ECLI:NL:RBGEL:2026:5957

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
C/05/463477
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:178 BWArt. 3:300 lid 2 BWArt. 6:2 BWArt. 118 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot medewerking aan levering woning en onroerende zaken uit nalatenschap

Partijen zijn zussen en erfgenamen van een overleden persoon, die gezamenlijk een nalatenschap erven bestaande uit onder meer een woning, stallen, gronden en certificaten in een holding. Er is een wilsovereenstemming gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over de verdeling en levering van deze nalatenschap, inclusief een regeling voor de ontwikkeling van gronden via de rood-voor-rood regeling.

De gedaagde heeft de certificaten geleverd gekregen, maar weigert nu mee te werken aan de levering van de onroerende zaken aan de eiser, omdat er onenigheid bestaat over de voorwaarden die in de leveringsakte moeten worden opgenomen, met name over de rood-voor-rood regeling en de earn-out regeling. De eiser vordert in kort geding dat de gedaagde wordt bevolen mee te werken aan de levering.

De rechtbank oordeelt dat de wilsovereenstemming bindend is en dat de eiser een voldoende spoedeisend belang heeft, mede omdat zij inmiddels in de woning woont en daar een onderneming voert. De bezwaren van de gedaagde worden niet gegrond geacht, maar de rechtbank wijst erop dat de executeur nog medewerking moet verlenen en dat deze niet is betrokken in de procedure. Daarom wordt de zaak aangehouden om de executeur te betrekken en partijen gelegenheid te geven tot overleg.

De voorzieningenrechter wijst voorlopig de vordering toe, maar houdt de zaak aan tot 29 mei 2026 voor nadere uitlatingen en overleg, waarbij partijen hun verhinderdagen moeten opgeven. De uitspraak is gedaan door rechter D. Vergunst.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot medewerking aan levering voorlopig toe, maar houdt de zaak aan voor betrokkenheid van de executeur en overleg.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/463477 / KZ ZA 26-23
Vonnis in kort geding van 18 mei 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. B.W.J. Theunissen,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. H.C.J. Oomen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met productie 1 tot en met 15 van [de eiser]
- de akte eiswijziging met productie 16 van [de eiser]
- de conclusie van antwoord met producties A tot en met D van [de gedaagde]
- de producties 17 en 18 van [de eiser]
- de producties E tot en met G van [de gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 17 maart 2026
- de aanhouding ten behoeve van overleg tussen partijen
- het verzoek om vonnis te wijzen van [de eiser] .

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn zussen van elkaar en de kinderen en erfgenamen van de heer [de erflater] , die op [overlijdensdatum] is overleden (erflater). Partijen zijn ieder voor gelijke delen tot erfgenaam8benoemd en zij hebben de nalatenschap na het overlijden van erflater zuiver aanvaard.
2.2.
Erflater heeft de heer [executeur] tot executeur benoemd, die zijn taak heeft aanvaard.
2.3.
Partijen zijn onder leiding van [executeur] en de heer [belastingadviseur] van Stolwijk te Wijchen in overleg gegaan over de afwikkeling en de verdeling. Tot de nalatenschap van erflater behoorde onder meer:
  • een woning aan de [adres 1] , kadastraal bekend [kadasterkenmerk woning] ; (hierna: de woning)
  • een berging/stal (garage/schuur) met ondergrond, erf en verdere aanhorigheden, gelegen aan de [adres 2] , kadastraal bekend [kadasterkenmerk berging] , althans de percelen met voorlopige grenzen (i) [kadasterkenmerken] , en
  • een perceel grasland aan de [adres 2] , kadastraal bekend
[kadasterkenmerk grasland] .
De percelen [kadasternummer woning] en [kadasternummer berging] liggen aan elkaar. Perceel [kadasternummer grasland] ligt daar enkele honderden meters vandaan. Deze drie percelen worden hierna aangeduid als de onroerende zaken.
2.4.
