ECLI:NL:RBGEL:2026:6007

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
K/5002/11952451
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging samenwerking tussen ondernemers en verdeling kosten en inkomsten

Twee ondernemers, S-R & H-P Logistics en [de gedaagde in conventie], werkten circa twaalf jaar informeel samen en wilden hun samenwerking formaliseren via een besloten vennootschap. Tijdens de samenwerking maakten zij gezamenlijk kosten en ontvingen inkomsten, die zij gelijkelijk wilden verdelen. Na beëindiging van de samenwerking ontstond een geschil over welke kosten en inkomsten precies gedeeld moesten worden.

De rechtbank beoordeelde diverse kostenposten, waaronder notariskosten, salarissoftware en mediationkosten, en bepaalde welke kosten gelijkelijk verdeeld moesten worden. Ook werd vastgesteld dat beide partijen inkomsten van klanten MLG en Lakeside hadden ontvangen die nog verdeeld moesten worden. De rechtbank gaf partijen een bewijsopdracht om de exacte betalingen aan te tonen.

Daarnaast stelde S-R & H-P Logistics dat [de gedaagde in conventie] onrechtmatig had gehandeld door klantgegevens toe te eigenen en de toegang tot software te blokkeren. De rechtbank oordeelde dat de blokkade niet onrechtmatig was omdat [de gedaagde in conventie] binnen enkele dagen een back-up van de gegevens had verstrekt. Ook was onvoldoende bewijs voor andere onrechtmatige gedragingen. De zaak wordt voortgezet voor bewijslevering over de inkomstenverdeling.

Uitkomst: Rechtbank wijst bewijsopdrachten toe over inkomstenverdeling en oordeelt dat softwareblokkade niet onrechtmatig is.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 11952451 \ CV EXPL 25-3596
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
S-R & H-P LOGISTICS B.V.,
te Apeldoorn,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: S-R & H-P Logistics,
gemachtigde: B.H. Sellmeijer,
tegen
[naam gedaagde in conventie], handelend onder de naam
[naam gedaagd bedrijf in conventie],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de gedaagde in conventie] ,
gemachtigde: mr. M. Fuselier-Eikelboom.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 maart 2026 en de daarin genoemde processtukken,
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
S-R & H-P Logistics exploiteert een accountancy- en administratiebedrijf.
2.2.
[de gedaagde in conventie] exploiteert een organisatie- en uitleenbedrijf.
2.3.
Partijen hebben circa twaalf jaar informeel met elkaar samengewerkt. In januari 2024 hebben partijen besloten gezamenlijk een besloten vennootschap op te richten met het doel hun samenwerking formeel vorm te geven. Partijen hebben hiervoor diverse gesprekken gevoerd met een notaris van Notariskantoor Wille.
2.4.
In aanloop naar de voorgenomen oprichting van de besloten vennootschap hebben partijen ieder op eigen naam digitale systemen en software aangeschaft. De licenties voor het boekhoudprogramma ‘Snelstart’ en de loonadministratie ‘MijnLoon’ stonden op naam van [de gedaagde in conventie] geregistreerd. S-R & H-P Logistics heeft haar klantgegevens, inclusief klantmappen, ingebracht in deze programma’s.
2.5.
Partijen hebben met elkaar afgesproken dat zij voor een door [de gedaagde in conventie] geworven klant, Lakeside Zwolle B.V. (hierna: Lakeside), gezamenlijk diverse administraties en aangiften over de jaren 2019 tot en met 2023 zouden gaan verwerken. Beide partijen hebben afzonderlijk een factuur aan Lakeside verzonden waarin een bedrag van € 30.250,00 (incl. btw) in rekening is gebracht. [de gedaagde in conventie] heeft de factuur verzonden op 28 maart 2024 en S-R & H-P Logistics op 31 augustus 2024.
2.6.
