ECLI:NL:RBGEL:2026:5958
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van invorderingskosten bij niet-tijdige betaling voorlopige aanslagen IB/PVV 2023 en 2024
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017 en stelde dat dit bezwaar ook voor latere jaren zou gelden, waardoor hij uitstel van betaling meende te hebben voor de voorlopige aanslagen 2023 en 2024. De ontvanger bracht invorderingskosten in rekening wegens niet-tijdige betaling van deze voorlopige aanslagen. De rechtbank stelde vast dat uitstel van betaling alleen gold voor de jaren 2017 tot en met 2020 en dat belanghebbende geen uitstel had voor de jaren 2023 en 2024.
Belanghebbende had de aanslagen niet betaald binnen de gestelde termijnen en had ook geen uitstel van betaling aangevraagd. De rechtbank verwierp het verweer dat een medewerker van de Belastingtelefoon hem onterecht had verzekerd dat hij niet hoefde te betalen. De rechtbank vond de verklaring vaag en onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank concludeerde dat de invorderingskosten terecht zijn opgelegd en dat belanghebbende geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De beroepen werden ongegrond verklaard en de uitspraak is gedaan door rechter J.A.L. Heldens op 22 juli 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de invorderingskosten terecht zijn opgelegd.