ECLI:NL:RBGEL:2026:5959

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
C/05/464628
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:618 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir beslag en vereenzelviging natuurlijk persoon en B.V. niet aangenomen

Auerkam B.V. en haar bestuurder [eiser sub. 2] verrichtten werkzaamheden voor Fieldpiece Instruments B.V. op basis van een Service Agreement. De kantonrechter kwalificeerde deze overeenkomst als arbeidsovereenkomst en stelde een billijk loon vast. Fieldpiece legde conservatoir beslag onder Auerkam en [eiser sub. 2] ter zekerheid van vorderingen.

Auerkam c.s. vorderde opheffing van het beslag, stellende dat [eiser sub. 2] en Auerkam niet vereenzelvigd kunnen worden en dat het beslag disproportioneel is. Fieldpiece voerde verweer en stelde dat de beslagen rechtmatig zijn en dat zij vorderingen heeft op beide partijen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de leer van vereenzelviging strikt is en dat geen sprake is van misbruik van het identiteitsverschil. Daarom worden de beslagen ten laste van [eiser sub. 2] opgeheven, behalve het beslag op zijn woonhuis. Het beslag op Auerkam blijft gehandhaafd. Fieldpiece werd veroordeeld in de proceskosten, en Auerkam c.s. in de proceskosten van de reconventie.

Uitkomst: Beslag op natuurlijk persoon wordt opgeheven behalve op woonhuis, beslag op B.V. blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/464628 / KZ ZA 26-38
Vonnis in kort geding van 18 mei 2026
in de zaak van

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AUERKAM B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Doetinchem,
2.
[naam eiser sub. 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: Auerkam c.s.,
advocaten: mr. R.M.A. Gielisse en mr. S. Thomassen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FIELDPIECE INSTRUMENTS B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Fieldpiece,
advocaten: mr. L.D. Peels en mr. T. Mimpen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7 van Auerkam c.s.
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12f van Fieldpiece
- de producties 13 en 14 van Fieldpiece
- de productie 8 van Auerkam c.s.
- de mondelinge behandeling van 1 april 2026
- de vrijwillige verschijning van Fieldpiece
- de pleitnota van Auerkam c.s.
- de pleitnota van Fieldpiece
- de aanhouding ten behoeve van overleg tussen partijen
- de brief van Auerkam c.s. van 22 april 2026 met het verzoek om vonnis te wijzen.