In of omstreeks april 2024 hebben partijen een leningsovereenkomst gesloten met een klant van S-R & H-P Logistics, MLG Transport (hierna: MLG). Partijen hebben een bedrag van in totaal € 15.000,00, ieder de helft ad € 7.500,00, aan MLG geleend. MLG heeft aan [de gedaagde in conventie] € 7.584,00 terugbetaald en aan S-R & H-P Logistics € 7.416,00. [de gedaagde in conventie] heeft van de door hem ontvangen betalingen een bedrag van in totaal € 3.792,00 aan S-R & H-P Logistics doorgestort.
2.7.
Eind augustus 2024 heeft S-R & H-P Logistics aan [de gedaagde in conventie] medegedeeld niet langer voornemens te zijn de beoogde samenwerking voort te zetten.
2.8.
In september 2024 heeft [de gedaagde in conventie] een mediator benaderd. Partijen hebben met deze mediator een kennismakingsgesprek gevoerd en hebben daarna gezamenlijk het vervolgtraject ingezet. S-R & H-P Logistics heeft in oktober 2024 het mediationtraject beëindigd.
2.9.
Op of omstreeks 2 oktober 2024 heeft S-R & H-P Logistics [de gedaagde in conventie] de toegang tot Snelstart en MijnLoon ontzegd door haar te blokkeren.
2.10.
Bij e-mail van 3 oktober 2024 heeft [de gedaagde in conventie] een back-up van een deel van de door S-R & H-P Logistics ingevoerde gegevens in Snelstart en MijnLoon aan S-R & H-P Logistics verzonden.
2.11.
In reactie daarop heeft S-R & H-P Logistics bij e-mail van 9 oktober 2024 aan [de gedaagde in conventie] bericht:
“(…)
Wij zijn begonnen met de verloning september 2024 voor onze gezamenlijke relatie Bloemenhandel Zwolle / [naam] daar bleek dat er bepaalde historie verdwenen was (voornamelijk de maandelijkse aangiften LH naar de BD)bij verdere controle bleek dit euvel zich bij alle door u overgedragen loonadministraties voor te doenderhalve rest mij dan ook niet anders om u bij deze persoonlijk aansprakelijk te moeten stellen voor alle eventuele te lijden schade in dezeen tevens de eventuele juridische vervolgstappen als wij onoverkomende problemen blijven houden(…)”
2.12.
In reactie daarop heeft [de gedaagde in conventie] bij e-mail van 13 oktober 2024 aan S-R & H-P Logistics bericht:
“Ik begrijp dat je nog problemen hebt met het loonpakket. Ik heb je een volledige backup gedaan, waarbij die kennelijk niet de loonaangiften meeneemt.
Erg vervelend en zal daar vandaag je de rest van de stukken sturen, zodat je compleet bent.
Heb je verder nog zaken in het loonpakket die missen na de backup of de aangiften loonheffing?
(…)”
2.13.
In reactie daarop heeft S-R & H-P Logistics bij e-mail van 15 oktober 2024 aan [de gedaagde in conventie] bericht:
“(…)
- u heeft ons een backup van ons gezamenlijk pakket MijnLoon 2024 toegezonden, maar die backup is NIET compleet omdat er GEEN historie INGEDIENDE aangiften Loonheffingen in zitwat betekent dat wij onze werkzaamheden voor de loon klanten NIET goed en volledig voor het jaar 2024 kunnen doen.
- u heeft ons daarna van al mijn loonklanten wel pdf maandelijkse aangiften loonheffing toegemaildmaar daar hebben wij onze historie niet mee terug
dus resumerend is hierbij ons vriendelijke doch dringende verzoek om een VOLLEDIGE (nieuwe) backup van MijnLoon 2024 te mogen ontvangen( dus eigenlijk die van ALLE loonklanten)welke wij dan in ons nieuwe MijnLoon 2024 pakket gaan inlezen, en dan zal hopelijk dit euvel wel opgelost zijn
(…)”

3.Het geschil

in conventie
3.1.
S-R & H-P Logistics vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [de gedaagde in conventie] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 24.999,99, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, en [de gedaagde in conventie] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke handelsrente.
in reconventie
3.2.
[de gedaagde in conventie] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, S-R & H-P Logistics zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 22.547,60, vermeerderd met wettelijke handelsrente en S-R & H-P Logistics zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
in conventie en in reconventie
3.3.
Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot (gedeeltelijke) afwijzing van de onderscheiden vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de wederpartij in de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de verdeling van de door hen gemaakte kosten en ontvangen inkomsten in de periode waarin zij samenwerkten en het voornemen hadden gezamenlijk een besloten vennootschap op te richten. Dat was in de periode van januari tot en met augustus 2024. Beide partijen stellen dat zij zelf kosten hebben gemaakt en dat de wederpartij inkomsten heeft ontvangen waarover nog moet worden afgerekend.
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat alle kosten en inkomsten die zij in verband met hun samenwerking hebben gemaakt, respectievelijk ontvangen, gelijkelijk tussen hen moeten worden gedeeld. Partijen verschillen van mening over de vraag welke kosten en inkomsten daaronder precies vallen.
Kosten
4.3.
Eerst worden de door S-R & H-P Logistics opgevoerde kosten besproken. S-R & H-P Logistics heeft als productie 20 een overzicht overgelegd waarin onder meer kosten zijn opgenomen waarover volgens haar nog moet worden afgerekend.
- notariskantoor Wille
4.3.1.
In het overzicht is een bedrag van in totaal € 1.446,75 opgenomen voor door Notariskantoor Wille gefactureerde kosten. Niet in geschil is dat Notariskantoor Wille deze kosten aan S-R & H-P Logistics in rekening heeft gebracht voor verrichte werkzaamheden om gezamenlijk een besloten vennootschap op te richten. Daarmee staat vast dat voormelde kosten zijn gemaakt in het kader van de samenwerking tussen partijen. Deze kosten moeten daarom tussen partijen gelijkelijk worden gedeeld. Een bedrag van € 723,38 komt dan ook voor rekening van [de gedaagde in conventie] .
- salarissoftware
4.3.2.
In het overzicht is een bedrag van € 804,65 opgenomen voor de kosten van de salarissoftware LoonPro. S-R & H-P Logistics heeft onweersproken gesteld dat ook [de gedaagde in conventie] gedurende de samenwerking van deze software gebruik heeft gemaakt. Daarmee zijn dit kosten die in het kader van de samenwerking zijn gemaakt. Ook deze kosten moeten daarom gelijkelijk tussen partijen worden gedeeld. Een bedrag van € 402,33 komt voor rekening van [de gedaagde in conventie] .
- personeel en huisvesting
4.3.3.
In het overzicht zijn kosten voor personeel en huisvesting opgenomen. Waar het S-R & H-P Logistics is die stelt dat deze kosten voortvloeien uit de samenwerking tussen partijen, had het, gelet op de betwisting van die stelling door [de gedaagde in conventie] , op haar weg gelegen die stelling te onderbouwen. Die onderbouwing ontbreekt echter. Uit niets blijkt dat de door S-R & H-P Logistics gemaakte kosten voor het personeel en de huisvesting zijn gemaakt in het kader van de samenwerking tussen partijen. Niet gebleken is dan ook dat de helft van deze kosten voor rekening van [de gedaagde in conventie] komt.
- overige door S-R & H-P Logistics opgevoerde kosten
4.3.4.
De overige in het overzicht opgenomen kosten zijn niet door S-R & H-P Logistics toegelicht. Gelet op de betwisting van de verschuldigdheid van deze kosten door [de gedaagde in conventie] , kan daarom niet worden vastgesteld dat S-R & H-P Logistics die kosten heeft gemaakt in het kader van de samenwerking. S-R & H-P Logistics heeft zijn stellingen op dit punt daarmee onvoldoende onderbouwd. Niet gebleken is dan ook dat de helft van de overige opgenomen kosten voor rekening van [de gedaagde in conventie] komt.
4.4.
Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat van de door S-R & H-P Logistics opgevoerde kosten een bedrag van
€ 1.125,71(€ 723,38 + € 402,33) voor rekening van [de gedaagde in conventie] komt.
4.5.
In reconventie stelt [de gedaagde in conventie] dat zij ook kosten heeft gemaakt in het kader van de samenwerking. Die kosten komen hierna aan de orde.
