ECLI:NL:RBGEL:2026:5998

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
AWB-25_2254
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.7 Wsf 2000Art. 6.10 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000Art. 6:19 AwbArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling maandbedrag terugbetaling studiefinanciering op grond van Wsf 2000

Eiser heeft studiefinanciering ontvangen in de vorm van een lening op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en is het niet eens met het door de minister vastgestelde maandbedrag voor terugbetaling. De maandbedragen zijn vastgesteld op € 250,73 en later € 251,95 per maand voor het jaar 2025. Eiser voert aan dat bij de draagkrachtberekening geen rekening is gehouden met zijn overige schulden, waaronder een studielening aan de Arubaanse overheid, en dat DUO hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de voorwaarden en gevolgen van de lening.

De rechtbank oordeelt dat de wetgever expliciet heeft gekozen voor het toetsingsinkomen als criterium voor draagkracht, waarbij geen rekening wordt gehouden met het besteedbaar inkomen of individuele uitgavenpatroon. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule wordt verworpen omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen. Ook is niet gebleken dat de minister tekort is geschoten in de informatieverstrekking, aangezien eiser via folders en de website voldoende geïnformeerd had kunnen worden.

De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat de minister het maandbedrag op goede gronden heeft vastgesteld. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde maandbedrag voor terugbetaling studiefinanciering wordt ongegrond verklaard en het maandbedrag van € 251,95 blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2254

