ECLI:NL:RBGEL:2026:597

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
05/212068.25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot 5 jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag met mes

Op 28 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die op 11 juli 2025 in Arnhem een poging tot doodslag heeft gepleegd. De verdachte heeft de aangever met een mes in zijn armen gestoken, nadat de aangever eerder de auto van de verdachte had vernield. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte meerdere keren met kracht heeft gestoken in de richting van de buik en nek van de aangever, maar dat deze niet zijn geraakt doordat de aangever zich heeft afgewend. De rechtbank heeft het beroep op noodweer afgewezen, omdat de feitelijke toedracht niet is komen vast te staan. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar, waarbij de rechtbank rekening heeft gehouden met de ernst van het feit en de gevolgen voor de aangever, die blijvend letsel heeft opgelopen. De rechtbank heeft ook een schadevergoeding toegewezen aan de aangever, die bestaat uit materiële schade en smartengeld, en heeft de verdachte verplicht om deze schadevergoeding aan de Staat te betalen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank, en de zaak is behandeld in tegenwoordigheid van de griffier.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.212068.25
Datum uitspraak : 28 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] , ingeschreven op [adres] in Arnhem,
op dit moment gedetineerd in de [plaats 1] .
raadsman: mr. A.W. Syrier, advocaat in [plaats 2] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 juli 2025 in de gemeente Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, meermalen met een mes, in ieder geval een dergelijk scherp (steek)voorwerp, in de richting van de buik en/of de nek heeft gestoken en/of meermalen met een mes, in ieder geval een dergelijk scherp (steek)voorwerp in de linker- en/of rechter onderarm en/of de linker- en/of rechter bovenarm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 juli 2025 in de gemeente Arnhem, aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel,
te weten meerdere (diepe) steek- en/of snijwonden in beide armen heeft toegebracht, door meermalen met een mes, in ieder geval een dergelijk scherp (steek) voorwerp in de linker- en/of rechter onderarm en/of de linker- en/of rechter bovenarm te steken;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 juli 2025 in de gemeente Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met een mes, in ieder geval een dergelijk scherp (steek)voorwerp, in de richting van de buik en/of de nek heeft gestoken en/of meermalen met een mes, in ieder geval een dergelijk scherp (steek)voorwerp in de linker- en/of rechter onderarm en/of de linker- en/of rechter bovenarm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 11 juli 2025 in Arnhem heeft verdachte [slachtoffer] met een mes gestoken in zijn rechter boven- en onderarm en in zijn linkerarm. [2] [slachtoffer] heeft hierdoor onder andere snij-, steek-, barst- en scheurverwondingen met wijkende wondranden en/of bloedingen opgelopen aan zijn rechter boven- en onderarm en aan zijn linker onderarm. [3]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat, gelet op de verklaring van aangever en de letselinterpretatie, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat niet kan worden bewezen dat verdachte richting de buik en/of de nek van aangever heeft gestoken. Van dit deel van de tenlastelegging moet verdachte dan ook worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte nadrukkelijk heeft verklaard te hebben gemikt op de armen van aangever, bovendien vindt het steken richting de buik en/of nek ook geen steun in het dossier anders dan de verklaring die aangever hier zelf over heeft afgelegd.
Van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag moet verdachte worden vrijgesproken, nu verdachte geen opzet had op de dood van aangever. Daarnaast is de verdediging van mening dat van voorwaardelijk opzet evenmin sprake is geweest. Uit het dossier kan met onvoldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de bewezenverklaarde handeling, namelijk het steken in de linker- en/of rechter onderarm en/of de linker- en/of de rechter bovenarm, de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel in het leven heeft geroepen.
Ook van de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling moet verdachte worden vrijgesproken, omdat op grond van de beschikbare medische gegevens met onvoldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake is van letsel in de zin van artikel 82 Sr.