- automatisering
4.5.1.
S-R & H-P Logistics stelt dat zij in het kader van de samenwerking automatiseringskosten heeft gemaakt voor een bedrag van in totaal € 6.522,00. Uit de door [de gedaagde in conventie] als productie 1 overgelegde facturen blijkt dat het gaat om de volgende crediteuren:
- SkillSource,
- Snelstart,
- Rocket Lawyer,
- MijnBedrijf365 (Microsoft),
- KPI Solutions,
- SiteGround,
- Brookz,
- Loon Salarissoftware B.V. (LoonPro),
- WeFact.
4.6.
S-R & H-P Logistics erkent dat zij tijdens de samenwerking tot september 2024 gebruik heeft gemaakt van de boekhoudmodule Snelstart en de salarissoftware LoonPro.
De helft van de hiervoor door [de gedaagde in conventie] betaalde kosten over de periode van januari tot en met september 2024 komen daarom voor rekening van S-R & H-P Logistics. S-R & H-P Logistics wordt niet gevolgd in haar verweer dat zij voor de boekhoudmodule Snelstart slechts de kosten voor het extra account moet betalen. Niet gesteld of gebleken is immers dat partijen voor deze kosten zijn afgeweken van het uitgangspunt dat alle kosten die zijn gemaakt in verband met de samenwerking tussen partijen, gelijkelijk moeten worden gedeeld. De kosten van Snelstart over de periode van januari tot en met september 2024 bedragen blijkens de facturen uit productie 1 van [de gedaagde in conventie] in totaal € 1.995,30 inclusief btw (€ 48,40 + € 233,53 + € 233,53 + € 255,31 + € 258,94 + € 255,31 + € 257,13 + € 264,39 + € 188,76). De kosten van LoonPro bedragen blijkens de overgelegde facturen over voormelde periode € 536,43 ((€ 804,65 / 12) x 8 maanden). Dit betekent dat een bedrag van € 1.265,87 (0,5 x (€ 1.995,30 + € 536,43)) voor rekening van S-R & H-P Logistics komt.
4.7.
S-R & H-P Logistics erkent dat de helft van de door KPI Solutions in rekening gebrachte kosten voor haar rekening komt. Blijkens de overgelegde facturen heeft KPI Solutions een bedrag van in totaal € 302,50 gefactureerd. S-R & H-P Logistics moet de helft van dit bedrag, derhalve € 151,25, aan [de gedaagde in conventie] betalen.
4.8.
S-R & H-P Logistics erkent dat de helft van de door [de gedaagde in conventie] aan SiteGround betaalde domeinkosten voor haar rekening komt. Die kosten bedragen volgens de factuur van SiteGround € 15,99. S-R & H-P Logistics moet de helft van dit bedrag, derhalve € 8,00, aan [de gedaagde in conventie] betalen.
4.9.
[de gedaagde in conventie] heeft, hoewel dat wel op zijn weg lag, niet onderbouwd dat hij de overige door hem opgevoerde kosten heeft gemaakt in het kader van de samenwerking tussen partijen. Hij heeft daarmee zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Niet gebleken is dan ook dat de helft van de overige door [de gedaagde in conventie] opgevoerde kosten voor rekening van S-R & H-P Logistics dient te komen.
- mediation
4.10.
Tussen partijen staat vast dat beide partijen een kennismakingsgesprek met een mediator van Me Mediation hebben gevoerd en dat zij gezamenlijk het vervolgtraject hebben ingezet. De kosten die [de gedaagde in conventie] daarvoor aan Me Mediation heeft betaald, een bedrag van € 907,20 (incl. btw) zijn daarom kosten die zijn gemaakt in het kader van de samenwerking tussen partijen. Dat [de gedaagde in conventie] het initiatief heeft genomen om een mediator te benaderen en dat het mediationtraject uiteindelijk niet succesvol is geëindigd, betekent – anders dan S-R & H-P Logistics meent – niet dat de kosten voor de mediation daarom alleen voor rekening van [de gedaagde in conventie] dienen te komen. Ook het verweer dat S-R & H-P Logistics aan [de gedaagde in conventie] heeft medegedeeld niet te zullen bijdragen aan de kosten van mediation slaagt niet. S-R & H-P Logistics heeft die stelling, hoewel dit gelet op de betwisting door [de gedaagde in conventie] wel op haar weg lag, niet onderbouwd zodat dit niet is komen vast te staan. De conclusie is dan ook dat de helft van de betaalde kosten voor mediation, derhalve € 453,60, voor rekening van S-R & H-P Logistics komt.
