van de door verdachte bestuurde bedrijfsauto/bestelauto beslagen/bewasemd was/waren en/of
terwijl het zicht door die (voor en/of zij)ruit(en) in ernstige mate, althans in enige mate, werd belemmerd en/of
terwijl verdachte ter plaatse bekend was en/of
terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg (de Nude) een bord B6 en/of haaientanden als bedoeld in artikel 80 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of
niet of onvoldoende heeft opgelet op het (tegemoetkomende) verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of bij het afslaan naar links, teneinde de Costerweg op te rijden, zich niet of
onvoldoende ervan vergewist dat (tegemoetkomend) verkeer aanwezig was,
- in strijd met voormeld bord B6 en/of de haaientanden geen voorrang heeft verleend aan een langs die kruisende (voorrangs)weg (de Nude) gesitueerd fiets/bromfiets pad rijdende, toen gezien, haar, verdachtes, rijrichting dicht van links genaderd zijnde bestuurster van een fiets en/of in strijd met artikel 18 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een haar op dezelfde weg dan wel rijbaan, toen gezien, haar verdachtes, rijrichting van links genaderd zijnde fietser niet heeft laten voorgaan en/of
- bij het afslaan naar links, het fietspad gelegen aan de Costerweg, waarop fietsers voorrang hadden, is overgestoken met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of (daarmee) in strijd met artikel 19 van Pro voornoemd regelement haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen, en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 29 oktober 2024 te Wageningen als bestuurster van een bedrijfsauto/bestelaauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Costerweg, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg, De Nude, op het wegdek haaientanden waren aangebracht, de bestuurster van een fiets geen voorrang heeft gegeven, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op dinsdag 29 oktober 2024 omstreeks 10:05 uur vond een ernstig ongeval plaats in Wageningen. Verdachte, een beginnend bestuurster en werkzaam als pakketbezorgster, reed met een bestelbus over de Nude, komend vanuit de richting van de Industrieweg, in de richting van het kruispunt met de Costerweg en de Havenafweg. Op het kruispunt sloeg zij linksaf, waarbij zij geen voorrang verleende aan de voor haar van links komende fietsster, mevrouw [slachtoffer] , die op de voorrangsweg reed. De (linker) voorzijde van de bestelbus raakte de rechterzijde van de fiets, waardoor mevrouw [slachtoffer] ten val is gekomen en ernstig gewond is geraakt. Na het ongeval is zij overgebracht naar het ziekenhuis, waar zij op dinsdag 12 november 2024 aan haar verwondingen overleed. [2]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde (artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet). De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte is overgestoken met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Van dit onderdeel dient verdachte te worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat geen sprake is geweest van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid als bedoeld in artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet (WVW). Het enkele niet verlenen van voorrang, zoals opgenomen onder het eerste gedachtestreepje, is immers onvoldoende om een aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid aan te nemen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte is overgestoken met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, zoals opgenomen onder het tweede gedachtestreepje. Zelfs als de rechtbank aanneemt dat verdachte haar snelheid bij het naderen van de kruising onvoldoende heeft aangepast, levert dat niet zonder meer een aanmerkelijke onvoorzichtigheid op, aldus de verdediging. Een enkel moment van (tijdelijke) onoplettendheid of een enkele verkeersfout zonder bijzondere bijkomende omstandigheden is daarvoor onvoldoende.
Beoordeling door de rechtbank
