ECLI:NL:RBGEL:2026:5988

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
C/05/464352
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16.78 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding kort geding over verkoop recreatiewoning in nalatenschap wegens bestemmingswijziging

In deze kortgedingprocedure staat de medewerking aan de verkoop van een recreatiewoning behorende tot een nalatenschap centraal, waarin eiser en gedaagde beiden deelgenoten zijn. De voorzieningenrechter had eerder geoordeeld dat gedaagde niet handelde conform het stappenplan voor verkoop, maar hield de zaak aan in afwachting van een mogelijke bestemmingswijziging van recreatie naar wonen.

Eiser stelt dat de situatie is gewijzigd omdat de behandeling van het omgevingsplan niet voor het zomerreces zal plaatsvinden, waardoor onduidelijkheid bestaat over het moment van besluitvorming. Gedaagde betoogt dat het traject voorspelbaar en afgebakend is, met een geplande behandeling en vaststelling in september 2026, waarna het plan binnen korte tijd in werking kan treden.

De voorzieningenrechter acht de kans reëel dat de bestemming binnen afzienbare tijd wijzigt, wat een hogere verkoopopbrengst kan opleveren. Gezien de marktomstandigheden en de maandelijkse kosten voor de nalatenschap weegt het belang van afwachten zwaarder dan het belang van eiser om snel te verkopen. Daarom wordt de beslissing aangehouden tot vier weken na de vaststelling van het omgevingsplan, met een termijn tot 22 oktober 2026.

Partijen wordt opgedragen de rechtbank uiterlijk 29 oktober 2026 te informeren over de stand van zaken en hun wensen omtrent voortzetting of vonnis. Tevens wordt eiser verzocht zich uit te laten over de door gedaagde voorgestelde makelaar.