2.De feiten

2.1.
Op 20 oktober 2020 heeft [eiser sub. 2] Auerkam B.V. (hierna: Auerkam) opgericht. Auerkam is een organisatieadviesbureau dat zich bezighoudt met de advisering op het gebied van management en bedrijfsvoering. [eiser sub. 2] is statutair bestuurder en enig aandeelhouder van Auerkam. Fieldpiece is een wereldwijd opererende onderneming met een hoofdkantoor in de VS. Fieldpiece houdt zich bezig met de ontwikkeling, productie en verkoop van meetinstrumenten en gereedschappen die met name worden gebruikt in de HVACR-sector (verwarming, ventilatie, airconditioning en koeling).
2.2.
Op 26 november 2020 zijn Auerkam en Fieldpiece een “Service Agreement” aangegaan. Daarin zijn zij onder meer overeengekomen:
“6.1 The Contractor will send the Contracting Party a retainer invoice on a monthly basis for the activities which will be executed in the following month amounting to € 22.000,00 per month excluding VAT. ( ... )."
2.3.
Op 26 november 2020 zijn Fieldpiece en Auerkam tevens schriftelijk een
bonusregeling van 28,8% van de jaarvergoeding overeengekomen, afhankelijk
van het behalen van gestelde doelen. De overeengekomen maandelijkse vergoeding is jaarlijks verhoogd. Laatstelijk bedroeg de aan [eiser sub. 2] betaalde vergoeding € 32.481,75 per maand.
2.4.
Op basis van voormelde overeenkomst heeft Auerkam – in de persoon van [eiser sub. 2] – in de periode van 1 januari 2021 tot en met 19 juni 2025 (management) werkzaamheden verricht voor Fieldpiece. Fieldpiece heeft op basis van de Service Agreement aan Auerkam in totaal een bedrag betaald van € 2.311.554,88 exclusief BTW.
2.5.
Bij brief van 19 juni 2025 heeft Fieldpiece de overeenkomst met Auerkam met onmiddellijke ingang opgezegd.
2.6.
In een beschikking van 28 november 2025 (hierna: de beschikking) heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam de Service Agreement tussen partijen gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft hiertoe het volgende overwogen:
“Gelet op voorgaande omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, komt de
kantonrechter tot de slotsom dat de als opdracht ingestoken overeenkomst tussen
partijen (via de door [eiser sub. 2] speciaal opgerichte persoonlijke vennootschap
Auerkam) kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. Hierbij wordt waarde gehecht aan de volledige inbedding van [eiser sub. 2] in het bedrijf waarvoor hij full time werkzaam was en naar buiten optrad. Ook is het ontbreken van een gelijkwaardige relatie tussen partijen, waarbij [eiser sub. 2] het werk volledig naar eigen inzicht kon doen, van belang. Integendeel, de frictie tussen partijen lijkt juist op dit laatste punt te zijn ontstaan, in die zin dat Fieldpiece [eiser sub. 2] verwijt dat hij eigenmachtig te werk ging, wat voor haar reden was om de relatie eenzijdig (en onmiddellijk) te beëindigen. Van enig ondernemerschap (daarnaast) of het lopen van commercieel risico door [eiser sub. 2] is niet gebleken. Het argument van Fieldpiece dat [eiser sub. 2] door zelf aan te dringen op de opdracht-constructie zijn recht op een arbeidsovereenkomst heeft verspeeld, miskent dat de feitelijke situatie de doorslag geeft, waarbij de afspraak tussen partijen slechts een element is. Het feit dat partijen welbewust hebben gekozen om op basis van een overeenkomst van opdracht samen te werken en een daarbij behorende hogere beloning zijn overeengekomen, staat evenmin aan de kwalificatie van de overeenkomst als arbeidsovereenkomst in de weg. Duidelijk is immers dat daarvoor slechts is gekozen vanwege fiscale motieven en uit de redactie van de overeenkomst blijkt ook dat partijen zich er van bewust waren dat in werkelijkheid sprake kon zijn van een arbeidsovereenkomst.”
2.7.
De kantonrechter heeft vervolgens op grond van artikel 7:618 van Pro het Burgerlijk Wetboek een billijk loon voor [eiser sub. 2] vastgesteld van € 32.491,38 exclusief btwper maand. Fieldpiece is in de beschikking veroordeeld tot betaling aan [eiser sub. 2] van een bedrag van in totaal € 277.795,95 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding, billijke vergoeding en vergoeding voor niet genoten vakantiedagen.
2.8.
Op 13 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan Fieldpiece verlof verleend tot het leggen van conservatoire beslagen ten laste van Auerkam c.s. ter verzekering van een bedrag van € 1.552.893,39.
2.9.
Op 3 maart 2026 heeft Fieldpiece vervolgens conservatoir derdenbeslag onder ABN AMRO Bank N.V. ten laste van [eiser sub. 2] gelegd en voorts conservatoir derdenbeslag onder Auerkam ten laste van [eiser sub. 2] , conservatoir derdenbeslag onder KNAB Bank ten laste van Auerkam, conservatoir derdenbeslag onder [eiser sub. 2] ten laste van Auerkam en conservatoir beslag op de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] ten laste van [eiser sub. 2] .
2.10.
Op 6 maart 2026 heeft [eiser sub. 2] de beschikking van de kantonrechter laten betekenen aan Fieldpiece. Op 17 en 18 maart 2026 heeft [eiser sub. 2] executoriaal beslag gelegd ten laste van Fieldpiece onder vier van haar klanten.
2.11.