Tot de nalatenschap behoorde ook de certificaten in [holding erflater] B.V.
[de gedaagde] heeft na het overlijden van erflater aanspraak gemaakt op toedeling van die certificaten. Doordat [de gedaagde] een beroep wilde doen op de bedrijfsopvolgingsregeling moesten de certificaten in [holding erflater] uiterlijk twee jaar na het overlijden van erflater aan [de gedaagde] notarieel worden geleverd. Partijen hebben uitvoerig met elkaar gesproken over de wijze waarop dat moest plaatsvinden en ook wat de financiële consequenties waren voor die toedeling. De gemaakte afspraken zijn vervolgens neergelegd in het document ‘wilsovereenstemming en afspraken verdeling nalatenschap [de erflater] ’ dat op 17 juli 2024 door partijen is ondertekend (hierna: de wilsovereenstemming).
2.5.
In de wilsovereenstemming is onder meer het volgende vastgelegd:
‘(…) Dit document legt de afspraken met betrekking tot deze verdeling vast en kan gezien worden als de wilsovereenstemming van de verdeling van de nalatenschap. Op basis van deze overeenstemming kunnen de aandelen tijdig overgedragen worden en kan de notaris de noodzakelijke formele aktes opstellen. Binnen de kaders van de afspraken van deze overeenkomst is er dan ook ruimte voor erfgenamen om nadere details uit te werken en af te spreken (…)
1. gedachtestreepje 5, 6 en 7: “ [de gedaagde] zet de onderneming voort (…). Aangezien de aandelen van het bedrijf meer waard zijn dan de waarde van de overige te verdelen bezittingen op overlijdensdatum, ontstaat een overbedelingsschuld van [de gedaagde] aan [de eiser] . Concrete aflossing van deze schuld aan [de eiser] heeft hoogste prioriteit en de hiervoor redelijkerwijs beschikbare middelen (…) en zekerheden zullen hiervoor op zo kort mogelijke termijn aangewend worden. (…)
2.1: woning en gronden
[de eiser] erft de woning (incl. grond), stallen en gronden. De woning heeft vruchtgebruik t/m juli 2024. [de eiser] zal voor de gronden (grasland [straatnaam] ongenummerd) en de stallen gebruik maken van de rood-voor-rood regeling en deze gronden met agrarische bestemming in overleg met gemeente/provincie ontwikkelen naar een bouwkavel. Deze regeling vraagt in ruil voor de bouwkavel investeringen voor onder andere asbestsanering en natuur. Per saldo is hier wel een meerwaarde te verwachten. Deze netto meerwaarde bij de verkoop van de ontwikkelde bouwkavels zal verrekend orden met de overbedelingsschuld (zie 3.7). De eventuele verkoop van het huis en de hierbij behorende gronden staat hier los van. [de eiser] is voornemens het huis z.s.m. te verkopen zodra het vruchtgebruik is afgelopen (aug 2024) en het mogelijk is met het oog op de ontwikkeling/rood-voor-rood-regeling. De kosten van het huis totdat verkoop mogelijk is zijn voor gezamenlijke rekening. (…)
Afspraak
- [de eiser] ontwikkelt en verkoopt de geërfde woning (incl. bijbehorende grond) en de stallen en gronden die in aanmerking komen voor rood-voor-rood-regeling zelfstandig. Ze houdt hierbij rekening met de afspraken zoals overeengekomen in earn out 1 (zie 3.7);
- De kosten van de woning zijn voor gezamenlijke rekening tot het moment dat deze verkocht kan worden; (…)
2.6: Samen met het huis erft [de eiser] ook de hypotheek op het huis. Deze zal ook op naam gesteld moeten worden. (…)
2.11: De kosten die zijn gemaakt voor (…) afwikkeling en beheer van de nalatenschap zijn gemeenschappelijk. (…) Het betreft in ieder geval de kosten (…) notariskosten. (…)
3. Overbedelingsschuld; Aflossing en zekerheden
