ECLI:NL:RBGEL:2026:5970

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
K/5002/12250421
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:311 BWArt. 7:336 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot terbeschikkingstelling perceel wegens onvoldoende bewijs pachtovereenkomst

Eiser exploiteert een agrarisch bedrijf en vordert in kort geding dat gedaagde partijen het gebruik van een perceel landbouwgrond ter beschikking stellen, stellende dat er een pachtovereenkomst bestaat. De pachtkamer stelt vast dat het perceel al jaren door eiser wordt gebruikt en dat betalingen zijn gedaan, maar dat de pachtovereenkomst niet schriftelijk is vastgelegd en niet is goedgekeurd.

Gedaagde partijen betwisten het bestaan van een pachtovereenkomst, stellen dat de zoon van de erflater niet bevoegd was om te verpachten, dat betalingen onrechtmatig waren en dat het perceel zelf door hen wordt gebruikt. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd van de pachtovereenkomst, zoals volledige betalingsbewijzen, verklaringen of facturen.

De pachtkamer oordeelt dat het kort geding zich niet leent voor het nader onderzoek dat nodig is om het bestaan van de pachtovereenkomst vast te stellen. Tevens is onvoldoende onderbouwd dat de continuering van het agrarisch bedrijf in gevaar komt zonder het perceel. Daarom wijst de rechtbank de vordering af en verklaart eiser niet-ontvankelijk jegens enkele gedaagden die geen eigenaar zijn.

Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af wegens onvoldoende bewijs van pachtovereenkomst en verklaart eiser niet-ontvankelijk jegens enkele gedaagden.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Pachtkamer
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 12250421 \ VV EXPL 26-32
Vonnis in kort geding van 2 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigden: mr. C.F. van Helvoirt en mr. Y.L. van Wingerden,
tegen

1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,3. [gedaagde 3] ,4. [gedaagde 4] ,5. [gedaagde 5] ,6. [gedaagde 6] ,7. [gedaagde 7] haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [persoon 1] ,

allen wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. J.A.M. Van de Sande.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12 van [eiser]
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2 van [gedaagde partij]
- de producties 3 tot en met 5 van [gedaagde partij]
- de mondelinge behandeling van 18 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [gedaagde partij]

