ECLI:NL:RBGEL:2026:593

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
25/6006 en 25/4082
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:9 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:86 AwbArt. 27, eerste lid, onder b, AlcoholwetArt. 2:28 APV Tiel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering exploitatie- en Alcoholwetvergunning wegens schending hoorplicht

Eiseres heeft een exploitatievergunning en een Alcoholwetvergunning aangevraagd voor een café, maar de burgemeester weigerde deze vergunningen vanwege een gewijzigde rechtsvorm van de onderneming van een eenmanszaak naar een vennootschap onder firma. Na bezwaar handhaafde de burgemeester het besluit op gewijzigde gronden.

Eiseres stelde dat zij niet opnieuw is gehoord over deze wijziging, terwijl dit een feit van aanmerkelijk belang is voor de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester hiermee de hoorplicht uit artikel 7:9 Awb Pro heeft geschonden, omdat eiseres niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze te geven over de gewijzigde rechtsvorm.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de burgemeester op een nieuw besluit te nemen waarbij eiseres alsnog wordt gehoord. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de uitkomst van een mogelijke Wet Bibob-toetsing nog onduidelijk is. De burgemeester wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van de vergunningen wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en de burgemeester moet een nieuw besluit nemen na opnieuw horen van eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/6006 en 25/4082

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.M. Uijttewaal),
en

de burgemeester van de gemeente Tiel

(gemachtigde: S.J.A. Rooijendijk).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om een exploitatievergunning en een Alcoholwetvergunning voor het café [naam café 1] aan de [locatie] in [plaats] te weigeren. Bij de beslissing op bezwaar heeft de burgemeester het besluit in stand gelaten. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij voert een aantal gronden aan. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]
1.2.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop en voorgeschiedenis