4.11.
Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat van de door [de gedaagde in conventie] opgevoerde kosten een bedrag van
€ 1.878,72(€ 1.265,87 + € 151,25 + € 8,00 + € 453,60) voor rekening van S-R & H-P Logistics komt.
Inkomsten
4.12.
Beide partijen stellen over en weer dat de wederpartij inkomsten heeft ontvangen die nog bij helfte moeten worden gedeeld. Het gaat hierbij om (gestelde) ontvangen betalingen van MLG en Lakeside.
- MLG
4.13.
Vast staat dat beide partijen een bedrag van in totaal € 15.000,00 aan MLG hebben geleend. Als onweersproken staat vast dat S-R & H-P Logistics in verband met de terugbetaling van de lening een bedrag van in totaal € 11.208,00 (€ 7.416,00 via MLG + € 3.792,00 via [de gedaagde in conventie] ) heeft ontvangen (zie hiervoor 2.6.) terwijl hij recht had op betaling van de helft van het geleende geld. S-R & H-P Logistics heeft dus in het kader van de lening aan MLG een bedrag van
€ 3.708,00(€ 11.208,00 -/- € 7.500,00) teveel ontvangen. Dit bedrag moet S-R & H-P Logistics aan [de gedaagde in conventie] betalen.
- Lakeside
4.14.
Partijen zijn het erover eens dat [de gedaagde in conventie] Lakeside als klant heeft geworven en dat partijen voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden met elkaar hebben afgesproken om allebei voor deze klant te gaan werken, eerst door partijen via hun eigen ondernemingen en later door de gezamenlijk op te richten besloten vennootschap. Het voorgaande wordt ook door S-R & H-P Logistics bevestigd in de omschrijving van de factuur van 31 augustus 2024 aan Lakeside. Daarin wordt onder meer vermeld: “
Hierbij berekenen wij U volgensde mondelinge prijsafspraak tussen Lakeside Zwolle B.V. en [gedaagd bedrijf in conventie], (…) volgensde door ons gezamenlijk overeengekomen vaste prijsafspraak[onderstreping door de kantonrechter]. Hiermee staat vast dat de inkomsten die partijen van Lakeside hebben ontvangen, inkomsten zijn die zij in het kader van hun samenwerking hebben ontvangen. Dit betekent in beginsel dat alle inkomsten van Lakeside tussen hen bij helfte moeten worden gedeeld.
4.15.
S-R & H-P Logistics voert aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als [de gedaagde in conventie] aanspraak maakt op de helft van de opbrengst omdat S-R & H-P Logistics het overgrote deel van de werkzaamheden (75 tot 80%) alleen heeft verricht. S-R & H-P Logistics heeft deze stelling echter, hoewel dat gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [de gedaagde in conventie] wel op haar weg had gelegen, niet onderbouwd. Niet gebleken is dan ook dat S-R & H-P Logistics het overgrote deel van de werkzaamheden alleen heeft verricht. Het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt reeds om deze reden.
4.16.
Het voorgaande betekent dat de door partijen ontvangen bedragen van Lakeside tussen hen bij helfte moeten worden gedeeld. In geschil is echter of en zo ja, welke betalingen zij van Lakeside hebben ontvangen. Uit de hiervoor uiteengezette feiten (2.5.) blijkt dat beide partijen in eigen naam een factuur aan Lakeside hebben verzonden waarin zij een bedrag van € 30.250,00 in rekening hebben gebracht voor dezelfde werkzaamheden. [de gedaagde in conventie] heeft die factuur verzonden op 28 maart 2024 en S-R & H-P Logistics op 31 augustus 2024.