Fieldpiece heeft Auerkam c.s. op 17 maart 2026 gedagvaard in een hoofdzaak waarbij Fieldpiece onder meer betaling vordert door Auerkam c.s. van een bedrag van € 1.280.476,86 althans € 897.132,81 bestaande uit te verwachten fiscale naheffingen en het verschil tussen het in de beschikking vastgestelde billijke loon en het bedrag dat op basis van de Service Agreement aan Auerkam is betaald.
2.12.
Op 25 maart 2026 heeft Fieldpiece het netto equivalent van het bedrag van € 277.795,96 bruto voldaan op de rekening van [eiser sub. 2] bij de ABN AMRO Bank en diezelfde dag ook beslag gelegd op die rekening.
2.13.
Op 31 maart 2026 heeft [eiser sub. 2] de executoriale beslagen onder de klanten van Fieldpiece opgeheven.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
Auerkam c.s. vordert - samengevat - opheffing van de op 3 (en 25) maart 2026 ten laste van Auerkam c.s. gelegde beslagen, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Fieldpiece in de kosten van deze procedure.
3.2.
Auerkam c.s. legt – kort weergegeven – aan de vordering primair ten grondslag dat de vorderingen van Fieldpiece summierlijk ondeugdelijk zijn en subsidiair dat het voortduren van de beslagen op grond van een afweging van de wederzijdse belangen disproportioneel en niet gerechtvaardigd is. De beslagen jegens [eiser sub. 2] zijn onrechtmatig omdat hij niet vereenzelvigd kan worden met Auerkam. Het enkele feit dat [eiser sub. 2] Auerkam heeft opgericht voor het uitvoeren van de werkzaamheden bij Fieldpiece betekent niet dat ze vereenzelvigd moeten worden. Ook is de rechtsgrond van de betalingen aan Auerkam op basis van de Service Agreement niet met terugwerkende kracht weggevallen door de herkwalificatie tot arbeidsovereenkomst. Ook is er op dit moment geen bestaande en/of opeisbare vordering wegens loonheffingen. De hoogte van die vordering is ook onduidelijk en in ieder geval lager dan Fieldpiece stelt omdat Auerkam zelf al loonbelasting heeft betaald voor loon dat is betaald aan [eiser sub. 2] . Auerkam heeft Fieldpiece ook fiscale vrijwaring gegeven, wat betekent dat de Auerkam eventuele loonheffingen voor haar rekening moet nemen. Indien de vordering van Fieldpiece niet summierlijk ondeugdelijk wordt geacht, wegen de belangen van Auerkam c.s. bij opheffing van het beslag zwaarder dan de belangen van Fieldpiece bij handhaving daarvan. Het beslag treft ook de echtgenote van [eiser sub. 2] en het beslag op de bankrekening van Auerkam belemmert haar bedrijfsvoering. Daarbij zijn de beslagen gelegd zonder voorafgaande sommatie en terwijl partijen op dat moment juist in constructief overleg waren over de uitvoering van de beschikking. Fieldpiece frustreert met de gelegde beslagen feitelijk de uitvoering van de beschikking.
3.3.
Fieldpiece voert verweer. Fieldpiece concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Auerkam c.s., dan wel tot afwijzing van haar vorderingen met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Auerkam c.s. in de kosten van deze procedure.
3.4.
Fieldpiece voert – kort weergegeven – het volgende aan. De gelegde beslagen zijn rechtmatig. De vorderingen van Fieldpiece op Auerkam c.s. zijn niet summierlijk ondeugdelijk. Fieldpiece heeft vorderingen op beide partijen. Fieldpiece heeft € 897.132,81 te veel aan contractor fees betaald aan Auerkam en het feit dat de Service Agreement inmiddels niet meer bestaat bevestigt dit. Los daarvan heeft Fieldpiece ook € 897.132,81 te veel salaris betaald aan haar 'nieuwe’ contractspartij, [eiser sub. 2] . Fieldpiece vordert dit bedrag terug als onverschuldigd betaald. Daarnaast dient Fieldpiece als werkgever nu alsnog loonheffingen af te dragen aan de Belastingdienst op de betalingen die nu achteraf alsnog als loon aangemerkt zijn. Fieldpiece kan deze loonheffingen niet meer inhouden op nog te betalen salaris, omdat het salaris al aan [eiser sub. 2] is betaald (al dan niet via Auerkam). Niet gebleken is op welke wijze de beslagen Auerkam c.s. belemmert. Nu het beslag geen disproportionele nadelen voor Auerkam c.s. met zich brengt weegt het belang van Fieldpiece bij zekerheidstelling voor haar vorderingen en dus bij behoud van de gelegde beslagen zwaarder.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
In reconventie
3.6.
Fieldpiece verzoek Auerkam c.s. te veroordelen in de proceskosten in reconventie.
3.7.
Fieldpiece legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. Fieldpiece heeft op 25 maart 2026 bevrijdend betaald aan [eiser sub. 2] , omdat toen volledig is voldaan aan de betalingsverplichting uit de beschikking. Zeker vanaf dat moment waren de gelegde executoriale beslagen door [eiser sub. 2] vexatoir en onrechtmatig. Doordat [eiser sub. 2] weigerde de beslagen op te heffen moest Fieldpiece een reconventionele vordering instellen en daarvoor proceskosten maken.
3.8.
Auerkam c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van Fieldpiece met veroordeling van Fieldpiece in de kosten van deze procedure.
3.9.
Auerkam c.s. voert – kort weergegeven – het volgende aan. De beslagen zijn na ontvangst van de volledige betaling (inclusief de op 30 maart 2026 betaalde executiekosten) opgeheven. De reconventionele vordering werd ingesteld terwijl partijen nog in afwachting waren van het overzicht van de deurwaarder.
3.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie
4.1.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering, zodat Auerkam c.s. ontvankelijk is in dit kort geding.