Beoordeling door de rechtbank
Uit zowel de verklaringen van verdachte als aangever volgt dat aangever op 11 juli 2025 meerdere malen met een hamer op de auto van verdachte heeft geslagen. De auto stond op dat moment voor de woning van de vriendin van verdachte geparkeerd. Aangever zou van een ander een opdracht hebben gekregen om dat te doen en van die opdrachtgever geld krijgen voor het plegen van die vernieling. Op het moment dat aangever met de hamer tegen de auto van verdachte aansloeg, zat de vriendin van verdachte in de auto. Verdachte bevond zich op dat moment in de woning van zijn vriendin. Zij gaf telefonisch aan verdachte door dat zij zag dat een persoon met een hamer op de auto sloeg. Verdachte heeft toen een mes uit een lade in de kledingkast van de woning van zijn vriendin gepakt en is naar buiten gegaan. Verdachte zag aangever bij de auto staan en is achter hem aangerend.
Steken richting de buik en de nek van aangever
Aangever en verdachte hebben voor wat betreft het steken deels tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Aangever heeft verklaard dat hij vanaf de trap – vluchtend voor verdachte – struikelde, naar beneden viel en ‘onder’ de [plaats 3] op zijn linkerzij lag en dat verdachte boven aangever stond toen hij werd gestoken. [4] Verdachte heeft onder meer verklaard dat aangever met een eigen mes in zijn hand rechtop stond met de armen gekruist en met zijn bovenlichaam iets gedraaid toen verdachte hem heeft gestoken.
De rechtbank overweegt dat aangever in zijn verklaringen consistent is geweest over dat hij zag dat verdachte een stekende beweging richting zijn buik maakte. Hij weerde deze beweging af door zijn rechterarm voor zijn buik te houden. Daarna probeerde verdachte aangever in zijn nek te steken. Aangever probeerde dit af te weren door zijn rechterarm omhoog te brengen. Hij bracht zijn hand achter zijn hoofd en voelde dat verdachte hem in zijn biceps stak. [5] Terwijl hij zich afweerde tegen de stekende bewegingen van verdachte hield aangever zijn armen in een hoek van 90 graden, met zijn rechterelleboog bij zijn hoofd. De eerste keer stak verdachte hem in zijn rechter-biceps, buitenkant arm, terwijl aangever zijn biceps ter hoogte van zijn hoofd had. Terwijl aangever zijn arm op borsthoogte hield om zich af te weren, stak verdachte hem meerdere malen aan de bovenkant van zijn rechteronderarm. Daarna verweerde aangever zich met zijn linkerarm en stak verdachte hem in die arm. [6]
Uit de letselinterpretatie volgt dat het volgende letsel bij aangever is geconstateerd:
  • Ongeveer halverwege de buitenzijde van de rechterbovenarm een scherp begrensde, lijnvormige, bruinrode huidonderbreking van ongeveer 2,5 bij 1 centimeter;
  • Ongeveer 4,5 – 5 centimeter boven de elleboogsplooi en aan de buigzijde van de rechterbovenarm een scherp begrensde, lijnvormige, bruinrode huiddoorbreking met een lengte van ca. 2 centimeter;
  • Aan de strekzijde van de rechteronderarm en -hand een scherp begrensde, in de lengterichting van de onderarm en golfend verlopende, bruinrode huiddoorbreking over een totaal huidgebied van ca. 16 bij 7 centimeter;
  • Aan de strekzijde van de rechterhand, lopend van net onderaan de duimzijde van de rechtermiddelvinger tot ongeveer de basis van de rechter middel- en wijsvinger bevindt zich een scherp begrensde, lijnvormige en deels in een boog verlopende, bruinrode huiddoorbreking van ca. 8 bij 1 centimeter;
  • Aan de buigzijde van de rechteronderarm en -hand bevindt zich een scherp begrensde, gebogen en deels in een soort zigzagvorm verlopende, bruinrode huiddoorbreking over een totaal huidgebied van ca. 12 bij 4 centimeter;
  • Aan de strekzijde van de linker onderarm bevindt zich een scherp begrensde, lijnvormige, golvend verlopende, bruinrode huiddoorbreking over een totaal huidgebied van ca. 8,5 bij 1 centimeter;
  • Aan de handpalmzijde van de linkerhand bevinden zich meerdere, scherp begrensde, oppervlakkig gelegen, deels parallel en deels in willekeurige richtingen lopende, lijnvormige, onderbroken, bruinrode huidverkleuringen, variërend in lengte, over een totaal huidgebied van ca. 8 bij 5 centimeter.
