Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,3. [gedaagde 3] ,4. [gedaagde 4] ,5. [gedaagde 5] ,6. [gedaagde 6] ,7. [gedaagde 7] haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [persoon 1] ,
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2 van [gedaagde partij]
- de producties 3 tot en met 5 van [gedaagde partij]
- de mondelinge behandeling van 18 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [gedaagde partij]
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
6 december 2024 en 13 mei 2025 zijn eenzijdig door [eiser] verricht nadat hij op onrechtmatige wijze het bankrekeningnummer van erflater heeft verkregen. De bedragen zijn na kennisname daarvan teruggestort. [eiser] heeft buiten deze stortingen geen enkel bewijs van enige tegenprestatie overgelegd. Ook heeft [eiser] een onrechtmatige registratie gecreëerd door het perceel zonder toestemming van de eigenaar op te geven bij de RVO in de Gecombineerde opgave. [gedaagde partij] hebben van deze handelswijze melding gemaakt bij de RVO. Verder verklaart [eiser] wisselend over de duur van de pachtovereenkomst. In een brief van 14 februari 2026 stelt [eiser] dat hij het perceel “ruim 15 jaar in goed gebruik” heeft gehad en in de dagvaarding stelt hij dat hij het perceel al twintig jaar in gebruik heef gehad. Nu wilsovereenstemming voor het gebruik van het perceel ontbrak, erflater en [gedaagde partij] het perceel zelf in gebruik hadden en hebben en niet is gebleken van enige tegenprestatie voor gebruik van het perceel is geen sprake van een pachtovereenkomst in de zin van artikel 7:311 van Pro het BW, aldus [gedaagde partij]
[gedaagde 3] heeft betaald, maar daarvan heeft hij geen bewijs overgelegd bijvoorbeeld in de vorm van een verklaring van [gedaagde 3] . Van de overige contante betalingen dan wel betalingen in natura heeft [eiser] ook geen nader bewijs overgelegd, anders dan bewijs van één contante opname op 23 februari 2021 van € 1.250,00, waarvan niet duidelijk is waarvoor dat bedrag is opgenomen of aan wie dat is betaald. Verder stelt [eiser] dat hij het perceel zelf in gebruik heeft gehad en heeft bewerkt of laten bewerken, maar ook daarvan heeft [eiser] geen nader bewijs, in de zin van facturen van loonwerkers overgelegd. Nu de stellingen van partijen zover uiteen liggen, vergt de vraag of sprake is van een pachtovereenkomst dan ook een nader onderzoek - bijvoorbeeld door het horen van getuigen - waarvoor dit kort geding zich niet leent.