2.De feiten

2.1.
De pachtkamer gaat uit van de volgende niet weersproken feiten.
2.2.
[eiser] exploiteert samen met zijn partner een agrarisch bedrijf.
2.3.
[gedaagde partij] zijn de erven van de op [overlijdensdatum] overleden heer [erflater] (hierna: erflater).
2.4.
De nalatenschap van erflater omvat onder meer een perceel grond aan de [adres] in [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [sectie] , nummer [nummer] , groot 01.58.00 hectare (hierna: het perceel). Dit perceel betreft landbouwgrond, en meer specifiek grasland.
2.5.
Op 6 december 2024 heeft [eiser] een bedrag overgemaakt naar de rekening van erflater van € 800,00 met de omschrijving “Pachtland 2024”. Op 13 mei 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 1.200,00 overgemaakt naar de rekening van erflater met de omschrijving “Pachtland 2025”.
2.6.
In een brief van 14 februari 2026 heeft [eiser] aan [gedaagde partij] als de erven van erflater onder meer het volgende geschreven:
“Betreft:
Huur perceel land groot ongeveer 1,6 ha gelegen aan de [adres] te [plaats] , tegenover [adres 2]
Wij hebben al ruim 15 jaar het perceel land, grote ongeveer 1,6 ha, tegenover [adres 2] van de heer [erflater] in goed gebruik.
Dit gebruik zouden we graag voortzetten binnen ons bedrijf, het is altijd te goeder trouw in gebruik geweest met daarbij een vergoeding en de opgave in de verplichte landbouwtelling.
Het gebruik was altijd mondeling maar wanneer we dit contractueel vastleggen, geeft dat rechtszekerheid voor iedereen.
We zien graag uw reactie tegemoet voor 1 maart a.s.
(…)”.
2.7.
Nadat reactie op deze brief uitbleef heeft de rentmeester van [eiser] met een brief van 14 april 2026 contact gezocht met [gedaagde partij]
2.8.
Op 16 april 2026 heeft [eiser] geconstateerd dat de bedragen die op 6 december 2024 en 13 mei 2025 waren betaald met de omschrijving “Pachtland 2024” respectievelijk “Pachtland 2025” zijn teruggestort op zijn rekening.
2.9.
Met een brief van 21 april 2026 heeft de rentmeester van [eiser] [gedaagde partij] nogmaals aangeschreven en daarin onder meer vermeld dat [eiser] heeft geconstateerd dat de betreffende bedragen zijn teruggestort.
2.10.
Omdat iedere reactie op deze brief uitbleef en een eerste grassnede zonder medeweten van [eiser] van het perceel was gehaald, heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde partij] aangeschreven met een brief van 19 mei 2026. In die brief staat onder meer het volgende:
“(…)
Het terugstorten van deze betalingen maakt echter niet dat de bestaande pachtverhouding eindigt. Doorslaggevend is dat het perceel al jarenlang aan cliënten in gebruik is verstrekt voor landbouwkundige exploitatie en dat daarvoor een tegenprestatie is voldaan. Daarmee is sprake van pacht in de zin van artikel 7:311 e.v. BW.
Cliënten hebben dan ook recht op het vrije en ongestoorde gebruik van het perceel. Als verpachter bent u verplicht om het ongestoorde gebruik te verstrekken. (…)
Namens cliënten sommeer ik u hierbij om binnen twee dagen na dagtekening van deze brief, althans zoveel eerder als mogelijk, volledige en ongehinderde toegang tot het perceel te verschaffen, kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [sectie] , nummer [nummer] , groot 01.58.00 hectare.
(…)”.
2.11.
Aan deze sommatie is door [gedaagde partij] geen gevolg gegeven.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde partij] op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis hun volledige medewerking te verlenen aan het ter beschikking stellen van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [sectie] , nummer [nummer] , als bedoeld in artikel 7:336 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde partij] in de kosten van deze procedure.