Uit de letselinterpretatie volgt daarnaast dat het aannemelijk is dat het totale letselbeeld op ten minste vijf verschillende momenten moet zijn ontstaan. [7] Verder volgt uit de letselinterpretatie dat afweerletsel voornamelijk wordt aangetroffen op de onderarmen, polsen en handen. Het letsel van aangever bestaat onder andere uit doorsnijding van een zenuw, slagader en pezen in zijn rechterarm en linker onderarm. Het letsel van aangever kan qua locatie worden gezien als afweerletsel. [8]
De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangever over de plekken waar verdachte hem heeft gestoken en over het afweren van stekende bewegingen richting zijn buik en nek worden ondersteund door de letselinterpretatie. Bovendien acht de rechtbank de verklaring van aangever betrouwbaar, niet alleen omdat deze gedetailleerd is en ondersteund wordt door de letselinterpretatie, maar ook omdat hij vanaf zijn eerste verklaring zichzelf ook heeft belast; aangever heeft direct verteld dat hij in deze situatie terecht was gekomen omdat hij een opdracht had aangenomen om tegen betaling een auto te vernielen. [9] Verdachte heeft daarentegen tegenover derden zeer wisselend verklaard over wat er onderaan de trap zou zijn gebeurd, zoals verderop in dit vonnis nader zal worden besproken.
De verklaring van verdachte dat hij enkel zou hebben gemikt op de armen van aangever volgt de rechtbank op grond van dit alles dan ook niet.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte – naast dat hij daadwerkelijk in de armen van aangever heeft gestoken – ook in de richting van de buik en de nek van aangever heeft gestoken.
Poging tot doodslag (primair)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe de handelwijze van verdachte is te kwalificeren.
Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te kunnen komen, is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van aangever. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het procesdossier om te kunnen vaststellen dat verdachte
volopzet heeft gehad om aangever van het leven te beroven.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte
voorwaardelijkopzet heeft gehad op de dood van aangever. Hiervan is kort gezegd sprake als er een aanmerkelijke kans aanwezig is dat dit gevolg – de dood – zal intreden en verdachte welbewust deze kans heeft aanvaard. Of dit zo is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aannemelijk is te achten.
De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat verdachte meermaals richting de buik en nek van aangever heeft gestoken; deze zijn echter niet geraakt doordat aangever zijn armen hiervoor hield en deze stekende bewegingen van verdachte afweerde. Verdachte heeft daardoor wel meerdere keren gestoken in de armen van aangever. Om vast te kunnen stellen of door deze gedragingen – het steken richting de buik en nek – de aanmerkelijke kans bestond dat aangever zou komen te overlijden, zijn meerdere factoren van belang, namelijk onder andere: de lengte van het mes en de wijze waarop met het mes is gestoken, waaronder de mate van kracht waarmee is gestoken.
Verdachte heeft verklaard dat hij het mes waarmee hij aangever heeft gestoken na het incident in een rivier heeft gegooid. Over de grootte van het mes kunnen dus geen onafhankelijke conclusies worden getrokken.
Vaststaat wel dat verdachte aangever tenminste vijf keer met een mes in de richting van zijn buik en nek heeft gestoken en dat hij hem daarbij heeft geraakt op meerdere plekken in zijn armen. In de letselinterpretatie is te lezen dat er sprake was van open botletsel in de onderarmen (breuk(en) van spaakbeen en ellepijp) en handen en dat sprake was van doorsnijding van zenuwen, spieren, een slagader en meerdere pezen. [10] De rechtbank concludeert gelet op dit letsel en met name de breuken in de botten van de onderarm dat verdachte met een aanzienlijke kracht heeft gestoken in – zoals eerder vastgesteld – de richting van de buik en de nek van aangever. Verdachte heeft ter zitting verder verklaard dat het hem tijdens het steken ‘zwart voor de ogen werd’, waardoor hij niet meer weet hoe vaak hij aangever heeft gestoken.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het meerdere malen krachtig steken met een mes in de buik- en nekstreek – waar zich vitale organen zoals het hart, de longen en (de hals)slagader(s) bevinden – een aanmerkelijke kans op de dood teweegbrengt. De rechtbank concludeert op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte, te weten: het meerdere malen met kracht met een mes in de richting van de buik en nek van aangever steken, terwijl aangever bovendien op de grond lag, hij de aanmerkelijke kans op de dood van aangever welbewust heeft aanvaard. Dat er bij aangever geen sprake is van daadwerkelijk (potentieel) dodelijk letsel, maakt dit niet anders. Dit is naar het oordeel van de rechtbank immers enkel te danken aan het feit dat aangever de steken van verdachte met zijn armen heeft weten af te weren.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag (primair).