Uitkomst: De beslissing over de verkoop van de recreatiewoning wordt aangehouden tot vier weken na de vaststelling van het omgevingsplan op 24 september 2026, te weten 22 oktober 2026.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/464352 / KZ ZA 26-34
Vonnis in kort geding van 2 juli 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. M.K. Groothoff-de Bruin,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. P.F.M. Langenhof.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 april 2026
- de akte uitlating met productie 28 van [de eiser] van 11 juni 2026
- de akte uitlating met producties 13 tot en met 16 van [de gedaagde] van 1 juli 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De voorzieningenrechter neemt over en blijft bij hetgeen hij heeft overwogen en beslist in zijn tussenvonnis van 21 april 2026, tenzij in het navolgende uitdrukkelijk anders wordt overwogen en beslist.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft in het tussenvonnis van 21 april 2026 geoordeeld dat door [de gedaagde] niet is gehandeld conform het stappenplan in het vonnis van 24 september 2025 met zaaknummer C/05/443434 / HZ ZA 24-374 over de verkoop van de (recreatie)woning die behoort tot nalatenschap waarin zij en [de eiser] beide deelgenoten zijn. En hoewel de voorzieningenrechter begreep dat [de eiser] er moeite mee heeft om nog langer te wachten met het in de verkoop zetten van de woning heeft de voorzieningenrechter in het verhandelde ter zitting aanleiding gezien de zaak aan te houden tot 1 juli 2026, omdat mogelijk op korte termijn zekerheid zou worden gegeven over wijziging van de bestemming van de woning van recreatie naar wonen, waardoor de woning mogelijk met een hogere opbrengst in een grotere afzetmarkt kan worden verkocht.
2.3.
[de eiser] stelt dat inmiddels sprake is van een wezenlijk gewijzigde omstandigheid ten opzichte van de situatie die aan het eerdere oordeel van de voorzieningenrechter ten grondslag lag. [de eiser] heeft een e-mail overgelegd van 4 juni 2026 van Stichting Woonbelangen ’t Isselt waaruit volgt dat de behandeling van het omgevingsplan vóór het zomerreces niet meer mogelijk is. Nu er voor 1 juli 2026 geen beslissing is genomen en
evenmin een concrete termijn is genoemd waarbinnen een besluit alsnog kan worden verwacht bestaat geen duidelijkheid of en over het moment waarop de gewenste besluitvorming zal plaatsvinden. Ook indien het omgevingsplan in september 2026 aan de gemeenteraad wordt voorgelegd en wordt vastgesteld, staat daarmee geenszins vast dat het traject ten einde is. Tegen de vaststelling van het omgevingsplan kunnen immers rechtsmiddelen worden aangewend, hetgeen tot verdere procedures en vertraging kan leiden. De gedachte dat slechts nog een beperkte periode behoeft te worden gewacht alvorens definitieve duidelijkheid ontstaat, vindt daarom onvoldoende steun in de huidige stand van zaken, aldus [de eiser] .
2.4.
[de gedaagde] stelt dat geen sprake van een onbepaalde of onbegrensde wachttijd, maar juist van een in tijd afgebakend en voorzienbaar traject. Uit de door [de gedaagde] overgelegde producties blijkt dat het omgevingsplan op 16 juni 2026 is behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Tegen het omgevingsplan zijn twee zienswijzen ingediend die hebben geleid tot een aanpassing van het beeldkwaliteitsplan ten aanzien van de kleurstelling en de bebouwing en aanvullende maatwerkregels ter bescherming van de bedrijfsvoering van een aangrenzend agrarisch bedrijf. Verder blijkt uit een e-mail van 16 juni 2026 van Stichting Woonbelangen ’t Isselt dat het omgevingsplan ’t Isselt zich inmiddels in de behandelroute bevindt en staat geagendeerd voor behandeling in de Commissie Fysieke Leefomgeving op 9 september 2026 en voor vaststelling in de Raad op 24 september 2026. Nu de inhoudelijke stukken gereed zijn, de zienswijzen zijn verwerkt en het omgevingsplan klaarligt voor politieke besluitvorming, bevindt het traject zich daarmee in een afrondende fase. Dat de precieze datum van de inwerkingtreding thans nog niet kan worden genoemd, vloeit alleen voort uit het feit dat de wettelijke termijn van vier weken op grond van artikel 16.78 van de Omgevingswet pas aanvangt na bekendmaking van het vaststellingsbesluit. Het omgevingsplan zal vastgesteld worden op 24 september 2026 en binnen een zeer korte termijn wordt de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het omgevingsplan verwacht. Volgens [de gedaagde] zijn er op dit moment geen concrete aanwijzingen dat derden beroep zullen instellen tegen het omgevingsplan na vaststelling. De nota van zienswijzen laat juist zien dat de twee ingediende zienswijzen voldoende zijn beantwoord en verwerkt en dat de aanpassingen van het omgevingsplan beperkt van aard zijn. De kans op een succesvol beroep is dan ook gering en verder leidt beroep tegen een vastgesteld omgevingsplan niet automatisch tot schorsing van de werking daarvan. Op grond van artikel 16.78 Omgevingswet treedt een omgevingsplan in beginsel in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekendgemaakt. Het instellen van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de “Afdeling”) schorst de inwerkingtreding niet.
2.5.
Deze informatie van [de gedaagde] biedt de voorzieningenrechter wederom aanknopingspunten om aan te nemen dat daadwerkelijk binnen afzienbare tijd een reële kans bestaat dat de bestemming van de woning zal worden gewijzigd en de woning dan met een woonbestemming ter verkoop kan worden aangeboden. Ook anderszins lijken de belangen van partijen niet gebaat bij het direct in de verkoop van plaatsen van de woning, nu algemeen bekend is dat de markt in de zomermaanden minder actief is en verder uit de door [de gedaagde] overgelegde e-mail van 19 juni 2026 van makelaar Heutinck blijkt dat de verkoop van een soortgelijke (recreatie) woning juist ook tijdelijk door de verkoper is ingetrokken en naar verwachting weer in de markt zal worden gezet wanneer de locatiewijziging van recreatie naar wonen concreet is. In zoverre geldt op dit moment dan ook nog steeds dat het (weliswaar begrijpelijke) belang van [de eiser] om zo snel mogelijk tot een afwikkeling van de nalatenschap te komen in dit geval minder zwaar weegt dan het belang van partijen om de besluitvorming van de gemeente af te wachten, nu daarmee naar verwachting binnen een afzienbare termijn een hogere opbrengst van mogelijk € 100.000,- kan worden gerealiseerd, terwijl de maandelijkse kosten voor de nalatenschap onweersproken nog steeds € 250,00 zijn. De beslissing ten aanzien van alle vorderingen van [de eiser] zal om die reden nogmaals worden aangehouden tot vier weken na de verwachte besluitvorming op 24 september 2026, zijnde 22 oktober 2026.
2.6.
De voorzieningenrechter zal partijen opdragen de rechtbank binnen één week na 22 oktober 2026 (of zoveel eerder als mogelijk) te berichten over de stand van zaken en daarbij aan te geven of zij vonnis, voortzetting van de procedure of doorhaling wensen. Daarbij wordt tevens aan [de eiser] verzocht zich uit te laten over de door [de gedaagde] voorgestelde makelaar, Makelaardij Oude IJssel.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
3.1.
draagt partijen op de rechtbank uiterlijk 29 oktober 2026 te berichten over de stand van zaken en of zij voorzetting van de procedure, vonnis of doorhaling wensen,
3.2.
verzoekt [de eiser] zich uit te laten over de door [de gedaagde] voorgestelde makelaar, Makelaardij Oude IJssel.
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan tot 22 oktober 2026.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.