4.17.
S-R & H-P Logistics stelt dat [de gedaagde in conventie] een bedrag van in totaal € 3.750,00 van Lakeside heeft ontvangen. [de gedaagde in conventie] betwist dit en voert daartoe aan dat zij geen betalingen van Lakeside heeft ontvangen omdat [de gedaagde in conventie] de factuur van 28 augustus 2024 heeft gecrediteerd.
4.18.
[de gedaagde in conventie] stelt dat S-R & H-P Logistics naar aanleiding van de factuur van 31 augustus 2024 een bedrag van € 30.250,00 van Lakeside heeft ontvangen. S-R & H-P Logistics betwist dit. Zij voert daartoe aan dat 3/5 deel van de werkzaamheden was uitgevoerd en dat zij daarvoor slechts de helft door Lakeside betaald gekregen, derhalve een bedrag van in totaal € 7.500,00. De kantonrechter merkt op dat dit verweer niet rijmt met het betalingsoverzicht dat S-R & H-P Logistics als productie 16 heeft ingebracht. Daaruit blijkt dat zij tot en met 27 augustus 2024, dus nog voordat door S-R & H-P Logistics een factuur is gestuurd, een bedrag van in totaal € 9.000,00 heeft ontvangen van Lakeside. Uitgangspunt is dan ook dat S-R & H-P Logistics een bedrag van in elk geval € 9.000,00 van Lakeside heeft ontvangen.
4.19.
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) draagt de partij die zich beroept op het rechtsgevolg van de door haar gestelde feiten, de bewijslast van die feiten. Op grond deze hoofdregel dient [de gedaagde in conventie] te bewijzen dat S-R & H-P Logistics naast het bedrag van € 9.000,00, nog verdere betalingen van Lakeside heeft ontvangen en dient S-R & H-P Logistics te bewijzen dat [de gedaagde in conventie] € 3.750,00 van Lakeside heeft ontvangen. Partijen zullen tot bewijslevering worden toegelaten. Partijen wordt meegegeven een (gezamenlijk) verzoek te doen aan Lakeside om te verklaren hoeveel zij aan wie heeft betaald naar aanleiding van de facturen van 28 maart 2024 en 31 augustus 2024.
4.20.
De zaak zal worden verwezen naar de hierna te melden rol voor het nemen van een akte door beide partijen. Zij kunnen bij deze akte bewijsstukken in het geding brengen. Voorts moeten partijen bij deze akte aangeven of zij bewijs wil bijbrengen door het horen van getuigen en zo dit het geval is, hun verhinderdata en die van eventuele getuigen opgeven over de maanden oktober tot en met december 2026. Hierna zal een datum voor een eventueel getuigenverhoor worden bepaald. Partijen worden erop gewezen dat zij zich in de akte dienen te beperken tot de aan hen verstrekte bewijsopdracht.
Onrechtmatige daad
4.21.
S-R & H-P Logistics stelt dat [de gedaagde in conventie] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en dat zij daardoor schade heeft geleden die [de gedaagde in conventie] op grond van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) moet vergoeden.
4.22.
Volgens S-R & H-P Logistics heeft [de gedaagde in conventie] in de eerste plaats onrechtmatig gehandeld omdat zij klantgegevens van S-R & H-P Logistics heeft toegeëigend waardoor zij ernstig is belemmerd in de uitvoering van haar werkzaamheden. Volgens S-R & H-P Logistics heeft [de gedaagde in conventie] haar de toegang tot SnelStart en MijnLoon ontzegd waardoor zij geen toegang meer had tot haar eigen klantbestanden en administraties. Het werd
S-R & H-P Logistics hierdoor naar eigen zeggen onmogelijk gemaakt om haar klanten adequaat te bedienen omdat zij niet meer bij essentiële klantgegevens kon. Ondanks herhaalde verzoeken heeft S-R & H-P Logistics, zo stelt zij, niet alle klantgegevens en bijbehorende administratieve stukken ontvangen.
4.23.