Volgens bovenstaande verdeling van de waarde van de nalatenschap op 28/7/2022 heeft [de gedaagde] een overbedeling ten opzichte van [de eiser] en daarmee een schuld van 1,3 mln. Dit is een fors bedrag waarbij het van belang is dat duidelijke afspraken worden gemaakt over de wijze waarop aflossing van deze schuld plaatsvindt, het tempo waarin en de hiervoor aan [de eiser] gestelde zekerheden. Deze afspraken dienen realistisch te zijn met het oog op het voortbestaan van het bedrijf. Erfgenamen maken nadere afspraken hoe in praktijk de haalbaarheid in relatie tot de continuïteit van het bedrijf beoordeeld wordt (zie punt 4). (…)
3.7: Earn out 1 Meerwaarde bouwkavels
[de eiser] heeft gronden en stallen geërfd met een agrarische bestemming. Deze zijn ook als zodanig gewaardeerd in de verdeling. Er zijn mogelijkheden om gebruik te maken van de rood-voor-rood-regeling van gemeente/provincie en deze gronden om te zetten in een bouwkavel die verkocht kan worden. De gemeente stelt hierbij voorwaarden met betrekking tot asbestsanering, verplichte investeringen in natuur en zet een beperking op rendement dat je als particulier kunt halen via deze regeling. De ontwikkeling vraagt ook diverse investeringen vooraf. Ondanks deze ‘beperkingen’ is de verwachting dat een meerwaarde te realiseren is met de ontwikkeling van de bouwkavels. De omvang hiervan is niet goed in te schatten. De afspraak is dat de netto-meerwaarde van de verkoop van de bouwkavels gebruikt wordt ter inlossing van de schuld van [de gedaagde] .
Afspraak
(…)
- Indien de ontwikkeling niet binnen 5 jaar na ondertekening zijn afgewikkeld en de toezichthouder geen verlenging heeft afgegeven dan zal 50% van het grasland worden geleverd door [de eiser] aan [de gedaagde] tegen de getaxeerde waarde zoals opgenomen in de Verdeling Nalatenschap [de erflater] .
4, tweede gedachtestreepje: De notaris verzorgt de formele vastleggingen van de afspraken in deze wilsovereenstemming en de noodzakelijke overdrachten (o.a. aandelen,
vaststellingsovereenkomst, overdracht woning, gronden, lening/hypotheek, zekerheden)’.
2.6.
Na ondertekening van de wilsovereenstemming zijn de certificaten vervolgens op 26 juli 2024 aan [de gedaagde] geleverd.
2.7.
Op 29 juli 2024 heeft de geregistreerd partner van erflater, mevrouw [partner erflater] , de woning verlaten. Na overleg met de makelaar/adviseur bleek dat de woning niet verhuurklaar en/of verkoopbaar was in de staat zoals die door [partner erflater] was achtergelaten. De mogelijke verhuurinkomsten bleken daarnaast onvoldoende om de doorlopende lasten van de woning te dragen. [de eiser] heeft om die reden met haar partner besloten om de woning te gaan bewonen, en mogelijk de woning en percelen in de toekomst nog te verkopen.
2.8.
In september 2024 heeft notariskantoor [notariskantoor] notarissen te [vestigingsplaats] een concept verdelings- en leveringsakte opgesteld ten aanzien van de in hiervoor in 2.3. genoemde onroerende zaken. De levering kon toen (nog) niet doorgaan, onder meer omdat de (her)financiering van de hypotheekschuld bij ING nog niet rond was omdat de woning nog een onderpand was voor een zakelijke lening van de onderneming bij ING. Vanaf maart 2025 dient de woning niet meer als onderpand.
2.9.
Medio december 2024 is [de eiser] geïnformeerd dat er een (reken)fout was gemaakt bij de berekening van de hoogte van de overbedelingsschuld van [de gedaagde] aan haar. Die bleek geen € 1,3 miljoen te zijn maar € 741.666,- exclusief rente en kosten.