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO [1] ), de minister
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de studiefinanciering die eiser heeft ontvangen in de vorm van een lening op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Eiser is het niet eens met het vastgestelde maandbedrag dat hij moet terugbetalen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de vaststelling van eisers maandbedrag niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 9 november 2024 is eisers maandbedrag vastgesteld op € 250,73 per maand. Met het besluit van 23 december 2024 is eisers maandbedrag vastgesteld op € 251,95. Met het bestreden besluit van 8 april 2025 is het bezwaar van eiser tegen het besluit van 9 november 2024 ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiser heeft in september 2010 studiefinanciering aangevraagd. Aan eiser is per oktober 2010 studiefinanciering toegekend, onder meer in de vorm van een rentedragende lening. Op 14 januari 2014 is de aanloopfase [2] van twee jaar aangevangen. Op 1 januari 2016 is de aflosfase gestart.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Met het besluit van 9 november 2024 is het maandbedrag dat eiser moet terugbetalen over de periode januari 2025 tot en met december 2025 vastgesteld op € 250,73 per maand.
4.1.
Met het besluit van 23 december 2024 is bevestigd dat eiser in januari en februari van 2025 niet hoeft af te lossen vanwege een aflosvrije periode. Daarnaast is het maandbedrag dat eiser moet terugbetalen over de periode maart tot en met december 2025 vastgesteld op € 251,95.
4.2.
Met het bestreden besluit van 8 april 2025 is het bezwaar van eiser tegen het besluit van 9 november 2024 ongegrond verklaard. [3] Eisers draagkracht voor 2025 is berekend op basis van inkomensgegevens uit 2023 en vastgesteld op € 344,21. De voor eiser in 2025 geldende wettelijke termijn is vastgesteld op € 251,95. Omdat zijn draagkracht hoger is, geldt de wettelijke termijn en moet eiser in 2025 € 251,95 per maand betalen. Omdat de wetgever als criterium voor de vaststelling van de draagkracht uitdrukkelijk het toetsingsinkomen en niet het besteedbaar inkomen heeft gekozen, is het niet mogelijk met de door eiser genoemde uitgaven rekening te houden. Het toetsingsinkomen is gelijk aan het verzamelinkomen of belastbaar loon dat wordt vastgesteld door de Belastingdienst.
Bij het vaststellen van de draagkracht is niet van belang dat eiser zich onvoldoende ingelicht acht. Daarnaast was op de website van DUO in 2010 te lezen dat de inning van de schuld, bij niet betalen, na twee aanmaningen wordt overgedragen aan de deurwaarder.
Wat vindt eiser?
5. Eiser is het er niet mee eens dat bij de vaststelling van zijn draagkracht geen rekening wordt gehouden met zijn (andere) schulden/maandlasten en de schulden/maandlasten van zijn partner. Eiser moet ook nog een studielening terugbetalen aan de Arubaanse overheid. Het UWV heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen van het terugbetalen van de rentedragende lening voor Arubanen. DUO heeft eiser ook onvoldoende ingelicht over de voorwaarden (van het terugbetalen) van de lening. De rechtbank begrijpt eisers grond als een beroep op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule.
Wat vindt de minister?
6. De minister stelt zich op het standpunt dat het een uitdrukkelijke keuze van de wetgever is om bij het vaststellen van de draagkracht geen rekening te houden met het besteedbaar inkomen dan wel de hoogte van het individuele uitgavenpatroon van een debiteur. Ook niet als het een aflossing voor een buitenlandse studielening betreft. Caribische studenten worden niet anders behandeld dan Nederlandse studenten. Daarnaast is het aan de student zelf om op de hoogte te zijn van zijn rechten en verplichtingen.
Wat vindt de rechtbank?
7. Eiser heeft tijdens de zitting de beroepsgrond dat er een apart stelsel van regels tot stand moet worden gebracht met betrekking tot de terugbetaling van de studiefinanciering voor Caribische debiteuren ingetrokken. De rechtbank zal daarom hierover geen oordeel geven.
Evenredigheidsbeginsel
8. Eisers beroep op de hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De rechtbank legt dit hieronder uit.
8.1.
In essentie verzoekt eiser om bij het bepalen van zijn draagkracht rekening te houden met zijn overige schulden en die van zijn partner, in het bijzonder de studieschuld verschuldigd aan de Arubaanse overheid.
8.2.
De vaststelling van de draagkracht is neergelegd in artikel 6.10 van de Wsf 2000. De Wsf 2000 is een wet in formele zin. Dat betekent dat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet van toepassing is. Een dergelijke bepaling kan alleen buiten toepassing worden verklaard middels contra-legemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel. Er moet dan sprake zijn van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waarbij die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [4]
8.3.
De wetgever heeft er volgens de bepalingen en de ontstaansgeschiedenis van de Wsf 2000 nadrukkelijk niet voor gekozen dat bij het vaststellen van de draagkracht rekening wordt gehouden met het besteedbaar inkomen of de hoogte van het individuele uitgavenpatroon van de debiteur. [5] Dat eiser schulden heeft in Aruba is dan ook op zichzelf bezien geen omstandigheid die maakt dat de minister moet afwijken van artikel 6.10 van de Wsf 2000. [6]
8.4.
Verder is niet gebleken van zeer bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het bestreden besluit onevenredige gevolgen voor eiser heeft. Eiser had de mogelijkheid om zijn betalingsverplichting op grond van artikel 6.7, tweede lid, van de Wsf 2000 te pauzeren. Tijdens de zitting heeft eiser verklaard dat hij reeds gebruik heeft gemaakt van een aantal jaar opschorting, maar dat hij dit achteraf bezien beter niet had kunnen doen, omdat hij toen nog niet zo veel loon verdiende. Dit moet naar het oordeel van de rechtbank voor risico van eiser blijven. De rechtbank legt dit verder in overweging 8.7 uit. Dat de maandelijkse terugbetalingsverplichting voor eiser tot onaanvaardbare (financiële) gevolgen heeft geleid dan wel leidt, is verder niet door hem onderbouwd of gebleken.
Hardheidsclausule
8.5.
Een beroep op de hardheidsclausule slaagt evenmin. In artikel 11.5 van de Wsf 2000 is bepaald dat DUO in bepaalde gevallen de wet en de daarop rustende bepalingen buiten toepassing kan laten of daarvan kan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep biedt deze hardheidsclausule DUO niet de mogelijkheid om een uitzondering te maken op een in de Wsf 2000 opgenomen wettelijke bepaling, indien de onverkorte toepassing van die wettelijke bepaling in het concrete geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet. [7] Uit de tekst van het – dwingendrechtelijke – artikel 6.10 van de Wsf 2000 kan – zoals eerder overwogen – niet anders worden afgeleid dan dat het de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet is dat de minister de draagkracht vaststelt op basis van het toetsingsinkomen. De wettelijke systematiek biedt de minister geen ruimte om rekening te houden met eisers schulden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit ook niet in strijd met het doel van de regels omtrent het terugbetalen van de studielening.
8.6.
Met betrekking tot de rapporten die eiser in beroep heeft ingebracht, overweegt de rechtbank dat de onderzoeken die daarin staan betrekking hebben op de BES-eilanden, niet op Aruba. Reeds daarom kan aan de inhoud van de rapporten niet de betekenis worden gehecht, die eiser eraan gehecht wenst te zien.
Informatieverstrekking
8.7.
Voor zover eiser betoogt dat DUO tekort is geschoten in de informatieverstrekking jegens hem, door hem niet te wijzen op de gevolgen van de lening, overweegt de rechtbank dat het eisers eigen verantwoordelijkheid is om zich bijvoorbeeld via de website van DUO op de hoogte te stellen van de geldende wet- en regelgeving. Dat eiser ten tijde van de aanvraag om studiefinanciering de Nederlandse taal niet machtig was, maakt dat niet anders. Het was aan eiser om daarbij hulp te vragen. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister niet verplicht om eiser persoonlijk te informeren over de gevolgen van het ontvangen van een rentedragende lening. De minister kon volstaan met het informeren van eiser via folders en de website. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit het stuk dat eiser in beroep heeft overgelegd, met de titel “Studiefinanciering Wat je echt moet weten”, informatie volgt over het lenen voor een studie. De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het stuk vast dat het stuk afkomstig is uit 2010. Aannemelijk is dat eiser dit stuk dus heeft ontvangen bij zijn aanvraag om studiefinanciering. Eiser had dus kunnen weten wat het aanvragen van een studielening inhield of had in ieder geval verder onderzoek naar de voorwaarden moeten doen. Dat eiser niet wist wat de gevolgen zijn van het aanvragen van een studielening en wat de gevolgen zijn van het niet betalen van de maandelijkse vorderingen, komt dan ook voor zijn rekening.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister op goede gronden het maandbedrag heeft vastgesteld op € 251,95. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dienst Uitvoering Onderwijs.
2.De aanloopfase is een periode van twee jaar na het stoppen van studiefinanciering waarin nog niet verplicht terug hoeft te worden betaald, maar de rente wel doorloopt.
3.In het bestreden besluit is slechts het bezwaar tegen het besluit van 9 november 2024 ongegrond verklaard. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft dit bezwaar van rechtswege mede betrekking op het besluit van 23 december 2024, omdat laatstgenoemd besluit het besluit van 9 november 2024 heeft vervangen. De rechtbank begrijpt dat de minister impliciet heeft beoogd het bezwaar tegen het besluit van 23 december 2024 ongegrond te verklaren, omdat het daaruit voortkomend vastgestelde maandbedrag van € 251,95 is aangehouden in het bestreden besluit.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
5.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:37.
6.Vgl. noot 3.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 25 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1615.