4.2.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.
4.3.
De beslagen ten laste van [eiser sub. 2] moeten worden opgeheven, de beslagen ten laste van Auerkam blijven gehandhaafd. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen Auerkam en [eiser sub. 2] niet als dezelfde persoon worden gezien. [eiser sub. 2] als natuurlijk persoon en Auerkam als rechtspersoon zijn op zichzelf staande entiteiten. Op grond van vaste rechtspraak wordt de leer van vereenzelviging strikt toegepast. [1] Vereenzelviging kan slechts worden aangenomen op basis van zodanig bijzondere omstandigheden dat feitelijk het identiteitsverschil tussen de betrokken rechts- en natuurlijke personen kan worden weggedacht. Dit is alleen mogelijk in uitzonderlijke gevallen. Alleen indien duidelijk is dat degene met volledige zeggenschap over een rechtspersoon heeft beoogd misbruik te maken en heeft gemaakt van het identiteitsverschil tussen hemzelf als natuurlijk persoon en de B.V. als rechtspersoon, wordt een beroep op vereenzelviging gehonoreerd.
4.5.
Daarvan is hier niet gebleken. Fieldpiece is bewust met Auerkam als contractspartij een Service Agreement overeengekomen. Dat deze constructie achteraf bij de kantonrechter niet houdbaar is gebleken maakt niet dat [eiser sub. 2] heeft beoogd misbruik te maken van het identiteitsverschil tussen hem en Auerkam. Dat Fieldpiece daardoor mogelijk (deels onverschuldigd) heeft betaald aan Auerkam, betekent dan ook niet op voorhand dat [eiser sub. 2] daarvoor kan worden aangesproken. Dat is iets wat in een bodemprocedure nader moet worden uitgezocht, evenals de vraag of en voor welk bedrag Fieldpiece nog door de belastingdienst kan worden aangesproken voor niet afgedragen werkgeverslasten. Auerkam heeft immers onbetwist gesteld dat zij al werkgeverslasten voor [eiser sub. 2] heeft afgedragen en partijen zijn ook met elkaar in constructief overleg om te bezien wat al aan werkgeverslasten is betaald en wat nog moet worden betaald. Auerkam heeft ook gesteld dat zij die lasten voor haar rekening zal nemen. Nu ook het deel van de vordering ten aanzien van de fiscale naheffing niet vaststaat en [eiser sub. 2] door de beslagen wordt belemmerd in het betalen van zijn maandelijkse lasten, terwijl hij mogelijk ten aanzien van de vorderingen van Fieldpiece in de bodemzaak niet als partij kan worden gezien, weegt zijn belang bij opheffing van de beslagen zwaarder dan het belang van Fieldpiece bij handhaving van de beslagen ten laste van [eiser sub. 2] . Dit geldt echter niet voor het beslag op zijn woonhuis. In zoverre zal zijn vordering worden afgewezen.
Dat Fieldpiece mogelijk nog een vordering heeft op Auerkam is wel summierlijk gebleken. Nu Auerkam ook speciaal is opgericht in het kader van de Service Agreement met Fieldpiece en die overeenkomst inmiddels is ontbonden, is niet duidelijk hoe Auerkam door de beslagen in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd. Het belang van Fieldpiece bij handhaving van de beslagen ten laste van Auerkam weegt dan ook zwaarder dan het belang van Auerkam bij opheffing daarvan.
4.6.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.
4.7.
Fieldpiece is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Auerkam c.s. worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In reconventie
4.9.
Fieldpiece heeft op 25 maart 2026 het bedrag aan [eiser sub. 2] overgemaakt waartoe zijn op basis van de beschikking veroordeeld was en Auerkam c.s. verzocht de executoriale beslagen onder haar klanten per direct op te heffen. Met de betaling van het betreffende bedrag heeft Fieldpiece aan de beschikking voldaan en is de grondslag van het executoriale beslag voor Auerkam c.s. komen te vervallen. Auerkam c.s. is echter pas na het instellen van de vordering in reconventie tot opheffing van de beslagen overgegaan.
4.10.
Nu Fieldpiece de vordering in reconventie heeft moeten instellen om Auerkam c.s. tot opheffing van de beslagen te bewegen, terwijl daarvoor niet langer een grond bestond zal Auerkam c.s. in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De proceskosten van Fieldpiece worden begroot op € 760,00 aan salaris advocaat (zijnde de kosten voor een licht/eenvoudig kort geding).
De beslissing
De voorzieningenrechter
In conventie
4.11.
heft op de op 3 en 25 maart 2026 ten laste van [eiser sub. 2] gelegde conservatoire derdenbeslagen onder de ABN AMRO Bank N.V. en onder Auerkam B.V.;
4.12.
veroordeelt Fieldpiece in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Fieldpiece niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.13.
veroordeelt Fieldpiece tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
In reconventie
4.14.
veroordeelt Auerkam c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 760,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Auerkam c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend
In conventie en reconventie
4.15.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.16.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.

Voetnoten

1.Zie de Hoge Raad 13 oktober 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA7480) en de Hoge Raad 7 oktober 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2285).