2.10.
In december 2024 is er een aangepaste conceptverdelingsakte opgesteld door de notaris, waarin het perceel grasland [kadasternummer grasland] is geschrapt. Tussen partijen is echter niet in geschil dat dat [de eiser] aanspraak kan maken op de levering van ook dat perceel.
2.11.
[de eiser] en haar partner zijn op 15 maart 2025 in de woning gaan wonen, nadat er
enkele verbouwingen hadden plaatsgevonden. [de eiser] heeft inmiddels haar eigen schoonheidssalon aan huis gemaakt.
2.12.
Partijen hebben op 10 december 2025 overleg gehad over de levering van de onroerende zaken. Zij zijn het eens geworden dat de lasten tot en met 31 december 2024 door de nalatenschap worden gedragen, maar zij zijn het niet eens geworden over een door [de gedaagde] gewenste sloopverplichting van de schuren die zich bevinden op een van de onroerende zaken. Na dit gesprek hebben mailwisselingen tussen partijen plaatsgevonden, maar [de gedaagde] weigert om mee te werken aan de levering van de onroerende zaken. De levering van de onroerende zaken heeft tot op heden nog niet plaatsgevonden.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert, na wijziging van eis, – verkort weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
3.1.1.
[de gedaagde] beveelt om uiterlijk twee weken na de betekening dit vonnis haar medewerking te verlenen aan de levering van voornoemde onroerende zaken aan [de eiser] , op de wijze zoals vermeld in 4.6 van de dagvaarding, althans op een wijze en termijn als de voorzieningenrechter passend oordeelt;
3.1.2.
bepaalt dat, voor zover [de gedaagde] na de onder 3.1.1. genoemde periode in gebreke blijft om aan dit vonnis te voldoen, dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring, de
handtekening en parafen van [de gedaagde] onder de notariële akte tot levering van de onder 3.1.1. genoemde onroerende zaken (reële executie in de zin van art. 3:300 lid 2 BW Pro).
3.1.3.
[de gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
3.2.
[de eiser] legt – kort weergegeven – aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Niet in geschil is dat de onroerende zaken aan [de eiser] zijn toegedeeld en alleen nog geleverd moeten worden. Dat volgt ook uit de wilsovereenstemming en [de eiser] vordert nakoming van die afspraak. [de eiser] heeft om verschillende redenen een spoedeisend belang bij haar vordering, maar zij wil onder meer uit de onverdeeldheid met haar zus raken ten aanzien van de onroerende zaken. Ieder van de deelgenoten kan te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen op grond van artikel 3:178 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). [de eiser] kan als deelgenoot niet gedwongen worden om in een onverdeeldheid te blijven.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[de gedaagde] voert – kort weergegeven – het volgende aan. De heer [executeur] is nog executeur en zonder zijn medewerking kunnen de percelen niet worden geleverd. Hij is echter niet in dit kort geding opgeroepen of gedagvaard. Als zijn medewerking wordt gevraagd zal hij volgens zijn eigen verklaring niet meewerken. Hierdoor is [de eiser] niet ontvankelijk in haar vordering. Verder bestrijdt [de gedaagde] dat [de eiser] een spoedeisend belang heeft. De toebedeling aan [de eiser] is onder een aantal voorwaarden en nadere afspraken gebeurd. Partijen verschillen van mening over het opnemen van die voorwaarden en afspraken in de akte van levering van die percelen, zodat er geen overeenstemming bestaat tussen partijen over de inhoud van de akte van levering. [de eiser] kan op basis van de redelijkheid en billijkheid, zoals neergelegd in artikel 6:2 van Pro het BW, niet verlangen, dat [de gedaagde] meewerkt aan levering van de drie percelen zonder een bepaling over de rood-voor-rood ontwikkeling en de daarmee samenhangende earn-out regeling op te nemen. Gelet op de verstrekkende gevolgen als hier aan de orde is zeker in kort geding grote terughoudendheid voor de rechter geboden. Alleen in een bodemprocedure kan zorgvuldig, bijvoorbeeld door het onder ede horen van getuigen, worden vastgesteld welke voorwaarden in de akte van levering moeten worden opgenomen in het licht van de afspraken die partijen met elkaar hebben gemaakt.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
In het onder 2.4 en 2.5 genoemde document ‘wilsovereenstemming en afspraken verdeling nalatenschap [de erflater] ’ staan onder 3.8 een aantal alinea’s onder het kopje ‘zekerheden’. Ten aanzien van de toedeling van de onroerende zaken aan [de eiser] zijn geen zekerheden opgenomen.