De politie heeft forensisch onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. Ter plaatse zagen zij dat de Costerweg door middel van borden is aangeduid als voorrangsweg. Voor bestuurders die de Costerweg over de Nude naderen, wordt dit door middel van borden conform model B6 van bijlage 1 van het RVV 1990 en haaientanden op het wegdek als bedoeld in artikel 80 van Pro het RVV 1990 kenbaar gemaakt. Bij het onderzoek zijn geen gebreken in de weginrichting en/of het onderhoud van de weg waargenomen die mogelijk van invloed zijn geweest op het ontstaan van het ongeval. Het zicht van beide bestuurders werd niet belemmerd door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg. Daarmee is de hypothese dat het verkeersongeval is ontstaan door de factor omgeving uitgesloten. Zowel bij de bestelbus als bij de fiets zijn ook geen voertuig-technische gebreken vastgesteld die mogelijk op de oorzaak van het ongeval van invloed zijn geweest. Uit het voorgaande volgt dat het verkeersongeval is ontstaan door de factor menselijke gedraging van de bestuurder van de bedrijfsauto. De snelheid van de bedrijfsauto op het moment van de aanrijding (de botssnelheid) kon niet nauwkeuriger worden vastgesteld, dan dat deze op basis van de aangetroffen sporen lager was dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/u. Er was sprake van regenachtig weer. [3]
Verbalisant [verbalisant 1] van de noodhulpdienst van de politie heeft kort na het ongeval ter plaatse met verdachte gesproken. Hij hoorde verdachte zeggen dat zij net was vertrokken vanaf het depot van haar werk waar de pakketjes liggen en dat de ramen van haar busje nog deels beslagen waren en vol regendruppels zaten. Verdachte had de vrouw op de fiets naar eigen zeggen helemaal niet gezien. Verbalisant [verbalisant 2] sprak later op dezelfde dag op het politiebureau met verdachte en hoorde haar zeggen dat ze de zijramen van het voertuig niet had schoongemaakt en dat ze daardoor minder zicht had. [4]
Verdachte heeft in haar verhoor bij de politie als volgt verklaard. Ze werkte vijf maanden als pakketbezorger en reed elke dag in het busje. Die dag had ze haar busje volgeladen en was ze net één minuut onderweg toen ze het kruispunt van de Nude met de Costerweg naderde. Het was niet de eerste keer dat ze daar reed en ze had het bij de eerste keer al een vervelend en onoverzichtelijk kruispunt gevonden. Bij de kruising aangekomen heeft ze meermaals naar links en naar rechts gekeken voordat ze overstak. Ze kon het niet goed zien. Allebei haar zijramen waren nat door de regen. Dat had ze al opgemerkt toen ze wegreed, maar ze dacht:
‘in dat kleine stukje gaat er echt niks gebeuren, het droogt altijd wel op’en
‘eenmaal onderweg gaat dat weg’. [5]
Ook ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat haar zijramen bespikkeld waren met regendruppels en dat zij niemand had gezien voordat zij het kruispunt overstak. [6]
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro, zoals primair ten laste is gelegd. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro, moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WWV Pro.
Vast staat het ongeval heeft plaatsgevonden omdat verdachte geen voorrang heeft verleend aan mevrouw [slachtoffer] . Verdachte heeft verklaard dat zij mevrouw [slachtoffer] niet heeft gezien toen zij voor het oversteken naar links en naar rechts keek. Uit het forensisch onderzoek volgt dat het zicht van verdachte niet werd belemmerd door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg of door andere omgevingsfactoren. Kort na het ongeval heeft verdachte bij de politie verklaard dat de zijramen van de bedrijfsauto nat waren door de regen, waardoor zij niet goed kon zien. De verklaringen die zij later heeft afgelegd hebben dezelfde strekking. Of haar ramen ook beslagen waren, hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft ontkend, kan niet worden vastgesteld en kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. Naar het oordeel van de rechtbank staat op basis van het voorgaande voldoende vast dat verdachte door de beregende ramen onvoldoende zicht heeft gehad op het kruispunt, als gevolg waarvan zij geen voorrang heeft verleend aan de fietster op de voorrangsweg.
Het aan het verkeer deelnemen met onvoldoende zicht is, gelet op de daarmee gepaard gaande risico’s, reeds op zichzelf onvoorzichtig. De rechtbank overweegt dat verdachte zich ook bewust was van deze risico’s. Dit leidt de rechtbank af uit de uitspraken die verdachte kort na het ongeval heeft gedaan, waarbij zij verklaarde dat haar ramen al beregend waren op het moment dat zij wegreed en dat zij dacht dat er in dat kleine stukje niets zou gebeuren. De omstandigheid dat verdachte niet plotseling geconfronteerd werd met de beregende ramen, maakt dat zij in de gelegenheid was de nodige voorzorgmaatregelen te treffen. Zij heeft een verkeerde inschatting gemaakt door haar ramen niet schoon te maken of andere maatregelen te nemen om met het best mogelijke zicht de weg op te gaan.