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. Er wordt voldaan aan alle voorwaarden voor een pachtovereenkomst zoals neergelegd in artikel 7:311 van Pro het BW. Het perceel is al zo’n twintig jaar in gebruik verstrekt aan [eiser] , die het perceel structureel binnen zijn agrarische bedrijfsvoering heeft gebruikt. Tegenover dat gebruik stond steeds een tegenprestatie in de vorm van contante betalingen, betalingen in natura en bankbetalingen. Zowel het ontbreken van een schriftelijke pachtovereenkomst als het ontbreken van goedkeuring door de pachtkamer doet niets af aan het bestaan van de rechtsgeldigheid van deze pachtverhouding. Zolang de pachtovereenkomst niet is goedgekeurd geldt zij voor onbepaalde tijd en kan zij niet door één van de partijen worden opgezegd. Op grond van artikel 7:336 van Pro het BW is verpachter verplicht het verpachte ter beschikking te stellen en te laten voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is. [gedaagde partij] handelen hiermee in strijd. [eiser] heeft een spoedeisend en zwaarwegend belang bij herstel van zijn gebruiksrecht. Het gebruik van het perceel is van direct belang voor de continuering van zijn agrarisch bedrijf. Daarnaast levert de inbreuk op zijn pachtrecht per definitie een spoedeisend belang op.
3.3.
[gedaagde partij] voeren verweer. [gedaagde partij] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van zijn vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde partij] voeren – kort weergegeven – het volgende aan.
[gedaagde partij] betwisten dat het perceel ooit aan [eiser] is verpacht. [eiser] heeft hiervan ook geen enkel bewijs geleverd. Verder is geen sprake van een spoedeisend belang nu [eiser] heeft deelgenomen aan de uitkoopregeling voor melkveehouders en hij geen melkvee meer houdt. Gedaagden 4 tot en met 7 zijn volgens de gegevens van het Kadaster geen eigenaar van het perceel zodat zij ten onrechte in deze procedure zijn betrokken.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De pachtkamer vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
4.2.
In de aard van de stelling van [eiser] dat [gedaagde partij] inbreuk maken op zijn pachtrecht ligt een spoedeisend belang besloten zodat hij ontvankelijk is in dit kort geding.
Ontvankelijkheid ten aanzien van gedaagden 4 tot en met 7
4.3.
Ten aanzien van de gedaagden 4 tot en met 7 hebben [gedaagde partij] gesteld dat zij geen eigenaren zijn van het perceel. Ter onderbouwing hebben zij recente eigendomsinformatie van het Kadaster overgelegd waarin staat dat dat alleen gedaagden 1 tot en met 3 ieder voor 1/3 deel het recht van eigendom hebben op het perceel. [eiser] heeft dit niet weersproken, maar enkel gesteld dat hij zekerheidshalve gedaagden 4 tot en met 7 heeft gedagvaard omdat uit de verklaring van erfrecht niet kon worden afgeleid dat zij geen (mede) eigenaren zouden zijn van het perceel.
4.4.
Nu [eiser] deze verklaring van erfrecht niet heeft overgelegd zal de pachtkamer uitgaan van de informatie van het Kadaster en [eiser] tegenover gedaagden 4 tot en met 7 niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.
Is sprake van een pachtovereenkomst?
4.5.
Kern van het geschil is of tussen [eiser] en erflater een (mondelinge) pachtovereenkomst bestond. Op grond van artikel 7:311 van Pro het BW is pacht de overeenkomst waarbij de ene partij, de verpachter, zich verbindt aan de andere partij, de pachter, een onroerende zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw en de pachter zich verbindt tot een tegenprestatie.
4.6.
[eiser] c.s. stelt dat hij in 2004 of 2005 met de overleden zoon van erflater, de heer [zoon] heeft afgesproken dat hij het perceel grasland bij zou houden. Dit perceel lag tegenover het huis van [zoon] die het graag als grasland wilde behouden. [zoon] wilde de pacht niet registreren. Als beloning voor het gebruik van het perceel zijn [eiser] en [zoon] destijds overeengekomen dat [eiser] hem jaarlijks een vleespakket zou bezorgen. In 2015 is [zoon] overleden. [eiser] stelt dat de pachtovereenkomst vanaf dat moment met goedkeuring van erflater is voortgezet. Nadat erflater in 2018 aangaf niet langer prijs te stellen op een vleespakket heeft [eiser] de pachtvergoeding contant aan erflater betaald. Vanaf 2024 heeft [eiser] de pachtvergoeding per bank betaald omdat erflater vanwege zijn gezondheid toen niet meer in staat was de pacht contant in ontvangst te nemen. [eiser] stelt dat hij het perceel steeds zelf in zijn geheel heeft bewerkt of laten bewerken. Vanaf 2012 heeft [eiser] het perceel ook steeds opgenomen in zijn Gecombineerde opgave aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO).
4.7.