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks11 juli 2025 in de gemeente Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, meermalen met een mes,
in ieder geval een dergelijk scherp (steek)voorwerp,in de richting van de buik en
/ofde nek heeft gestoken en
/ofmeermalen met een mes,
in ieder geval een dergelijk scherp (steek)voorwerpin de linker- en
/ofrechter onderarm en
/ofde
linker- en/ofrechter bovenarm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Poging tot doodslag

5.De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten geldt dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte uit noodweer dan wel noodweerexces heeft gehandeld. Aangever heeft vóórdat het tenlastegelegde feit plaatsvond eerst de auto van verdachte vernield terwijl zijn vriendin in de auto zat. Verdachte zag hem en is achter hem aangerend. Verdachte zag op enig moment dat aangever een mes in zijn handen had, waarmee hij verdachte probeerde te steken. Verdachte heeft pas daarna aangever gestoken. Er was aldus sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte waartegen hij zichzelf mocht verdedigen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat aan verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodweer of noodweerexces toekomt.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank dient allereerst vast te stellen of sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte of een ander.
Nadat de eerste verbalisanten kort na de melding van de vernieling van de auto ter plaatse waren gekomen heeft verdachte tegen hen gezegd dat hij één van ‘die gasten’ onderaan de trap te pakken had gekregen en een paar keer geschopt heeft, maar dat die kon wegkomen (p. 33 procesdossier). Tijdens het vervoer vlak na zijn aanhouding in de nacht van het feit heeft verdachte verklaard dat hij aangever hard van de trap heeft geschopt. Verdachte vroeg daarop aan verbalisant of het slachtoffer ook steekwonden had en zei daarbij dat je ook snijwonden kunt krijgen als je van de trap valt (p. 39 procesdossier). In een verhoor een dag later op 12 juli 2025 heeft verdachte verklaard dat hij eerder had gezegd dat hij iemand van de trap heeft getrapt. Verder verklaarde hij in dat verhoor dat als aangever zelf een mes heeft gehad of zichzelf heeft verwond, verdachte snapt dat aangever snijwonden krijgt. Verdachte heeft in dat verhoor verder verklaard dat hij zag dat aangever een grote hamer in zijn hand had en dat hij in zijn andere hand nog iets hield waarvan hij niet kon zien wat dat was. Verdachte verklaart dan ook dat hij aangever bij de trap een voetveeg heeft gegeven (p.123 procesdossier). Verdachte heeft eerst op 14 juli 2025 bij de rechter-commissaris in het kader van de vordering tot bewaring verklaard dat aangever met een mes voor hem stond en in zijn richting stak. Verdachte deed op dat moment één of twee stappen naar achteren en pakte direct zijn eigen mes en klapte het open. Verdachte heeft aangever pas gestoken op het moment dat aangever richting hem uithaalde, aldus verdachte. Op dat moment had aangever in het aanvullende verhoor van 12 juli 2025 verklaard dat hij een klein zakmes in zijn linker jaszak heeft gehad (p. 72 proces-verbaal voorgeleiding, gesloten d.d. 13 juli 2025). Aan zijn vriendin heeft verdachte nooit iets gezegd over wat er is gebeurd toen hij achter de man is aangelopen (verklaring [naam] bij de rechter-commissaris).
Gelet op de wisselende verklaringen van verdachte, het feit dat hij niet direct tegen de politie (of zijn vriendin) heeft verteld dat hij zichzelf enkel heeft verdedigd tegen een mes van aangever, dat aangever heeft verklaard dat hij zijn zakmes tijdens het voorval met verdachte niet uit zijn zak heeft gehaald en dat hij heeft ontkend richting verdachte gestoken te hebben en de verklaring van verdachte ook overigens geen aansluiting vindt in het dossier, acht de rechtbank de feitelijke grondslag van het door verdachte gedane beroep op noodweer niet aannemelijk geworden. Dit geldt te meer nu de rechtbank reeds heeft vastgesteld dat zij de verklaring van aangever over wat er is gebeurd betrouwbaar vindt, onder andere omdat deze op belangrijke punten wordt ondersteund in het dossier.