De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan wat er van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. In het geval van verdachte worden er hogere eisen gesteld aan deze verwachting, omdat zij werkzaam was als pakketbezorger en het voertuig beroepsmatig bestuurde. Ook was zij bekend met de verkeerssituatie ter plaatse en had zij het kruispunt eerder als vervelend en onoverzichtelijk ervaren. Desondanks heeft zij het risico genomen om met onvoldoende zicht het kruispunt over te steken, waarmee zij zich er niet voldoende van heeft vergewist dat er ander verkeer aanwezig was. Onder deze omstandigheden mocht van verdachte worden verwacht dat zij anders zou handelen.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en dat het daarom aan haar schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Gelet op de bevindingen van het forensisch onderzoek acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte is overgestoken met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen. Van dit onderdeel zal verdachte worden vrijgesproken.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zij op
of omstreeks29 oktober 2024 te Wageningen
, in elk geval in Nederland,als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig (bedrijfsauto/bestelauto), komende uit de richting van de industrieweg te Wageningen gaande in de richting van de kruising De Nude met de Costerweg en Havenafweg, daarmede rijdende over de weg, De Nude,
zeer dan welaanmerkelijk
,onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en
/of
terwijl haar zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en
/of
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en
/of
terwijl de voorruit en/of zijruiten van de door verdachte bestuurde bedrijfsauto/bestelauto beslagen/bewasemd was/waren en/of
terwijl het zicht door die
(voor en/ofzij
)ruit
(en
) in ernstige mate, althans in enige mate,werd belemmerd en
/of
terwijl verdachte ter plaatse bekend was en
/of
terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg (de Nude) een bord B6 en
/ofhaaientanden als bedoeld in artikel 80 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht
en/of
niet of onvoldoende heeft opgelet op het (tegemoetkomende) verkeer en
/ofde verkeerssituatie ter plaatse en
/ofbij het afslaan naar links, teneinde de Costerweg op te rijden, zich niet of onvoldoende ervan
heeftvergewist dat (tegemoetkomend) verkeer aanwezig was,
- in strijd met voormeld bord B6 en
/ofde haaientanden geen voorrang heeft verleend aan een langs die kruisende (voorrangs)weg (de Nude) gesitueerd fiets/bromfiets pad rijdende, toen gezien, haar, verdachtes, rijrichting dicht van links genaderd zijnde bestuurster van een fiets en/
ofin strijd met artikel 18 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een haar op dezelfde weg dan wel rijbaan, toen gezien, haar verdachtes, rijrichting van links genaderd zijnde fietser niet heeft laten voorgaan
en/of
- bij het afslaan naar links, het fietspad gelegen aan de Costerweg, waarop fietsers voorrang hadden, is overgestoken met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of (daarmee) in strijd met artikel 19 van Pro voornoemd regelement haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,
is gebotst tegen
, althans in aanrijding is gekomen metdie fiets en
/ofde bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis als de taakstraf niet (naar behoren) wordt uitgevoerd. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd voor de duur van 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de op te leggen straf
rekening te houden met de schuldbewuste houding van verdachte en het feit dat zij nooit eerder met politie of justitie in aanraking is geweest, evenals het feit dat de zaak inmiddels van bijna twee jaar geleden dateert. Gelet daarop, en op het vrijspraakverweer ten aanzien van het primair tenlastegelegde, heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om aan verdachte in ieder geval geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen, en daarnaast te volstaan met het
opleggen van een geldboete.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft als beroepsmatig bestuurster van een bedrijfsauto een noodlottig ongeval veroorzaakt, als gevolg waarvan de 68-jarige mevrouw [slachtoffer] is komen te overlijden. Ter terechtzitting heeft de dochter van mevrouw [slachtoffer] op indringende wijze tot uitdrukking gebracht hoeveel impact deze gebeurtenis heeft gehad en nog iedere dag heeft op haar leven en op dat van haar familie. Haar moeder was niet alleen een slachtoffer in een strafzaak, maar ook en vooral een vrouw, moeder, grootmoeder en nog veel meer. Sinds haar overlijden is er een leegte ontstaan die niet in woorden te vatten is.
De rechtbank heeft gezien dat het ongeval ook verdachte, een zeer jonge vrouw, erg heeft aangegrepen. De wetenschap dat zij schuld draagt aan het overlijden van het mevrouw [slachtoffer] weegt zwaar op verdachte. Zij heeft vanaf het begin haar verantwoordelijkheid genomen en heeft direct verklaard bij de politie. Met behulp van herstelbemiddeling heeft ze contact gezocht met de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer] en er heeft een gesprek plaatsgevonden. Ook tijdens de zitting heeft ze meermaals spijt betuigd richting de nabestaanden. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank ook daarmee rekening.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 19 maart 2026. Daaruit volgt dat er op geen enkele wijze sprake is van delictgerelateerde criminogene factoren. Uit het onderzoek naar de leefgebieden zijn geen problemen naar voren gekomen die de aandacht behoeven. Verdachte beschikt over een goed ontwikkeld moreel kompas dat als beschermend wordt gezien ten aanzien van de recidive. De risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als laag. De reclassering ziet de tenlastelegging als een eenmalig incident en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de geldende LOVS-oriëntatiepunten. In dit geval geldt als uitgangspunt een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden. Verder heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken door rechters zijn opgelegd.
De rechtbank overweegt dat het verwijt dat verdachte wordt gemaakt ziet op de laagste gradatie van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro. Een geldboete in combinatie met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, zoals door de verdediging is bepleit, doet naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende recht aan de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor de nabestaanden.
Alles afwegende zal de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, aan verdachte een taakstraf van 180 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden opleggen.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 22 c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
 ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs (voorzitter), mr. J.M. Graat en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024509051, gesloten op 18 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeer, p. 17 en 19, en het proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 9, 11 en 12.
3.Het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeer, p. 17, 23 en 24.
4.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , p. 66.
5.Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 81-84.
6.De verklaring van verdachte ter terechtzitting op 7 juli 2026.