De bindende rechtsgeldigheid van dit document tussen partijen staat vast in deze door beide partijen ondertekende onderhandse akte, die dwingende bewijskracht heeft. Reeds om die reden treffen de verweren met de daarin vervatte voorwaarden die [de gedaagde] nu stelt, geen doel. Gesteld noch gebleken is dat er enige reële grond is om te vrezen dat [de eiser] de gemaakte afspraken in het kader van de rood-voor-rood ontwikkeling en de financiële afwikkelingen van die afspraken niet zal nakomen. Dit klemt te meer nu [de eiser] van haar kant al bijna twee jaar geleden in het belang van [de gedaagde] haar medewerking heeft verleend aan de toedeling van de waardevolle certificaten aan [de gedaagde] , waardoor [de gedaagde] fors werd overbedeeld, en waarbij [de eiser] ermee instemde dat bij de aflossing mede gelet zou worden op de belangen van de aan [de gedaagde] overgedragen onderneming. Waar [de eiser] geen invloed heeft gekregen op de bedrijfsvoering binnen die onderneming, gold als tegenhanger dat [de gedaagde] de ontwikkeling en eventuele verkoop van de onroerend goederen aan haar zus zou overlaten, immers door [de eiser] ‘zelfstandig’ uit te voeren (zie onder 2.1 in de onder 2.5 aangehaalde overeenkomst). [de eiser] vordert dan ook, voorlopig oordelend, op goede gronden medewerking aan de levering van de haar toekomende percelen.
Anders dan [de gedaagde] meent, heeft [de eiser] daarbij een voldoende spoedeisend belang. Het staat niet alleen vast dat de onroerende zaken haar op basis van de gemaakte verdelingsafspraken toekomen, inmiddels woont zij ook in de woning en voert zij daar ook hij eigen onderneming, waarvoor investeringen noodzakelijk waren en zijn.
4.3
[de gedaagde] heeft laten weten dat zij op zichzelf kan instemmen met de door [de eiser] voorgestelde wijzingen in het door de notaris opgemaakte concept van de akte van levering, zij het dat zij van oordeel is dat de executeur van oordeel is dat hij zijn medewerking daaraan niet zal verlenen, kennelijk omdat hij meent dat zijn bevoegdheid tot beheer nog niet is geëindigd. [de eiser] betwist dat die bevoegdheid nog bestaat. Onder deze omstandigheden dient te executeur in de procedure te worden betrokken op basis van artikel 118 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daartoe zal [de eiser] in de gelegenheid worden gesteld. Iedere formele beslissing zal daarom worden aangehouden. Mocht de executeur alsnog zijn medewerking willen verlenen, dan gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat ook [de gedaagde] op basis van dit vonnis zal meewerken aan de levering en kan de zaak daarmee worden beëindigd, waarbij ervan wordt uitgegaan dat beide partijen de eigen proceskosten dragen.
4.3.
De zaak zal voor korte tijd worden aangehouden voor overleg tussen partijen zelf en met de executeur. Indien verder procederen noodzakelijk blijkt dat dienen partijen uiterlijk op 29 mei 2026 hun verhinderdagen en die van de executeur in te dienen bij de kort geding griffie.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1. houdt de zaak aan tot 29 mei 2026 voor uitlating partijen op grond van het bepaalde in voorgaande rechtsoverwegingen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.