Dat er sprake was van een noodweersituatie is dus niet aannemelijk geworden. Gelet daarop komt verdachte geen beroep op noodweer of noodweerexces toe.
Het feit is dus strafbaar en verdachte is een strafbare dader.

6.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, gelet op de ernst van het feit, het strafblad van verdachte en het reclasseringsrapport, gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij een eventuele strafoplegging ernstig rekening moet worden gehouden met het eigen aandeel dat aangever heeft gehad in het feit en de gevolgen daarvan. Verder dient te worden meegenomen dat verdachte zijn leven inmiddels op orde heeft en dat hij mantelzorg aan zijn moeder verleent. De raadsman heeft verzocht om een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest en voor het overige een voorwaardelijk straf met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Verder heeft de raadsman verzocht de voorlopige hechtenis op een zo kort mogelijke termijn op te heffen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op aangever door met een mes meerdere keren met kracht stekende bewegingen in de richting van de buik en de nek van aangever te maken. Doordat aangever zich heeft afgeweerd heeft verdachte hem niet in zijn buik en nek geraakt. Wel heeft verdachte aangever op meerdere plekken in zijn armen geraakt, wat botbreuken, doorsnijding van een slagader, zenuwen, pezen en spieren tot gevolg heeft gehad. Een dergelijk feit is voor een slachtoffer een traumatische ervaring waar hij nog lang last van kan hebben. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en de slachtofferverklaringen zoals afgelegd ter terechtzitting blijkt dat aangever zijn rechterhand nog altijd niet volledig kan gebruiken, ondanks dat hij hier al meerdere keren aan is geopereerd. Het is overigens ook niet duidelijk of en wanneer zijn verwondingen volledig zullen herstellen. De rechtbank vindt dat sprake is van een zeer ernstig feit en weegt dit mee in haar strafoplegging. Gelet op de aard van dit letsel, het herhaaldelijk operatieve ingrijpen en het feit dat er waarschijnlijk blijvende functionele schade is aan de rechterhand, is de rechtbank van oordeel dat er bij aangever sprake is van zwaar lichamelijk letsel zoals bedoeld in artikel 82 Sr.
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat er dus sprake is van recidive.
In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de context waarin het feit heeft plaatsgevonden. Aangever heeft in opdracht van een ander de auto van verdachte vernield. Verdachte werd bovendien al geruime tijd lastig gevallen waarbij onder meer eerder zijn autoruit is ingeslagen en een gps-tracker onder zijn auto is geplaatst. De rechtbank kan overigens niet vaststellen of aangever met deze eerdere incidenten ook iets te maken heeft gehad.
De rechtbank houdt verder rekening met het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 15 december 2025. Het sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en de houding van verdachte worden aangemerkt als direct delict gerelateerde factoren. De verdenking duidt bovendien op een negatief sociaal netwerk. De reclassering vindt het zorgelijk dat verdachte doelbewust een mes heeft gepakt en daarmee achter aangever is aangegaan en niet heeft teruggedeinsd om dat ook te gebruiken. Verdachte heeft daarbij een bagatelliserende houding jegens zijn uiteindelijke handelen.
Alhoewel de reclassering een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden heeft geadviseerd, zal de rechtbank geen bijzondere voorwaarden opleggen gelet op het volgende. Het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel (waar bijzondere voorwaarden aan kunnen worden gekoppeld) is mogelijk bij een veroordeling tot een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar (artikel 14a Sr). Een gevangenisstraf van vier jaar waarvan een deel daarvan met het oog op de bijzondere voorwaarden bovendien voorwaardelijk, doet naar het oordeel van de rechtbank evenwel onvoldoende recht aan de ernst van het onderhavige feit, reden waarom zij hiertoe niet zal overgaan. Alles afwegende ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie. De rechtbank acht de geëiste gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren passend en geboden in dit geval. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal daarop in mindering worden gebracht.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Gelet op voormelde straftoemetingsbeslissing wijst de rechtbank het verzoek af om de voorlopige hechtenis op te heffen.