2. Eiseres heeft op 15 juli 2024 een koopovereenkomst gesloten met de heer [naam 1] ter zake de overname van de exploitatie van biljartcafé [naam café 2] . De heer [naam 1] is eigenaar van het pand aan de [locatie] in [plaats] en verhuurt het pand aan eiseres. Op 17 juli 2024 heeft eiseres een aanvraag voor een exploitatievergunning voor het café [naam café 1] aan de [locatie] in [plaats] ingediend. Op 23 augustus 2024 heeft eiseres een aanvraag voor een Alcoholwetvergunning voor voormelde inrichting ingediend. Hangende de aanvraag is de eenmanszaak van eiseres, met ingang van 2 september 2024, voortgezet door Café [naam café 1] v.o.f. De heer [naam 2] zal als vennoot de administratieve taken op zich gaan nemen. Wat betreft de leidinggevenden verandert er niets.
2.1.
Bij besluit van 13 januari 2025 heeft de burgemeester besloten de gevraagde vergunningen te weigeren op grond van artikel 27, eerste lid, onder b, van de Alcoholwet, en artikel 2:28d, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Tiel 2025 (APV). De beperkte betrokkenheid van eiseres als leidinggevende (16 uur per week), de dominante rol van haar zoon (actieve rol in de dagelijkse activiteiten) en de discrepanties tussen de feitelijke situatie en de aanvraag geven volgens de burgemeester aanleiding om de vergunningen te weigeren.
2.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt.
2.3.
Bij de beslissing op bezwaar van 31 juli 2025 heeft de burgemeester het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 13 januari 2025 gehandhaafd op gewijzigde gronden. De exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning worden geweigerd, omdat de oorspronkelijke aanvraag is gedaan door een eenmanszaak, die op 2 september 2024 is uitgeschreven, en de onderneming sindsdien is voortgezet als een vennootschap onder firma. Deze wijziging in rechtsvorm en samenstelling van de onderneming betekent dat de aanvraag niet langer overeenkomt met de feitelijke situatie zoals opgenomen in de aanvraag. Aangenomen wordt dat de in de aanvraag vermelde gegevens niet in overeenstemming zijn met de huidige bedrijfsvoering. De burgemeester weigert de gevraagde vergunningen op grond van artikel 27, eerste lid, onder b, van de Alcoholwet en artikel 2:28d, tweede lid, aanhef en onder b, van de APV.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
3. Op grond van artikel 27, eerste lid, onder b, van de Alcoholwet, wordt een vergunning geweigerd indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn.
3.1.
Op grond van artikel 2:28, eerste lid, van de APV, is het verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
3.2.
Ingevolge artikel 2:28d, tweede lid, van de APV, kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als: [..]
de wijze van bedrijfsvoering van een leidinggevende van de openbare inrichting in deze of in andere openbare inrichtingen daarvoor aanleiding geeft.
Had de burgemeester eiseres opnieuw moeten horen voorafgaand aan het nemen van de beslissing op bezwaar?
4. Eiseres betoogt allereerst dat de burgemeester na de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie bekend is geraakt met het feit dat de rechtsvorm van de onderneming is gewijzigd van een eenmanszaak naar een vof. Deze overgang van de onderneming betekent volgens de burgemeester dat de gevraagde vergunningen alsnog moeten worden geweigerd, omdat moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. De gewijzigde rechtsvorm is voor de burgemeester ook reden om de gevraagde exploitatievergunning af te wijzen. Omdat dit een feit is die van aanmerkelijk belang is voor de te nemen beslissing op bezwaar had eiseres eerst nog moeten worden gehoord. Dit is ten onrechte niet gebeurd. Hierdoor is eiseres benadeeld. Eiseres was niet op de hoogte van de gevolgen van een wijziging van de rechtsvorm en had deze ook niet gewijzigd als zij hiervan wel op de hoogte was geweest. Zij is bereid om de rechtsvorm weer terug te brengen naar een eenmanszaak om zodoende alsnog de vergunningen te verkrijgen.
5. De burgemeester heeft op zitting toegelicht dat de gewijzigde rechtsvorm weliswaar een feit van aanmerkelijk belang voor de beslissing op bezwaar is, maar dat het horen niet tot een andere uitkomst had geleid. Gelet op de gewijzigde rechtsvorm moet eiseres een nieuwe aanvraag indienen, waarbij de aanvraag dan ook zal worden getoetst aan de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Dit kan, anders dan eiseres stelt, niet gerepareerd worden in bezwaar. De burgemeester mocht daarom afzien van het horen.
6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit artikel 7:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en dat zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord. Niet in geschil is dat de burgemeester na de hoorzitting bekend is geraakt met de gewijzigde rechtsvorm en dat deze gewijzigde rechtsvorm als een nieuw feit dat van aanmerkelijk belang is op de te nemen beslissing op bezwaar, moet worden gezien. Immers dit is de reden geweest om de gevraagde vergunningen af te wijzen. Nu de burgemeester na de hoorzitting hiermee bekend is geraakt, had eiseres ten aanzien van beide vergunningen gehoord moeten worden. Door eiseres in dit geval niet opnieuw in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, is hetgeen eiseres over de gewijzigde rechtsvorm naar voren had willen brengen niet in de besluitvorming betrokken. Op zitting is namelijk duidelijk geworden dat eiseres bereid is de rechtsvorm wederom te wijzigen naar eenmanszaak indien dit noodzakelijk is voor de vergunningverlening. Een hoorgesprek had hier duidelijkheid over kunnen geven.
Dat er mogelijk nog een toetsing aan de Wet Bibob had moeten plaatsvinden, maakt het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Immers de uitkomst van deze toets is nog ongewis zodat, anders dan de burgemeester stelt, niet kan worden gesteld dat horen niet tot een andersluidend besluit had kunnen leiden. Het betoog van eiseres slaagt.
6.1.
Dit betekent dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 7:9 van Pro de Awb. De voorzieningenrechter zal niet meer ingaan op de overige beroepsgronden. Het beroep is reeds door het slagen van dit betoog gegrond.
Bovendien heeft een hoorgesprek en een mogelijke verandering van rechtsvorm in de nieuwe bezwaarprocedure mogelijk invloed op het door de burgemeester ingenomen standpunt.
7. Wellicht ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Eiseres wenst de inrichting zo spoedig mogelijk te openen en is bereid om de rechtsvorm aan te passen om vergunningverlening te bespoedigen. Zij geeft aan dat een nieuwe aanvraag daarvoor niet nodig is. De burgemeester daarentegen geeft aan dat hij een nieuwe aanvraag van eiseres aangewezen acht gelet op de huidige situatie waarin sprake is van een gewijzigde rechtsvorm.
Om deze impasse zo spoedig mogelijk te doorbreken, acht de voorzieningenrechter overleg tussen partijen van belang en moedigt zij partijen aan om met elkaar hierover in gesprek te gaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. Dit betekent dat de zaak weer in de bezwaarfase terechtkomt en dat de burgmeester eiseres alsnog moet horen. De rechtbank ziet daarom geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister binnen acht weken een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. In afwachting daarvan is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Uit de toelichting van de burgemeester op zitting blijkt immers dat, ook in het geval de rechtsvorm geen obstakel meer vormt voor vergunningverlening er nog een toetsing aan de Wet Bibob dient plaats te vinden. De uitkomst daarvan is nog niet duidelijk.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend (€ 934,-), een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend (€ 934,-) en aan de zitting heeft deelgenomen (€ 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de burgemeester op na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 388,- ( 2x € 194,-) aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.