[gedaagde partij] hebben het vorenstaande gemotiveerd betwist. Volgens hen is nooit sprake geweest van wilsovereenstemming aan de zijde van erflater als verpachter en eigenaar met [eiser] als pachter. [zoon] was geen eigenaar van het perceel en daarmee niet bevoegd een pachtovereenkomst met [eiser] aan te gaan voor zover die stelling van [eiser] al moet worden gevolgd. In 2022 is [eiser] bij erflater aan de deur geweest met het verzoek de pachtovereenkomst schriftelijk vast te leggen. [gedaagde 1] was er toen getuige van dat erflater dat verzoek uitdrukkelijk heeft geweigerd. Het perceel is ook altijd door erflater zelf en nu door [gedaagde partij] gebruikt. De betalingen op
6 december 2024 en 13 mei 2025 zijn eenzijdig door [eiser] verricht nadat hij op onrechtmatige wijze het bankrekeningnummer van erflater heeft verkregen. De bedragen zijn na kennisname daarvan teruggestort. [eiser] heeft buiten deze stortingen geen enkel bewijs van enige tegenprestatie overgelegd. Ook heeft [eiser] een onrechtmatige registratie gecreëerd door het perceel zonder toestemming van de eigenaar op te geven bij de RVO in de Gecombineerde opgave. [gedaagde partij] hebben van deze handelswijze melding gemaakt bij de RVO. Verder verklaart [eiser] wisselend over de duur van de pachtovereenkomst. In een brief van 14 februari 2026 stelt [eiser] dat hij het perceel “ruim 15 jaar in goed gebruik” heeft gehad en in de dagvaarding stelt hij dat hij het perceel al twintig jaar in gebruik heef gehad. Nu wilsovereenstemming voor het gebruik van het perceel ontbrak, erflater en [gedaagde partij] het perceel zelf in gebruik hadden en hebben en niet is gebleken van enige tegenprestatie voor gebruik van het perceel is geen sprake van een pachtovereenkomst in de zin van artikel 7:311 van Pro het BW, aldus [gedaagde partij]
4.8.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde partij] had het op de weg van [eiser] gelegen om met meer bewijs van zijn stellingen te komen. [eiser] heeft enkel de Gecombineerde opgave over 2020 overgelegd, terwijl hij stelt dat hij het perceel al vanaf 2012 opnam in de Gecombineerde opgave. Verder heeft [eiser] betalingsbewijzen van 2024 en 2025 overgelegd, maar dit betreffen twee verschillende bedragen, namelijk € 800,00 en € 1.200,00. [eiser] stelt dat hij in 2024 nog € 400,00 contant aan
[gedaagde 3] heeft betaald, maar daarvan heeft hij geen bewijs overgelegd bijvoorbeeld in de vorm van een verklaring van [gedaagde 3] . Van de overige contante betalingen dan wel betalingen in natura heeft [eiser] ook geen nader bewijs overgelegd, anders dan bewijs van één contante opname op 23 februari 2021 van € 1.250,00, waarvan niet duidelijk is waarvoor dat bedrag is opgenomen of aan wie dat is betaald. Verder stelt [eiser] dat hij het perceel zelf in gebruik heeft gehad en heeft bewerkt of laten bewerken, maar ook daarvan heeft [eiser] geen nader bewijs, in de zin van facturen van loonwerkers overgelegd. Nu de stellingen van partijen zover uiteen liggen, vergt de vraag of sprake is van een pachtovereenkomst dan ook een nader onderzoek - bijvoorbeeld door het horen van getuigen - waarvoor dit kort geding zich niet leent.
Conclusie
4.9.
Nu onvoldoende vaststaat of in een bodemprocedure kan worden aangetoond dat sprake is van een pachtovereenkomst ziet de pachtkamer geen aanleiding de vordering van [eiser] toe te wijzen. Daarbij neemt de pachtkamer ook in aanmerking dat [eiser] niet nader heeft onderbouwd op welke wijze de continuering van zijn agrarische onderneming in gevaar komt als hij dit perceel niet op korte termijn kan gebruiken, terwijl hij zelf onweersproken over 30 tot 40 hectare land beschikt en inmiddels bezig is met omschakeling van zijn melkveebedrijf naar vleesvee met een akkerbouwtak.
Proceskosten
4.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De pachtkamer ziet geen aanleiding [eiser] te veroordelen in de werkelijke proceskosten dan wel tweemaal het liquidatietarief te hanteren. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.009,00

5.De beslissing

De pachtkamer, rechtdoende in kort geding,
5.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen ten aanzien van gedaagden 4 tot en met 7;
5.2.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door de pachtkamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, bestaande uit mr. F.M.C. Boesberg kantonrechter-voorzitter en P.A.T. Hettinga en W. van Vliet, deskundige leden en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.