7.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 18.940,12 aan materiële schade en € 50.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. Daartoe is aangevoerd dat sprake is van een ernstig feit waarbij benadeelde letsel heeft opgelopen.
Ten aanzien van de materiële schade stelt de officier van justitie dat deze kan worden toegewezen voor wat betreft de gevorderde kosten voor het eigen risico (€ 385,00), de kleding (€ 500,00) en de medische kosten (€ 305,12). Telkens met toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Voor het overige (overige immateriële schade en de post ten aanzien van de opgelopen studievertraging) dient de benadeelde niet-ontvankelijk in zijn vordering te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering vanwege het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging.
Subsidiair stelt de verdediging dat de vordering moet worden afgewezen, omdat sprake is van een aanzienlijke mate van eigen schuld aan de zijde van benadeelde. Benadeelde heeft de confrontatie met verdachte opgezocht door zijn auto te vernielen op een angstaanjagende manier, terwijl de vriendin van verdachte nog in de auto zat. Benadeelde heeft voor verdachte dus een zeer bedreigende situatie doen ontstaan. De ontstane schade is in belangrijke mate een gevolg van een omstandigheid die aan benadeelde kan worden toegerekend, zodanig dat de vergoedingsplicht geheel dient te vervallen omdat de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat, indien de rechtbank voornemens is de vergoedingsplicht van verdachte in te schatten op basis van de mate van eigen schuld, dit een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en dat benadeelde in dat geval niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard.
Meest subsidiair verweert de verdediging zich ten aanzien van de volgende schadeposten:
  • ten aanzien van de immateriële schadepost voor de schade vanwege het letsel aan de armen en handen (ten bedrage van € 20.000,00) geldt dat deze onvoldoende is onderbouwd, omdat geen sprake is van een eindsituatie;
  • ten aanzien van de immateriële schadepost PTSS (ten bedrage van € 30.000,00) geldt dat onvoldoende is onderbouwd dat deze schadepost in de categorie ‘ernstig’ valt. Behandeling van deze schadepost levert een onevenredige belasting van het strafproces op;
  • ten aanzien van de schade vanwege opgelopen studievertraging (ten bedrage van € 17.750,00) geldt dat dit bedrag onvoldoende is onderbouwd, omdat niet uit de stukken blijkt dat sprake was van studievertraging;
  • ten aanzien van de schade aan de kleding (ten bedrage van € 500,00) en het eigen risico (ten bedrage van € 385,00) geldt dat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd en niet zijn gestaafd met bewijsstukken;
  • ten aanzien van de aanvullende kosten (ten bedrage van € 305,12) geldt dat niet blijkt dat deze kosten niet door de verzekering zijn vergoed.
Overweging van de rechtbank
Eigen schuld
De verdediging heeft gesteld dat de vordering volledig moet worden afgewezen, omdat sprake is van eigen schuld aan de zijde van benadeelde. Voor een geslaagd beroep op eigen schuld door verdachte in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is (onder andere) vereist dat de door benadeelde geleden schade in causaal verband staat met zowel de gebeurtenis op grond waarvan verdachte aansprakelijk gesteld kan worden (het steken van benadeelde), als met een omstandigheid die aan benadeelde zelf kan worden toegerekend. De rechtbank overweegt dat benadeelde weliswaar voorafgaand aan het feit de auto van verdachte heeft vernield, maar dat dit gegeven geen eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW oplevert. Benadeelde was al weggerend op het moment dat verdachte besloot met een mes achter hem aan te gaan en hem te steken. Hoewel benadeelde misschien zelf de aanleiding voor de geweldsuitbarsting van verdachte heeft veroorzaakt, had hij niet mogen verwachten dat hij als gevolg daarvan geconfronteerd zou worden met de disproportionele reactie van verdachte, namelijk het meermaals steken van de benadeelde partij. Tussen de schade van de benadeelde partij, als gevolg van het steken door verdachte, en de handeling van de benadeelde partij (het vernielen van de auto) is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een causaal verband als zojuist bedoeld. Met andere woorden: de reactie van verdachte, uitmondend in de bewezen verklaarde poging doodslag, staat dusdanig los van de vernieling van de auto, dat van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW geen sprake is.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
Kleding en medische kosten
De rechtbank overweegt dat de schadeposten ten aanzien van de kleding en de medische kosten kunnen worden toegewezen.