Van een onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW Pro is geen sprake. Dit zal hierna worden toegelicht.
4.24.
Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat [de gedaagde in conventie] het softwareprogramma MijnLoon heeft aangeschaft en dat de licentie hiervoor op zijn naam was geregistreerd. S-R & H-P Logistics heeft in aanloop naar de voorgenomen oprichting van de besloten vennootschap ook gebruik gemaakt van dit softwareprogramma en heeft daarom haar klantgegevens in dit programma ingevoerd. Nadat S-R & H-P Logistics eind augustus 2024 de samenwerking tussen partijen beëindigde, wilde [de gedaagde in conventie] kennelijk niet dat partijen hun eigen werkzaamheden nog langer zouden voortzetten onder één softwarelicentie. Uit productie 10 van de dagvaarding blijkt dat [de gedaagde in conventie] in september 2024 daarom aan S-R & H-P Logistics herhaaldelijk heeft gevraagd om een e-mailadres door te geven voor de overdracht van de gegevens. S-R & H-P Logistics reageerde hierop afwijzend. Daarop heeft [de gedaagde in conventie] S-R & H-P Logistics geblokkeerd in MijnLoon. [de gedaagde in conventie] heeft vervolgens binnen een dag, dan wel enkele dagen, aan S-R & H-P Logistics een back-up van een deel van haar klantgegevens toegezonden. Nadat S-R & H-P Logistics op 9 oktober 2024 aan [de gedaagde in conventie] berichtte dat hierbij de loonaangiftes ontbraken, heeft [de gedaagde in conventie] op 13 oktober 2024 ook een back-up van die gegevens (in pdf-bestand) aan haar verzonden. Door S-R & H-P Logistics is niet gesteld en evenmin is gebleken welke gegevens zij nog mist. Uit de correspondentie wordt afgeleid dat S-R & H-P Logistics kennelijk wilde dat de gegevens door [de gedaagde in conventie] op een wijze werden verstrekt waardoor de gegevens automatisch in MijnLoon zouden kunnen worden ingelezen en niet handmatig ingevoerd hoefden te worden. Niet gesteld of gebleken is echter dat [de gedaagde in conventie] hiervoor kon zorgdragen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [de gedaagde in conventie] binnen enkele dagen na de blokkade in MijnLoon een back-up van alle klantgegevens van S-R & H-P Logistics aan haar heeft verstrekt omdat hij niet langer gezamenlijk onder dezelfde softwarelicentie wilde werken, hetgeen niet onbegrijpelijk is. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit handelen van [de gedaagde in conventie] in het licht van voormelde omstandigheden niet onrechtmatig.
4.25.
S-R & H-P Logistics stelt dat [de gedaagde in conventie] ook onrechtmatig heeft gehandeld doordat [de gedaagde in conventie] klanten van S-R & H-P Logistics heeft benaderd en beïnvloed en jegens hen intimiderende uitlatingen heeft gedaan met als gevolg dat de zakelijke relatie met deze klanten ernstig is verstoord. Gelet op de gemotiveerde betwisting van deze stellingen door [de gedaagde in conventie] , had het op de weg van S-R & H-P Logistics gelegen het gestelde onrechtmatig handelen te onderbouwen. S-R & H-P Logistics heeft echter geen concrete feiten naar voren gebracht of stukken overgelegd waaruit de door haar gestelde gedragingen blijken. Van een onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW Pro is dan ook niet gebleken.
4.26.
De kantonrechter houdt gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 4.20. is overwogen iedere verdere beslissing aan.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie en in reconventie
5.1.
stelt [de gedaagde in conventie] in de gelegenheid te bewijzen dat S-R & H-P Logistics naast het bedrag van € 9.000,00, nog verdere betalingen van Lakeside heeft ontvangen,
5.2.
stelt S-R & H-P Logistics in de gelegenheid te bewijzen dat [de gedaagde in conventie] een betaling van € 3.750,00 van Lakeside heeft ontvangen,
5.3.
verwijst de zaak naar de rolzitting van
[naam] 2026, voor het nemen van een akte als bedoeld in r.o. 4.20,
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
lt