Ten aanzien van de kleding is sprake van rechtstreekse schade, nu - mede gelet de inhoud van het procesdossier en de nadere toelichting op zitting - door benadeelde voldoende is onderbouwd dat hij hevig heeft gebloed en dat de kleding die hij aan had dus ook besmeurd is geraakt met bloed en dat hij deze als gevolg daarvan niet meer kon dragen. De rechtbank zal – bij gebrek aan een concrete onderbouwing van het gevorderde bedrag – gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en het schadebedrag voor de kleding vaststellen op een bedrag á € 250,00.
Ten aanzien van de gevorderde medische kosten ten bedrage van € 305,12 acht de rechtbank deze, alsmede de betaling daarvan, voldoende onderbouwd door middel van de toegevoegde facturen hiervan.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kleding en de medische kosten (tot een hoogte van in totaal € 555,12) kan worden toegewezen.
Overige gevorderde schadeposten
Ten aanzien van de volgende schadeposten geldt dat benadeelde zijn stellingen dat die kosten zijn gemaakt en dat deze in oorzakelijk verband staan met het bewezenverklaarde feit onvoldoende heeft onderbouwd. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren voor wat betreft deze schadeposten:
  • studievertraging ten bedrage van € 17.750,00, en
  • eigen risico ten bedrage van € 385,00.
De benadeelde partij kan dit deel van de vordering indien gewenst aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 BW recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de categorie lichamelijk letsel van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt (voor zover het betreft het letsel aan de handen en armen) en ‘in andere wijze in zijn persoon is aangetast’ (voor zover het betreft geestelijk letsel dat verdachte als gevolg van het voorval heeft opgelopen (PTSS)). De rechtbank licht dit toe.
De vordering van de benadeelde partij is opgesplitst in twee schadeposten:
  • hand- en armletsel ten bedrage van € 20.000,00, en
  • PTSS ten bedrage van € 30.000,00.
Ten aanzien van het hand- en armletsel overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat benadeelde ernstig hand- en armletsel heeft overgehouden aan de steekpartij. Op grond van de eerste categorie van artikel 6:106 BW is verdachte gehouden om de schade die benadeelde als gevolg daarvan heeft geleden en nog lijdt te vergoeden. Bij de vaststelling van die schade dient de echtbank de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte gemaakte verwijt te laten meewegen. Ook kijkt zij voorts naar de bedragen die de Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen hebben toegekend. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de ‘Rotterdamse schaal’ en de door de Rechtspraak geformuleerde aanbevelingen daarop, die zijn geaccordeerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De ‘Rotterdamse schaal’ en de aanbevelingen daarop bevatten een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen ten behoeve van de vaststelling en begroting van immateriële schade. Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de bandbreedte van smartengeldbedragen in het geval dat bij de benadeelde partij hand- en armletsel is geconstateerd. Ook houdt de rechtbank rekening (in overeenstemming met aanbevelingen 2, 4, 5 en 6 bij de Rotterdamse schaal) met de leeftijd van benadeelde en het meervoudige letsel van benadeelde. Uit aanbeveling 6 bij de Rotterdamse schaal volgt bovendien dat voor de toewijzing van een schadebedrag van ondergeschikt belang is of er sprake is van een medische eindtoestand. Wel is de hoogte van de vergoeding afhankelijk van duur dat het letsel aanwezig is en de beperkingen die het met zich brengt. De omstandigheid dat er in het geval van benadeelde nog geen sprake is van een medische eindtoestand, staat dus niet aan de toekenning van een schadebedrag in de weg.
Door het bewezenverklaarde feit heeft de benadeelde lichamelijk letsel opgelopen, te weten ernstig hand- en armletsel. Er is sprake van een langdurige genezingsduur waarbij niet is aan te geven of er sprake is van een kans op volledig herstel. Daarnaast hebben er inmiddels meerdere operatieve ingrepen moeten plaatsvinden en zullen er mogelijk nog enkele operatieve ingrepen volgen. Gelet hierop acht de rechtbank het gevorderde bedrag voor het opgelopen hand- en armletsel alleszins redelijk. De rechtbank zal ten aanzien van het door benadeelde opgelopen hand- en armletsel dus een bedrag van € 20.000,00 toewijzen.
Ten aanzien van de door de benadeelde gevorderde schade wegens PTSS overweegt de rechtbank dat door benadeelde genoegzaam is aangetoond dat bij hem PTSS is gediagnosticeerd en dat hij daarom ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’, als bedoeld in artikel 6:106 BW. Ook zijn door hem stukken in de procedure gebracht waaruit volgt dat hij inmiddels zeventien EMDR-behandelingen heeft gehad en dat het medisch advies is om hiermee door te gaan. De GZ-psycholoog waar benadeelde onder behandeling staat, schrijft in een brief van 8 januari 2026 (ongeveer een half jaar na het bewezenverklaarde feit) dat hij voorziet dat benadeelde een langere periode nodig zal hebben om zijn trauma’s te verwerken.
Door de benadeelde partij is in de toelichting op de vordering aangesloten bij de categorie ‘ernstig’ van de Rotterdamse schaal. Deze categorie ziet blijkens de toelichting van de Rotterdamse Schaal op die gevallen waarin met professionele hulp een bepaalde mate van herstel wordt bereikt en in de toekomst aanzienlijke beperkingen zullen blijven bestaan. De rechtbank overweegt ten aanzien van de immateriële schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de PTSS dat op dit moment, op basis van de overgelegde stukken, niet kan worden vastgesteld: a) hoe ernstig het geestelijk letsel precies is en b) of, en zo ja in welke mate, benadeelde hiervan op de langere termijn last van zal blijven houden. Niet vastgesteld kan op dit moment dan ook worden bij welke categorie van de Rotterdamse schaal voor wat betreft het geestelijk letsel aansluiting gezocht kan worden. Nu echter wel vaststaat dat er sprake is van PTSS bij benadeelde, dat hij hier al ongeveer een half jaar last van heeft, inmiddels een aanzienlijke hoeveelheid EMDR-behandelingen heeft gehad en de behandelingen nog niet op zijn eind zijn, zal de rechtbank ook in dit geval gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid bij de begroting van de schade. De rechtbank schat het bedrag voor wat betreft de gevorderde schade voor de vastgestelde PTSS op een bedrag van € 16.000,00. De rechtbank zal de benadeelde voor het overige ten aanzien van de vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering indien gewenst aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De rechtbank vermeerdert het toegewezen bedrag voor materiële schadevergoeding van
€ 555,12 met de wettelijke rente, bij gebreke aan een andere gestelde of gebleken ingangsdatum met ingang van 9 januari 2026, de dag van indiening van de vordering. Het bedrag van in totaal € 36.000,00 aan smartengeld wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2025, de pleegdatum.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Bij gebreke aan betaling zal aan verdachte gijzeling worden opgelegd met de onder de beslissing vermelde duur.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
5 jaren;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 36.555,12 aan materiële schade/smartengeld. Het bedrag van € 555,12 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2026 en het bedrag van € 36.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2025, telkens tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het totaalbedrag niet wordt betaald, kan/kunnen
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.A. Arts (voorzitter), mr. M. Rietveld en mr. S. Jansen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 januari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, Districtsrecherche Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 250919.0920, onderzoek NAFKA / ON4R025064, gesloten op 18 november 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte, p. 27, het aanvullend verhoor van aangever, p. 108 en de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 januari 2026.
3.Forensisch medische letselrapportage d.d. 10 december 2025, p. 7 en 8.
4.Het proces-verbaal van aangifte, p. 28, het aanvullend verhoor van aangever, p. 108
5.Het proces-verbaal van aangifte, p. 28.
6.Het aanvullend proces-verbaal verklaring aangever, p. 108.
7.Forensisch medische letselrapportage d.d. 10 december 2025, p. 16.
8.Forensisch medische letselrapportage d.d. 10 december 2025, p. 15.
9.Het proces-verbaal van aangifte, p. 27.
10.Forensisch medische letselrapportage d.d. 10 december 2025, p. 11.